Middelengebruik

6. Behandeling

Aanpak middelengebruik: zelf uitvoeren, samenwerken of doorverwijzen

Wat kunnen alle jeugdprofessionals doen?

Het is de taak van alle jeugdprofessionals om gebruik te herkennen en signaleren.

Daarnaast kun je:

Samenwerking met jongeren en het systeem

Met name rond de laatste stap (wanneer de hulpverlening in beeld komt), maar ook daarvoor al, kan een jeugdprofessional voor een dilemma komen te staan.

In de praktijk komt het namelijk regelmatig voor dat een minderjarige niet wil dat de ouders op de hoogte gesteld worden van het middelengebruik, terwijl de ouders er recht op hebben hierover geïnformeerd te worden. Jeugdprofessionals hebben dus enerzijds te maken met (medische) geheimhoudingsplicht, maar ouders hebben in beginsel recht op informatie over de gezondheidstoestand en de behandeling van hun minderjarige kind onder de zestien jaar. Voor minderjarigen onder de zestien jaar moeten ouders met gezag namelijk toestemming geven voor een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Deze toestemming moeten ouders weloverwogen kunnen verlenen, waartoe adequate informatie van de kant van de hulpverlener noodzakelijk is.

Jongeren onder de zestien jaar kunnen ook weigeren om toestemming te geven. Wanneer een jongere in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar niet wil dat informatie wordt verstrekt, wordt afgewogen of de jongere zwaarwegende belangen heeft die dit rechtvaardigen ten aanzien van de ouder zonder gezag.

De hulpverlener mag het inlichten van ouders/voogden achterwege laten als dat in strijd zou zijn met goed hulpverlenerschap, bijvoorbeeld als het informeren van de ouders/voogden in strijd is met het belang van de jongere. Het informeren van ouders/voogden kan achterwege blijven als de informatieverstrekking de behandelrelatie zou benadelen. Bijvoorbeeld in het geval van een psychiatrische behandeling van de jongere, die verband houdt met de problematische relatie met de ouders/voogden.

Het informeren van ouders/voogden mag eveneens achterwege blijven als de jongere daar uitdrukkelijk om vraagt. Ook hier moet als goed hulpverlener worden gehandeld. Dit betekent dat hulpverleners vanaf de intake met jongeren moeten bespreken (soms onderhandelen) wat wel of niet aan de ouders/voogden verteld wordt en ook ‘wie wat wanneer’ vertelt.

Voor jongeren van zestien jaar of ouder geldt dat zij toestemming moeten geven om informatie te verstrekken. Het maakt daarbij niet uit of de ouder het gezag heeft of niet. Zie ook de KNMG- wegwijzer Toestemming en informatie bij de behandeling van minderjarigen.

Terugvalpreventie

Naast het opstarten en uitvoeren van behandelafspraken is ook terugvalpreventie van belang. Hierbij leren jongeren hoe zij een terugval kunnen voorkomen, maar ook wat zij kunnen doen wanneer ze al een terugval hebben. Verder is het van belang de voortgang van de behandeling te evalueren, en indien mogelijk de behandeling af te sluiten. Daarbij is het handig om na te gaan of de jongere steun ervaart van zijn omgeving om het gewenste gedrag vol te houden. Daarnaast doet de hulpverlener er goed aan met de jongere te praten over zijn motivatie en over wat de jongere doet in situaties waarin de drang bestaat om te gebruiken, en om handvatten aan te reiken als de jongere daar problemen bij ervaart.

Samenwerking met de verslavingszorg

In hoofdstuk 7 laten we zien dat een integraal aanbod, waarin jeugdhulp (inclusief jeugd-GGZ) en verslavingszorg onder één dak worden aangeboden, het meest wenselijk is. In de praktijk is zo’n aanbod nog niet of nauwelijks beschikbaar. Een andere optie is om te werken met aandachtsfunctionarissen (zie hoofdstuk 7). Dit alles om problematisch middelengebruik zo vroeg mogelijk te signaleren en aan te pakken. De daadwerkelijke diagnose van stoornissen in het gebruik van een middel wordt gesteld door een verslavingsdeskundige uit de verslavingszorg. Is er sprake van zo’n stoornis, dan is de verslavingszorg ook verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Er kunnen zich situaties voordoen waarbij verwijzing naar de verslavingszorg noodzakelijk is. De werkgroep stelt hiertoe de volgende indicaties voor:

  • ernstige onthoudingsverschijnselen bij stoppen of minderen van gebruik;
  • ernstig, herhaaldelijk agressief gedrag, samenhangend met middelengebruik;
  • ernstige symptomen van psychopathologie in combinatie met een stoornis in het gebruik van middelen, zoals psychotische symptomen;
  • een belemmering ten gevolge van middelengebruik bij de huidige reguliere begeleiding of behandeling en daaraan verbonden disfunctioneren op verschillende levensgebieden.
Aanbevelingen
Interventieoverzichten
Reageer!