Middelengebruik

4. Screening en diagnostiek

Diagnostiek middelenstoornis

Eerder in deze richtlijn werd al vermeld dat je moet kijken naar de hoeveelheid middelen en frequentie van het gebruik als je wilt vaststellen of het middelengebruik dermate problematisch is dat verdere diagnostiek en monitoring nodig is. Daarbij moet je rekening houden met de leeftijd van de jongere, de motieven, omstandigheden en gevolgen van het middelengebruik.

Verreweg de meeste jeugdprofessionals zullen niet zelf diagnostiek van een middelenstoornis uitvoeren. De werkgroep is van mening dat jeugdprofessionals wel kennis moeten hebben van de DSM-5-criteria, juist omdat middelengebruik, middelenmisbruik en de ontwikkeling van een middelenstoornis zo vaak voorkomen binnen de jeugdhulp en jeugdbescherming.

Hendriks en anderen (2014) hebben een op de DSM-IV gebaseerde vragenlijst aangepast voor het diagnosticeren van een middelenstoornis op basis van DSM-5-criteria. De resulterende vragenlijst wordt in een interviewformat afgenomen en bestaat uit veertien items die met ja of nee kunnen worden beantwoord (zie tabel 6 op pagina 34 van de complete richtlijn). Voor elk middel afzonderlijk moeten deze vragen worden herhaald.

Aanbevelingen
Analyse van het middelengebruik, aangrijpingspunten voor interventies
Reageer!