Uithuisplaatsing

Inleiding

Het uit huis plaatsen van een jeugdige is een ingrijpende beslissing voor ouders en jeugdigen. Het is een uiterste redmiddel, als er geen andere oplossingen zijn. Vormen van (intensieve) ambulante zorg, dagbehandeling, inzet van het netwerk – alles moet in het werk gesteld worden om een uithuisplaatsing te voorkomen. De jeugdprofessional werkt in dit kader intensief samen met gemeentelijke/lokale teams, zodat de hulp zo dicht mogelijk bij het gezin uitgevoerd wordt.

Een uithuisplaatsing kan een tijdelijke oplossing zijn. Het biedt ouders en jeugdigen rust om de ontstane situatie op te lossen. Het waarborgt ook de veiligheid van de gezinsleden als een van hen thuis gevaar loopt. Uithuisplaatsing is geen doel op zich, maar een ingrijpend middel om ervoor te zorgen dat de jeugdige veilig is en zich goed kan ontwikkelen, of om een jeugdige een behandeling te geven die anders niet mogelijk is.

De Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming gaat over jeugdigen van 0 tot 18 jaar (met uitloop tot 23 jaar) bij wie een uithuisplaatsing of terugplaatsing overwogen wordt. Het kan gaan om vrijwillige, maar ook om gedwongen plaatsing in een (netwerk) pleeggezin, gezinshuis of residentiële instelling. Uitloop tot 23 jaar is alleen mogelijk wanneer een jongere voor zijn achttiende verjaardag al te maken had met jeugdhulp. Een uniforme richtlijn voor het al dan niet uit huis plaatsen en terugplaatsen van jeugdigen is om meerdere redenen van belang. Een uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende beslissing – voor de jeugdige, zijn ouders én voor de beslisser. Zeker wanneer de uithuisplaatsing in een gedwongen kader of zonder instemming van de ouders plaatsvindt. Met een uithuisplaatsing wordt ingegrepen in de (onverbrekelijke) band tussen een jeugdige en zijn ouders. Dergelijke beslissingen dienen daarom zeer zorgvuldig te worden genomen.

De jeugdprofessional moet bij een uithuisplaatsing dus een afweging tussen twee kwaden maken. Daarbij bestaat een kans dat hij een fout maakt als hij een jeugdige uit huis plaatst, maar ook als hij dat niet doet. Zijn keuze kan grote gevolgen hebben. Grijpt de professional (ten onrechte) niet in, dan kan de jeugdige thuis (verder) mishandeld worden, gewond raken en zelfs overlijden. Plaatst de professional de jeugdige (ten onrechte) wel uit huis, dan kan dat de jeugdige, de relatie tussen ouders en kind en het vertrouwen van het gezin in de hulpverlening schaden. Wat de beslissing moeilijk maakt, is dat dergelijke gevolgen pas achteraf zichtbaar worden en niet altijd van tevoren te overzien zijn. Daarom is er nu een richtlijn ontwikkeld. Deze richtlijn helpt professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming om besluiten over uithuisplaatsing en terugplaatsing zorgvuldig af te wegen en uithuisplaatsingen zo veel mogelijk te voorkomen door tijdig effectieve interventies in te zetten. Een landelijke richtlijn zorgt voor uniformiteit.

Het volgen van deze richtlijn betekent niet dat er geen jeugdigen meer uit huis geplaatst worden. De veiligheid van jeugdigen dient altijd een eerste afweging te zijn. De aanbevelingen in deze richtlijn dragen enkel bij aan het nemen van een zorgvuldige beslissing omtrent uithuisplaatsing. Wel beoogt de richtlijn dat eerder en vaker ambulante interventies worden ingezet om een uithuisplaatsing te voorkomen.

Doelgroep

De richtlijn is primair bedoeld voor jeugdprofessionals. Zij moeten ermee kunnen werken. Daarnaast is van de richtlijn een aparte cliëntversie gemaakt. Deze is primair bedoeld voor de cliënten: de jeugdigen en hun ouders.

Verantwoording

De Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming is ontwikkeld door de Werkgroep Uithuisplaatsing en Crisisplaatsing. De samenstelling van de werkgroep is weergegeven in bijlage 1 van de complete richtlijn (pdf). Deze werkgroep heeft zeven uitgangsvragen geselecteerd, verdeeld over de volgende thema’s:

1. Besluitvorming

  • Beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing

    • Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen of een uithuisplaatsing nodig is?
    • Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen waar een jeugdige het beste geplaatst kan worden?
    • Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen of een terugplaatsing mogelijk is?
  • Termijnen voor besluitvorming

    • Binnen welke termijn moeten jeugdige, ouders en omgeving weten wat het toekomstperspectief is?
    • Wanneer is terugplaatsing nog verantwoord, gezien de leeftijd van de jeugdige en de duur van de uithuisplaatsing?
  • Wat is aan te bevelen bij het gezamenlijk uit huis plaatsen van broers en zussen?

  • Welke rol mogen en kunnen ouders en jeugdige spelen in de besluitvorming over uithuisplaatsing en terugplaatsing?

… Meer

2. Voorkomen van uithuisplaatsing

  • Welke interventies bij welke doelgroep zijn effectief bij het voorkómen van een uithuisplaatsing?

… Meer

3. Begeleiden bij uithuisplaatsing en terugplaatsing

  • Welke hulp/begeleiding hebben ouders en jeugdige nodig tijdens uithuisplaatsing? Welke interventies zijn hierbij effectief?

  • Welke hulp/begeleiding hebben ouders en jeugdige nodig na terugplaatsing? Welke interventies zijn hierbij effectief?

… Meer

De beantwoording van deze uitgangsvragen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, ‘grijze’ literatuur, praktijkkennis en de voorkeuren van professionals. Voor het literatuuronderzoek vormt de kenniscollectie van het Nederlands Jeugdinstituut de basis. Bij de ontwikkeling van de richtlijn is gebruik gemaakt van het dossier Uithuisplaatsing en de volgende stukken:

  1. Uithuisplaatsing, wat werkt? (Bartelink, 2011)
  2. Residentiële jeugdhulp, wat werkt? (Boendermaker, Van Rooijen, & Berg, 2010)
  3. Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? (Zoon, 2012)

Om de kwaliteit van wetenschappelijk bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, is de systematiek van de Erkenningscommissie gevolgd. Deze methode is toegesneden op de onderzoekspraktijk die in de jeugdhulp gangbaar is. Volgens deze methode worden bij de beoordeling van het wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’. De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEJ). Deze systematiek is niet gehanteerd bij het beoordelen van de literatuur over besluitvorming. De systematiek bleek daar niet hanteerbaar en bruikbaar. Bij het beoordelen van de studies over besluitvorming is gebruik gemaakt van de GRADE-methode.

Betrokkenheid van cliënten bij de ontwikkeling van de richtlijn

Cliënten (ouders van jeugdigen die jeugdhulp (hebben) ontvangen) zijn gedurende het hele proces bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken geweest. Zo hebben ze hun voorkeuren aangegeven bij het bepalen van de uitgangsvragen. Daarnaast hebben ze tijdens de proefimplementatie hun ervaringen met het werken vanuit de richtlijn kenbaar gemaakt. Verder is er een werkgroep van ervaringsdeskundigen (de zogenaamde ‘cliëntentafel’) geformeerd. De cliënten zijn door het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) benaderd.

De cliëntentafel is tijdens de ontwikkeling van de richtlijn geraadpleegd als er vragen waren. Door mee te denken over inhoud en formulering hebben de cliënten een grote bijdrage geleverd aan de praktische bruikbaarheid van de richtlijn. Dit geldt met name voor aspecten als de ongelijkheid tussen hulpverlener en cliënt, de ouder- en opvoedingsrelatie en zorgen om de jeugdige. De cliëntentafel heeft geadviseerd om hulpverlening vanuit de richtlijn te baseren op gedeelde besluitvorming.

Om cliënten te informeren over de inhoud van de richtlijn, is voor ouders een cliëntversie van de richtlijn ontwikkeld, die van commentaar is voorzien door de cliëntentafel. De cliëntversie kan cliënten helpen om samen met de professional afwegingen te maken en beslissingen te nemen over de hulp die zij nodig hebben.

Afbakening

Deze Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming gaat over uithuisplaatsingen die vallen onder de jeugdhulp.

Een uithuisplaatsing houdt in dat een jeugdige – al dan niet tijdelijk – ergens anders verblijft dan in zijn eigen gezin, bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of residentiële instelling. Een uithuisplaatsing kan zowel vrijwillig als gedwongen plaatsvinden. Voor een vrijwillige uithuisplaatsing gaf Bureau Jeugdzorg tot 1 januari 2015 een indicatiebesluit af. Sindsdien moet de gemeente tot vrijwillige uithuisplaatsing besluiten met een zogenaamde verleningsbeschikking.
We spreken van een gedwongen uithuisplaatsing als er een machtiging uithuisplaatsing wordt afgegeven door de kinderrechter. Naast de machtiging is dan ook een indicatiebesluit van de gemeente nodig. Wanneer er al een ondertoezichtstelling is kan het zijn dat een uithuisplaatsing met instemming van de jeugdige en zijn ouders plaatsvindt, maar dan is er desondanks een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk.
In het algemeen is de aanpak in grote lijnen gelijk voor jongens en meisjes, en voor jeugdigen met een verschillende etnisch-culturele achtergrond. Ook jeugdigen met (ouders met) een lichte verstandelijke beperking worden gelijk benaderd. Wel is het belangrijk om na te gaan of er sprake is van een goede communicatie. Taalproblemen en culturele aspecten mogen niet tot misverstanden leiden.

Gedeelde besluitvorming

Het is van groot belang dat de jeugdprofessional ouders en jeugdige uitnodigt tot samenwerking en hen gedurende het hele hulpproces bij de besluitvorming betrekt. Beslissingen hebben immers een grote impact op hun leven. Daarom horen de wensen en verwachtingen van ouders en jeugdige leidend te zijn. Hún ervaringen, hún kijk op de problematiek en de oplossing ervan vormen het uitgangspunt voor de afwegingen die de professional maakt. Actieve deelname van ouders en jeugdige bevordert bovendien het effect van de hulpverlening.

Nu kunnen ouders en jeugdige pas echt als volwaardig partner meedenken en meepraten als zij voldoende geïnformeerd zijn. De richtlijn kan hierbij helpen. De professional bespreekt de richtlijn met ouders en jeugdige en wijst hen op het bestaan van een cliëntversie. Hij legt de stappen in het hulpproces uit op een manier die voor hen begrijpelijk is, houdt rekening met de emoties die zijn verhaal oproept en biedt ouders en jeugdige de ruimte om te reageren. Hij legt hun uit welke keuzemogelijkheden er zijn, om vervolgens samen na te gaan hoe zij tegen deze opties aankijken. Welke voorkeuren hebben ze en wat willen ze juist niet? Elke jeugdige heeft, ongeacht zijn leeftijd, het recht om zijn mening te geven. Aan deze mening wordt een passend gewicht toegekend: niet de leeftijd maar de capaciteiten van de jeugdige zijn leidend. Een jeugdige moet dan wel weten wat er aan de hand is. De jeugdprofessional hoort dus duidelijk uit te leggen wat er speelt, op een niveau dat aansluit bij de capaciteiten van de jeugdige.

In principe volgt de professional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige. Is de veiligheid van de jeugdige in het geding, dan kan dat mogelijk niet. De professional legt in zo’n geval duidelijk uit waarom hij een andere keuze maakt, en wat daarvan de consequenties zijn.

Zo komt er een proces van gedeelde besluitvorming (shared decision making) op gang. Professionals, ouders én jeugdige hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het hulpproces te laten slagen. Zij moeten dus samenwerken. Onder samenwerking wordt verstaan dat de jeugdprofessional:

  • luistert naar de verwachtingen en wensen van ouders en jeugdige. Deze zijn leidend in het hele proces. Maakt de professional een afwijkende keuze, dan legt hij uit waarom hij dat doet;

  • ouders en jeugdige (indien van toepassing met behulp van deze richtlijn) informeert wat wel en niet werkt bij bepaalde problemen;

  • ouders en jeugdige uitleg geeft over de verschillende stappen in het proces van diagnostiek en behandeling;

  • ouders en jeugdige verschillende hulpmogelijkheden voorlegt die van toepassing zijn op hun situatie; de voor- en nadelen van elke optie bespreekt (liefst door cijfers/feiten ondersteund); en nagaat welke voorkeuren ouders en jeugdige hierin hebben;

  • er voortdurend rekening mee houdt dat het ouders en jeugdige aan kracht, vaardigheden of inzicht kan ontbreken om optimaal van de aangeboden hulp gebruik te maken. Het expliciet delen van deze omstandigheden en pogen hierover (meer) gedeeld perspectief te krijgen, is noodzakelijk om samen tot een besluit te komen waarin ouders en jeugdige zich het best kunnen vinden;

  • niet alleen oog heeft voor de jeugdige, maar voor het hele gezin;

  • zich aanpast aan het tempo van ouders en jeugdige bij het doorlopen van het proces, tenzij de jeugdige acuut in gevaar is. In dat geval dient de jeugdprofessional uit te leggen waarom bepaalde stappen nu genomen moeten worden;

  • zich ervan vergewist dat ouders en jeugdigen begrijpen wat gezegd en geschreven wordt;

  • ouders bij een zorgsignaal zo snel mogelijk betrekt;

  • ouders, en waar mogelijk jeugdige, in een open sfeer uitnodigt tot samenwerking;

  • open en niet-veroordelend luistert naar het individuele verhaal van elke ouder en elke jeugdige;

  • open en niet-veroordelend luistert naar de problemen die ouders en jeugdige ervaren;

  • oog heeft voor de mate waarin ouders, en eventueel jeugdige, zich gestuurd voelen dan wel vrijwillig hulp hebben gezocht;

  • uitgaat van de kracht en motivatie van ouders om in de opvoeding bepaalde doelen te bereiken;

  • met ouders en jeugdige afstemt wat reëel en ‘goed genoeg’ is.

… Meer

Maar ook ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, werken naar beste kunnen mee. Dit houdt in dat zij:

  • zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het hulpproces te laten slagen;

  • zelf de regie hebben, mits zij het belang van de jeugdige (waaronder de veiligheid) voorop stellen;

  • bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional;

  • openstaan voor de kennis en ervaring van de jeugdprofessional;

  • vragen om advies, en proberen iets met dat advies te doen;

  • ondersteuning toestaan als zij zelf onvoldoende mogelijkheden hebben om een advies op te volgen;

  • op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;

  • eventueel om extra ondersteuning en/of een andere jeugdprofessional vragen;

  • zelf hun mening en ideeën naar voren brengen.

… Meer

Gedeelde besluitvorming is dus zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader van toepassing. In het gedwongen kader kunnen er wel minder keuzeopties zijn, of kunnen er aan bepaalde keuzes andere voorwaarden of consequenties zijn verbonden. Dit maakt het hulpproces gecompliceerd, maar onderstreept het belang van een goede samenwerking.

Ouders en jeugdige dienen ook bij hulp in een gedwongen kader uitvoerig geïnformeerd te worden over de eventuele keuzemogelijkheden, de maatregelen die worden genomen, en over hun rechten en plichten hierin. De professional dient regelmatig te vertellen welke stappen er worden gezet en wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt.

De professional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Hij hoort hiervan aantekening te maken in het cliëntdossier.

Juridisch kader

Bij de onderwerpen uithuisplaatsing en terugplaatsing zijn internationale en nationale (juridische) kaders van toepassing. Internationaal gezien zijn dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en Richtlijnen voor Alternatieve Zorg van Kinderen (Verenigde Naties [VN], 15 juni 2009). De Nederlandse wet- en regelgeving rondom uithuisplaatsing is vastgelegd in de Wet op de Jeugdzorg (vanaf 1 januari 2015 in de Jeugdwet) en in het Burgerlijk Wetboek (BW).

De richtlijn is van toepassing op uithuisplaatsing met instemming van betrokkenen, de vrijwillige uithuisplaatsing en op uithuisplaatsing in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel (in de meeste gevallen is dat de ondertoezichtstelling). Bij de uitvoering van de voogdij is het plaatsingsproces meestal al achter de rug. Het IVRK is op alledrie de vormen van uithuisplaatsing van toepassing. Ook de richtlijn is daarop van toepassing.

Besluitvorming
Ouders hebben het recht en de plicht om hun kind op te voeden en de jeugdige heeft het recht om door de eigen ouders te worden opgevoed (artikel 7 IVRK; artikel 247.1 BW). De ouders passen in de verzorging en opvoeding van hun kind geen geestelijk of lichamelijk geweld toe en vernederen hun kind niet (artikel 19 IVRK; artikel 1:247.2 BW).

Gaat het toch niet goed thuis, dan kan een uithuisplaatsing ter sprake komen. Daarbij is altijd een professional uit de jeugdhulp en jeugdbescherming betrokken. Hij spreekt met ouders en jeugdige de eventuele uithuisplaatsing door, en regelt de informed consent. Is de uithuisplaatsing vrijwillig, dan is het besluit van de ouders (en bij jeugdigen boven de zestien jaar de jeugdige) doorslaggevend.

Jeugdigen die ernstig in hun ontwikkeling of gezondheid worden bedreigd en waarbij bescherming geboden is, kunnen door de kinderrechter onder toezicht gesteld worden op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (artikel 1:255 BW (tot 1 januari 2015 artikel 1:254 BW)), indien nodig gekoppeld aan een machtiging tot uithuisplaatsing (artikelen 1:265a en 265b BW, tot 1 januari 2015 artikel 1:261 BW). Ouders hebben dan niet meer alleen de verantwoordelijkheid voor hun kind, maar delen die met een gezinsvoogd.

Bij een crisisplaatsing moet in veel gevallen een machtiging uithuisplaatsing door de kinderrechter afgegeven worden. Een kinderrechter kan een machtiging uithuisplaatsing afgeven wanneer de verzorging en opvoeding van een jeugdige in het geding zijn, of wanneer onderzoek naar de geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid van de jeugdige noodzakelijk is.

Het besluit tot uithuisplaatsing hoort niet uit de lucht te komen vallen. Ouders en jeugdige dienen in het proces eraan voorafgaand zorgvuldig bij de besluitvorming te worden betrokken (artikelen 12, 9.1, 3.1, 3.2 en 12 IVRK). Dit geldt zowel voor een vrijwillige plaatsing als voor een plaatsing in jeugdbeschermingskader.
Aparte aandacht behoeft plaatsing in het kader van een voogdij uitgeoefend door een rechtspersoon. Formeel is dan geen instemming van ouders nodig en – met uitzondering van de gesloten plaatsing – ook geen machtiging van de kinderrechter. Ook voor deze plaatsingen gelden het IVRK en de richtlijn. Het feit dat ouders geen gezag hebben wil niet zeggen dat ze helemaal niet bij de uithuisplaatsing betrokken hoeven te worden. Alleen verschilt de mate waarin: die is afhankelijk van de speciale omstandigheden van de jeugdige.

Voorkómen van uithuisplaatsing
De verplichtingen die uit het IVRK voortvloeien zijn verder uitgewerkt in de Internationale Richtlijnen voor Alternatieve Zorg van Kinderen. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind (artikel 18.1 IVRK) en hebben recht op ondersteuning van de overheid. Alle inspanningen dienen er in de eerste plaats op gericht zijn dat de jeugdige bij zijn ouders kan blijven, naar hen kan terugkeren, of eventueel bij naaste familieleden kan worden ondergebracht.

Ondersteunen jeugdigen en ouders bij uithuisplaatsing en terugplaatsing
Een jeugdige heeft recht op contact met de ouders, broers en zussen, opa’s en oma’s. Het recht op contact tussen ouders en kind vloeit direct uit de wet voort. Een beperking van dit recht is alleen mogelijk bij onderling goedvinden en – indien er geen consensus is – door een beslissing van de kinderrechter. Dit laatste vindt bij uithuisplaatsing in vrijwillig kader echter nauwelijks plaats. Extra complicaties kunnen zich voordoen als er een door de rechter vastgestelde omgangsregeling van toepassing is. Bij een geschil hierover volgt meestal een rechterlijke uitspraak, waarbij veelal het initiatief zal liggen bij degene die contact wil.

Als er een ondertoezichtstelling is, dan heeft de gezinsvoogd vanaf 1 januari 2015 de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om een verdeling in de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen of te wijzigen (artikel 1:263g BW nieuw). Tot 1 januari 2015 kan de gezinsvoogd uitsluitend verzoeken een reeds vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in het belang van de ondertoezichtstelling (artikel 1:263b BW oud). De gezinsvoogd kan bij een uithuisplaatsing ook de contacten tussen de ouders en de jeugdige beperken indien dit in het belang is van de doelstelling van de uithuisplaatsing (artikel 1:265f BW, (1:263a BW oud)).

Ook hebben jeugdigen recht op contact met eerdere pleegouders op grond van het door de pleeggezinplaatsing ontstane recht op family life (artikel 8 IVRK).

Aandacht voor speciale groepen jeugdigen
In het internationale jeugdrecht worden bepaalde groepen aangewezen als kwetsbare jeugdigen, die op grond van hun specifieke kwetsbaarheid recht hebben op bijzondere zorg. Het betreft jeugdigen met een handicap (artikel 23 IVRK), jeugdigen die slachtoffer zijn van geweld (artikel 39 IVRK), vluchtelingenkinderen en jeugdigen die in Nederland verblijven zonder verblijfsvergunning (artikel 22 IVRK). Het is van belang rekening te houden met de specifieke kwetsbaarheid van deze groepen. Hiervoor zal vaak specifieke kennis nodig zijn.

Theoretisch kader

In deze richtlijn staan vier uitgangspunten wat betreft uithuisplaatsing centraal:

  • de richtlijn is opgesteld vanuit het perspectief van jeugdigen en hun ouders;

  • de ontwikkeling en het welzijn van de jeugdige staan centraal;

  • uithuisplaatsing is een traject waarin voortdurend beslissingen genomen worden;

  • alle beslissingen aangaande het hele proces van uithuisplaatsing worden gedragen door het bewustzijn dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende aangelegenheid is voor alle betrokkenen en dat een uithuisplaatsing dus in de minst ingrijpende, maar wel meest doelmatige vorm aangeboden moet worden.

… Meer

Perspectief van jeugdigen en ouders
Het is belangrijk ouders en jeugdige centraal te stellen in de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Daarmee bedoelen we dat de richtlijn het proces volgt dat ouders en jeugdige doormaken. Dit betekent ook dat we niet ingaan op de vraag wie of welke organisatie bepaalde onderdelen moet uitvoeren of wie welke verantwoordelijkheden in het uithuisplaatsingsproces heeft. In de praktijk blijkt dit namelijk niet overal op dezelfde manier geregeld te zijn; Bureaus Jeugdzorg en zorgaanbieders hebben regionaal afgesproken wie waarvoor verantwoordelijk is.

Door ouders en jeugdigen als vertrekpunt te nemen, kunnen hulpverleners vanuit verschillende organisaties of vanuit verschillende afdelingen binnen een organisatie dezelfde taal gaan spreken. Dit bevordert de afstemming en samenwerking, waardoor zij beter gezamenlijk verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de hulp en veiligheid van jeugdigen.

Een bijkomend voordeel is dat de geplande transitie op deze manier de richtlijn niet in de weg zit. Wat ouders en jeugdigen nodig hebben blijft immers hetzelfde, ongeacht waar in het jeugdstelsel dit precies gepositioneerd is.

Dat de jeugdprofessional uitgaat van het perspectief van ouders en jeugdige betekent overigens niet per se dat hij altijd doet wat ouders en jeugdige willen.

Ontwikkeling en welzijn van de jeugdige centraal
Deze richtlijn beoogt de ontwikkeling en het welzijn van jeugdigen die mogelijk uit huis geplaatst moeten worden of uit huis geplaatst zijn te bevorderen. Het Framework for the Assessment of Children in Need and their Families helpt om een zorgvuldige afweging te maken met het oog op de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van jeugdigen, zie de complete richtlijn (pdf), figuur 2.

De vraag wat nodig is om het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige te stimuleren staat in deze richtlijn centraal. Soms, zeker in complexe situaties, raken hulpverleners hiervan afgeleid en richten ze hun aandacht op andere issues in het gezin, bijvoorbeeld op de problemen van de ouders. Het kan dan gebeuren dat ze hulp bieden aan de ouders zonder dat duidelijk is of dit ook het welzijn of de ontwikkeling van de jeugdige bevordert. Het zicht op de jeugdige is dan verdwenen.

Het Framework stelt dat het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige worden bepaald door de interactie tussen drie domeinen (de drie zijden van de driehoek). Deze drie domeinen zijn onderling verbonden. Daarbij is het belangrijk in het oog te houden dat risicofactoren de opvoedingscapaciteiten van ouders en de ontwikkelingsbehoeften van jeugdigen kunnen beïnvloeden.

  • de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige;

  • de capaciteiten van de ouders (opvoeders) om in die behoeften te voorzien;

  • de invloed van gezins- en omgevingsfactoren op enerzijds de capaciteiten van de ouders en anderzijds de behoeften van de jeugdige.

… Meer

Uithuisplaatsing is een traject
De veiligheid, ontwikkeling en het welzijn van de jeugdige staan centraal. Dat betekent dat hier tijdens het traject van uithuisplaatsing doorlopend aandacht voor dient te zijn. Uithuisplaatsing is te beschouwen als een middel om de veiligheid te herstellen, de ontwikkeling (weer) op gang te brengen en het welzijn te bevorderen. Uithuisplaatsing is niet alleen een moment – de jeugdige is uit huis geplaatst -, maar vooral een traject. Voordat een feitelijke uithuisplaatsing plaatsvindt, is er immers vaak al veel gebeurd: ouders hebben al van alles zelf geprobeerd, diverse hulpverleners hebben zich ermee bemoeid, allerlei interventies zijn ingezet. Uiteindelijk is dit niet voldoende gebleken en is het (toch) uitgemond in een uithuisplaatsing.

Daarmee is het voor het gezin niet afgelopen: ouders blijven ouders, ook al voeden zij hun kind (voorlopig) niet meer op. Ook blijven zij te maken houden met allerlei hulpverleners. Bovendien wordt na verloop van tijd besloten of een jeugdige weer naar huis kan of misschien langdurig elders geplaatst moet worden. Artikel 25 IVRK geeft de jeugdige (en zijn ouders) recht op een regelmatige evaluatie van de plaatsing.

Dat uithuisplaatsing te beschouwen is als een traject en een middel heeft een aantal consequenties voor het handelen van jeugdprofessionals.

Ten eerste is het belangrijk dat het traject van uithuisplaatsing doelgericht is. Er moeten dus heldere doelen worden geformuleerd. Dat kunnen doelen voor de korte termijn, maar ook doelen voor de lange termijn zijn. Een doel kan bijvoorbeeld zijn dat de ouders hun psychische problematiek gaan aanpakken zodat zij thuis weer veilig voor hun eigen kind kunnen zorgen. Zulke doelen vergen een lange adem. Daarom moet bij langetermijndoelen ook worden beslist over het perspectief van de jeugdige. De hulpverlener moet dus antwoord zien te krijgen op de vraag of de thuissituatie van de jeugdige dusdanig zal verbeteren dat terugplaatsing mogelijk is. Ook moet hij te weten zien te komen wat ervoor nodig is om terugplaatsing mogelijk te maken.

Ten tweede is het belangrijk dat het traject van uithuisplaatsing gefaseerd verloopt. Het traject staat schematisch weergegeven in figuur 1 (zie complete richtlijn, figuur 1). In de volgende hoofdstukken komen delen van dit schema herhaaldelijk terug. Het traject start na een eerste inschatting van de aard en ernst van de problemen. Is direct ingrijpen noodzakelijk, dan kan beter de Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming worden geraadpleegd. Is direct ingrijpen niet aan de orde, dan volgt een probleemanalyse (zie complete richtlijn, paragraaf 2.2.1).

Als er geen sprake is van een dreigende uithuisplaatsing, doet de professional er goed aan de Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming te raadplegen. Is een uithuisplaatsing niet meer te voorkomen, dan wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2 (zie complete richtlijn). Hierin staat beschreven welke type plaatsing de voorkeur heeft.

Dreigt er wel een uithuisplaatsing, maar zijn er nog mogelijkheden deze te voorkomen, dan is het hoofdstuk “Voorkomen van uithuisplaatsing” aan de orde. Hierin staat welke interventies de professional kan inzetten om een uithuisplaatsing af te wenden.

Een beslissing om een jeugdige (tijdelijk) uit huis te plaatsen, dient regelmatig geëvalueerd te worden. Hoe je dat doet, wordt beschreven in paragraaf 2.2.3 (zie complete richtlijn). Als besloten is dat een jeugdige naar een pleeggezin of een residentiële woon- of behandelplek gaat, dan treden de Richtlijn Pleegzorg voor jeudhulp en jeugdbescherming en/of de Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming in werking. Bij zowel (tijdelijke) uithuisplaatsing als bij terugplaatsing is het van belang jeugdige en ouders goed te begeleiden (zie het hoofdstuk “Begeleiden bij uithuisplaatsing en terugplaatsing“).

Tot slot is uithuisplaatsing ook een cyclisch proces: stappen kunnen herhaaldelijk opnieuw doorlopen worden wanneer dat nodig is. Doelen kunnen tijdens een evaluatie worden bijgesteld, en er kan opnieuw worden besloten wat het beste is voor de ontwikkeling of het welzijn van de jeugdige.

Juridische betekenis van de richtlijn

Deze richtlijn beschrijft wat onder goed professioneel handelen wordt verstaan. De kennis die tijdens het schrijven van de richtlijn beschikbaar was, vormt hierbij het uitgangspunt. Het gaat over kennis gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook over praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Door deze kennis in kaart te brengen wil de richtlijn jeugdprofessionals houvast bieden. Het idee is dat zij de kwaliteit van hun beroepsmatig handelen vergroten als ze de richtlijn volgen. Ook kan de richtlijn cliënten helpen om de juiste keuzes te maken.

Richtlijnen zijn geen juridische instrumenten. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben, zoals een wet, of zoals regels die op een wet gebaseerd zijn. Ze kunnen wel juridische betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn allereerst door de beroepsgroep worden onderschreven. De nu voorliggende richtlijn is aangenomen door drie beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW). Deze zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Samen werken ze aan het ontwikkelen van richtlijnen. Maar de juridische betekenis van een richtlijn hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid. De richtlijn moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van de eigen verantwoordelijkheid van de professional over blijft. Kunnen jeugdprofessionals in de praktijk goed met de richtlijn uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de waarde van die richtlijn.

Uitgangspunt is dat richtlijnen door de jeugdprofessional worden toegepast. Ze vormen immers de uitdrukking van wat er in het werkveld door de beroepsgroep als goed professioneel handelen wordt beschouwd. Daarom worden ze ook wel een ‘veldnorm’ genoemd. Richtlijnen zijn dus niet vrijblijvend, maar ook geen ‘dictaat’. Dat wil zeggen dat ze niet bindend zijn: de jeugdprofessional kan ervan afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. De informatie in de richtlijn is namelijk niet het enige waarop de professional zich dient te baseren om tot goede hulp te komen. Hij dient ook de unieke situatie van de cliënt plus diens voorkeuren mee te wegen, en zich te houden aan wet- en regelgeving en het beroepsethische kader van zijn beroepsgroep. Correct gebruik van richtlijnen vooronderstelt dus het nodige vakmanschap.

Het is daarom van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren waarom hij van de richtlijn is afgeweken. Hij moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Om die reden moeten ze ook in het dossier worden opgenomen. Op deze manier kan de professional verantwoording afleggen over zijn beroepsmatig handelen. Niet alleen aan de cliënt, maar eventueel ook aan het Tuchtcollege.

Diversiteit

Om een goede werkrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met de ouders van belang. Nu vinden niet alle ouders het even makkelijk hulpverleners te vertrouwen. Neem daarom voldoende tijd om dit vertrouwen te winnen. Houd er rekening mee dat ouders een ander referentiekader kunnen hebben dan jijzelf. Ze denken bijvoorbeeld dat de ziekte van hun kind een andere oorzaak heeft dan jij denkt, of ze kijken anders tegen opvoeden aan. Onderzoek met welke verwachtingen de ouders komen en wees je bewust van de verwachtingen die jij van de ouders hebt. Ouders kunnen ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van hun kind. In zulke situaties is meer tijd nodig hebben om het vertrouwen te winnen.
Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn, laag zijn opgeleid of een (licht) verstandelijke beperking hebben. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij hen niet voldoende aanwezig is. De jeugdprofessional doet er daarom goed aan te zorgen voor begrijpelijk voorlichtingsmateriaal, en voor een interventie te kiezen die aansluit bij de capaciteiten van zowel de ouders als de jeugdige.

Bijstelling en herziening van de richtlijn

Deze richtlijn is gebaseerd op de kennis die tijdens het schrijven beschikbaar was. Nu de richtlijn is uitgebracht, wordt informatie verzameld over het gebruik van de richtlijn. De zo verzamelde feedback, maar ook nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om de richtlijn bij te stellen. Het is gebruikelijk richtlijnen ongeveer eens in de vijf jaar te herzien, of eerder als daar aanleiding toe is.

Gedurende de looptijd van het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (tot en met 2015) zag de Stuurgroep Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming toe op de bijstelling van de richtlijnen. Momenteel voert het Nederlands Jeugdinstituut in opdracht van de beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW) het beheer en onderhoud van de richtlijnen uit.

Veranderingen in de zorg voor jeugd

Het kan voorkomen dat in de ene gemeente bepaalde interventies wel worden aangeboden en in de andere gemeente niet. Ook kan het aanbod binnen gemeenten per jaar verschillen. Bovendien kan het voorkomen dat aanbevolen interventies (voor onbepaalde tijd) helemaal niet beschikbaar zijn. Zoek in zo’n geval naar alternatief aanbod dat gericht is op beschermende of risicofactoren bij het gezin. Meld daarnaast lacunes in het hulpaanbod bij de manager van de instelling. Gebruik de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming daarbij als onderbouwing.

Leeswijzer

Deze richtlijn met bijbehorende werkkaarten is bedoeld voor jeugdprofessionals die met het onderwerp van deze richtlijn te maken hebben. De richtlijn vormt de neerslag van een groter document, namelijk ‘de onderbouwing’. Deze onderbouwing is apart te raadplegen. Voor cliënten en andere geïnteresseerden is er een cliëntversie van de richtlijn gemaakt. Ook deze is apart verkrijgbaar. Alle documenten zijn openbaar. Zie richtlijnenjeugdhulp.nl.

Het hoofdstuk “Besluitvorming” gaat in op het beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing. Vervolgens behandelt het hoofdstuk “Voorkomen van uithuisplaatsing” wat jeugdprofessionals kunnen doen om uithuisplaatsing te voorkomen.

Tot slot gaat het hoofdstuk “Begeleiden bij uithuisplaatsing en na terugplaatsing” in op de begeleiding tijdens een uithuisplaatsing en na terugplaatsing.

    … Meer

    Besluitvorming
    Reageer!