Uithuisplaatsing en terugplaatsing

3. Beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing

Beslissen over uithuisplaatsing

Een kind van zijn ouders scheiden is een uiterste maatregel die alleen mag worden toegepast als dat in het belang van het kind is (Huls, 2022). Steeds meer is bekend over de gevolgen van (langdurige) uithuisplaatsingen voor kinderen en jongeren. Uithuisplaatsingen, hoewel in sommige gevallen noodzakelijk, leiden vaak niet tot de gewenste verbeteringen in de ontwikkeling van het kind. Juist stabiliteit en veiligheid zijn voor kinderen belangrijk. In de praktijk kan dat tijdens een uithuisplaatsing vaak niet geboden worden (Bruning et al., 2022a).

Een uithuisplaatsing is ingrijpend en heeft grote impact op zowel ouders als kinderen. Bovendien zijn de uitkomsten bij een uithuisplaatsing onzeker. De gevolgen zijn pas achteraf zichtbaar en niet altijd van tevoren te overzien. Loopt een kind (meer) schade op doordat het thuis blijft wonen of loopt het schade op door een uithuisplaatsing? Dat stelt professionals voor een groot dilemma: ze kunnen een verkeerd besluit nemen als het kind uit huis geplaatst wordt, maar ook als ze het thuis bij de ouders laten blijven. Achteraf kan altijd blijken dat een besluit niet het juiste was. Het is daarom essentieel dat besluiten zorgvuldig worden genomen en expliciet worden onderbouwd.

Zorgvuldig beslissen betekent dat jeugdprofessionals:

  • systematisch en planmatig werken;

  • gebruik maken van beschikbare wetenschappelijke kennis;

  • onderscheid maken tussen de informatie die ze verzamelen, hun beoordeling van die informatie en de beslissingen die zij op basis daarvan nemen;

  • hun conclusies en besluiten feitelijk en inzichtelijk onderbouwen;

  • een gemotiveerde belangenafweging maken waarbij het belang van het kind centraal staat;

  • samen met ouders, kind, collega’s uit andere disciplines en andere hulpverleners een beslissing nemen en deze beslissing onderbouwen;

  • oog hebben voor de mogelijke schadelijke effecten van een uithuisplaatsing, het eerdere hulpverleningstraject en de mogelijke veroorzaker van de huidige situatie;

  • verschillende scenario’s uitwerken;

  • niet overhaast te werk gaan (zolang de veiligheid van kinderen en ouders dat toestaat).

… Meer

De gedeelde verklarende analyse

Om samen met ouders en kind te kunnen beslissen over de best passende hulp, is het belangrijk om het eens te zijn over een aantal zaken: wat er aan de hand is, waardoor dat veroorzaakt wordt, wat de risico’s en beschermende factoren in het gezin en de omgeving zijn, maar ook welke hulp en ondersteuning al is ingezet en met welk resultaat (Bouma et al., 2020; zie ook hoofdstuk 2). De richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp gaat hier uitgebreid op in.

Bij de afweging over uithuisplaatsing is dus een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Zo’n analyse biedt inzicht in de samenhang van de problemen, het ontstaan en het voortbestaan ervan en legt verbanden tussen de verschillende factoren. Dit kan leiden tot het inzicht dat een ouder bijvoorbeeld eerst traumabehandeling moet krijgen, dat er interventies op school plaats moeten vinden, dat er aandacht moet zijn voor armoede of huisvesting of dat er gezinstherapie nodig is. Ook gaat de gedeelde verklarende analyse in op positieve factoren die aanwezig zijn en (nog) niet benut worden, maar wel aanknopingspunten kunnen bieden voor het voorkomen van een uithuisplaatsing of voor terugplaatsing. Verder gaat de verklarende analyse in op eerdere vormen van hulpverlening en de opbrengsten daarvan, waarmee onderbouwd wordt waarom die eerdere hulp niet voldoende is gebleken.

Om een gedegen gedeelde verklarende analyse op te stellen, moet er worden samengewerkt. In de eerste plaats moet de gedeelde verklarende analyse een co-creatie zijn van jeugdprofessionals en ouders. De analyse komt dus zo veel mogelijk gezamenlijk tot stand en professionals en ouders proberen tot een gezamenlijk perspectief op de situatie te komen. Dit betekent niet dat ouders het per se eens zijn met of overtuigd moeten worden van het perspectief van de professionals, maar wel dat de uitkomsten altijd met hen gedeeld zijn en de informatie samen met hen verzameld is. Ten tweede moet een gedragswetenschapper intensief betrokken zijn bij het opstellen van een verklarende analyse. Tot slot kan het bij specifieke, meervoudige problematiek van belang zijn specialisten bij het opstellen van de analyse te betrekken.

Het opstellen van een gedeelde verklarende analyse is geen eenmalige activiteit. Door evaluatie van het lopende hulpverleningstraject kan de oorspronkelijke verklarende analyse aangescherpt en geactualiseerd worden en ontstaat geleidelijk een steeds beter inzicht in de gezinssituatie. Vooruitkijkend kan de gedeelde verklarende analyse gebruikt worden voor het opstellen van doelen en het bepalen van passende hulp. Terugkijkend kan de gedeelde verklarende analyse gebruikt worden bij de evaluatie van hulp en de overweging voor een terugplaatsing. Zo kan aan de hand van de eerdere verklarende analyse gekeken worden of aan noodzakelijke voorwaarden gewerkt is en of problemen op bepaalde gebieden verminderd of hanteerbaar geworden zijn.

Een gedeelde verklarende analyse:

  • zorgt ervoor dat alle belangrijke oorzakelijke en instandhoudende factoren in kaart zijn gebracht;

  • brengt ook de positieve factoren in kaart en de samenhang van alle factoren die hebben geleid tot de huidige situatie;

  • onderbouwt de keuze voor een passende aanpak voor het gezin, het opstellen van concrete doelen en vervolgstappen;

  • wordt geschreven in begrijpelijke taal en leidt tot houvast, (h)erkenning en inzicht bij de betrokkenen;

  • zorgt voor draagvlak en motivatie voor de gezamenlijk gekozen aanpak van de problemen (Kenniswerkplaats Jeugd Friesland & Bureau Peers, 2021).

… Meer

Daarnaast is het belangrijk rekening te houden met de religieuze, levensbeschouwelijke en culturele achtergronden van de gezinsleden. Kijk voor cultuursensitief werken naar de paragraaf over diversiteit en cultuursensitief werken in de Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming.

Bij het maken van een gedeelde verklarende analyse kan de professional gebruik maken van het Framework for the Assesment of Children in Need and their Families (FACNF) (Department of Health, 2000). Een uitwerking van dit Frameworkvindt in de volgende paragraaf plaats.

Er zijn verschillende manieren waarop professionals tot een gedeelde verklarende analyse kunnen komen. Diverse formats helpen professionals te redeneren en daarbij alle relevante factoren te betrekken en mee te wegen. Dit moet leiden tot samenhang en tot het samen beslissen met ouders en jongeren over doelen en interventies. Voorbeelden van formats zijn:

… Meer

Een goede verklarende analyse is Volledig, Eenvoudig, Samenhangend en Toetsbaar (VEST), en wordt gedeeld (en liefst gedragen) door alle betrokkenen (Van Leeuwen & Geeraets, 2022). De jeugdprofessional gaat concrete informatie inwinnen over het dagelijks leven van de gezinsleden in de verschillende contexten. Dit vraagt van de jeugdprofessional vaardigheden als inlevend en

onbevooroordeeld luisteren en waardevrij taalgebruiken diagnostische kennis om haalbare doelen te formuleren. Daarnaast vraagt het om de vaardigheid om goed meningen en feiten te kunnen onderscheiden, zodat juiste en betrouwbare informatie verzameld wordt. Verder helpt de vakbekwaamheid van een gedragswetenschapper bij het expliciteren van patronen en kenmerken als het gaat om specifieke problematiek (Van Leeuwen & Geeraets, 2022).

Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beoordelen of een uithuisplaatsing
nodig is?

Om zorgvuldig te kunnen beoordelen of een uithuisplaatsing nodig is, is het van belang de volgende vijf afwegingen te maken, waarbij de gedeelde verklarende analyse richting geeft aan de weging en onderlinge afhankelijkheid van de kernonderdelen.

Afweging 1: In hoeverre zijn de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van het kind in balans?

In het hele beoordelingsproces staat de ontwikkeling en het belang van het kind centraal: wat heeft het kind nodig om zich te kunnen ontwikkelen tot een gezonde volwassene? Daarbij is het belangrijk om een afweging te maken tussen de ontwikkelingsbehoeften van het kind en de opvoedingscapaciteiten van de ouders. Deze zijn beide gerelateerd aan de leeftijd van het kind en zijn fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau.

Daarom is het nodig in kaart te brengen:

  • hoe een kind zich ontwikkelt en wat hij nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen;

  • welke risico- en beschermende factoren de ontwikkelingsbehoeften van het kind beïnvloeden;

  • wat de opvoedingscapaciteiten en leerbaarheid van de ouders zijn;

  • welke risico- en beschermende factoren de opvoedingscapaciteiten van de ouders beïnvloeden.

… Meer

Zowel ernstige problemen in de ontwikkeling van het kind als ernstige problemen in de opvoedingscapaciteiten van de ouders (of een combinatie daarvan) kunnen de balans tussen ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten verstoren en een reden zijn om een kind uit huis te plaatsen.

Wat betreft de problemen bij het kind noemt de literatuur als redenen voor uithuisplaatsing (Harder et al., 2020a):

  • ernstige emotionele en gedragsproblemen;

  • gevaarlijk of bedreigend gedrag van het kind richting gezinsleden;

  • verminderd contact met de realiteit (psychose, zelfbeschadiging en/of suïcideneiging of –poging).

… Meer

Dergelijke ernstige problemen zijn voor ouders, zelfs als zij over zeer goede opvoedingscapaciteiten en beschermende factoren beschikken, vaak niet te hanteren.

Als het om problemen in de opvoeding gaat, kunnen onder andere de volgende problemen een reden zijn voor uithuisplaatsing (Harder et al, 2020a):

  • ernstige en langdurige kindermishandeling of een hoog risico op kindermishandeling;

  • een (ernstig) tekort aan opvoedingsvaardigheden;

  • ernstige onveiligheid in de ouder-kindrelatie (onveilige of gedesorganiseerde gehechtheid).

… Meer

In veel situaties gaan problemen bij het kind, gebrekkige opvoedingscapaciteiten van ouders en een onveilige woon-/leefomgeving hand in hand. Daardoor kan een uithuisplaatsing een noodzakelijke stap zijn om de ontwikkeling van het kind te bevorderen.

De richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp noemt instrumenten die gebruikt kunnen worden om ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten in kaart te brengen. Daarnaast helpt deze richtlijn ook in te schatten of er sprake is van (een risico op) kindermishandeling. Samen beslissen zorgt er ook voor dat een besluit beter aansluit bij de hulpvraag en wensen van kind en ouders, wat de effectiviteit van de geboden hulp ten goede komt. Er worden dus zo veel mogelijk afwegingen gemaakt, door de ouders, betrokken hulpverleners en het netwerk, waarbij ook collega’s vanuit andere disciplines betrokken worden.

Om na te gaan in hoeverre de ontwikkelingsbehoeften van het kind en de opvoedingscapaciteiten van de ouders in evenwicht zijn stelt de jeugdprofessional zich de volgende vragen:

Hoe ontwikkelt het kind zich, en wat heeft het nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen?
Het is belangrijk om elk aspect van de ontwikkeling van het kind te onderzoeken, zodat de professional een helder beeld krijgt van diens specifieke ontwikkelingsmogelijkheden. De ontwikkelingsbehoeften van een kind zijn afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau. Een kind moet de verwachte ontwikkelingsmijlpalen halen. Daarbij moet rekening gehouden worden met eventuele specifieke kwetsbaarheden (bijvoorbeeld leerproblemen of een fysieke of verstandelijke beperking).

Het Framework for the Assessment of Children in Need and their Families (Department of Health, 2000) onderscheidt zeven algemene dimensies met betrekking tot de ontwikkeling van het kind. Aandachtspunten binnen deze dimensies betreffen zowel kenmerken van het kind als diens functioneren in termen van gedrag, ontwikkeling en emoties. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen beoordelen.

Ontwikkeling van het kind

  • Gezondheid en fysieke verschijning

    • algemene gezondheid, groei en ontwikkeling;
    • speciale behoeften door bijvoorbeeld ziekte of een beperking;
    • aanwezigheid van letsel (mogelijk als gevolg van kindermishandeling);
    • uiterlijke verschijning (bijvoorbeeld kleding, uitgerust/vermoeid);
    • lichaamsbeweging en eetgewoonten.
  • Cognitieve ontwikkeling

    • taalontwikkeling en taalgebruik;
    • werkhouding op school (concentratie, niveau);
    • voortgang op school, succes- en faalervaringen.
  • Emotionele ontwikkeling en gedrag

    • omgaan met emoties en expressie van gevoelens;
    • hechting;
    • temperament;
    • (spel)gedrag thuis, op school en in de omgeving (bijvoorbeeld sportclub);
    • sociaal gedrag (contact met leeftijdgenoten en volwassenen);
    • reactie op traumatische of stressvolle gebeurtenissen.
  • Identiteit

    • de mate waarin het kind zichzelf ziet als individu (is afhankelijk van de leeftijd van het kind) en als deel van het gezin;
    • zelfbeeld en zelfvertrouwen;
    • keuzes maken en initiatief nemen;
    • gender- en/of seksuele identiteit.
  • Gezins- en sociale relaties

    • relaties met gezinsleden (ouders, broers/zussen);
    • relaties met leeftijdgenoten;
    • relaties met volwassenen;
    • empathisch vermogen;
    • manier van contact leggen met professionals (bijvoorbeeld oogcontact maken, mate van openheid of afweer, mate van weerbaarheid of afhankelijkheid).
  • Sociale presentatie

    • verschijning en gedrag in sociale situaties (passende kleding, passend gedrag, netheid en persoonlijke hygiëne);
    • aanpassing aan en houding t.a.v. beperkingen en discriminatie door anderen;
    • respect voor gezins-, culturele en religieuze waarden en diversiteit.
  • Zelfredzaamheid

    • praktische, emotionele en communicatieve vaardigheden die vereist zijn voor toenemende onafhankelijkheid;
    • oplossingsvaardigheden;
    • inschatten van eigen veiligheid en risico’s.

… Meer

Beschermende factoren die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van het kind en die tegenwicht bieden aan de risico’s waaraan het kind worden blootgesteld, zijn (Ince et al., 2018; Ten Berge et al., 2014):

  • zelfwaardering;

  • ego-veerkracht (stressresistentie);

  • bovengemiddelde intelligentie;

  • aantrekkelijk uiterlijk;

  • makkelijk temperament;

  • goede interpersoonlijke vaardigheden (sociale competentie);

  • steun van een volwassene die voor het kind belangrijk is;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen;

  • sociale binding met de directe omgeving (gezin, school, wijk etc.);

  • kansen op betrokkenheid in verbanden waar het kind deel van uitmaakt (familie, school, gemeenschap);

  • opgroeien in een omgeving met prosociale normen;

  • erkenning en waardering voor positief gedrag;

  • constructieve tijdsbesteding, zoals sport, werk of buitenschoolse activiteiten;

  • cognitieve vaardigheden;

  • schoolmotivatie;

  • positieve identiteit van het kind zelf.

… Meer

Hechting
Voor de ontwikkeling van kinderen is het belangrijk dat zij zich kunnen hechten aan hun ouders en/of andere belangrijke volwassenen. Een veilige hechtingsrelatie is gunstiger voor de ontwikkeling dan een onveilige gehechtheidsrelatie, maar dit hoeft niet te betekenen dat onveilige gehechtheid per se tot problemen in de ontwikkeling leidt. Wel is bekend dat gedesorganiseerde gehechtheid, waarbij het kind geen samenhangende hechtingsrelatie ontwikkelt – vaak als gevolg van een zeer bedreigende en onvoorspelbare opvoeder – tot een zeer problematische ontwikkeling leidt.

De hechtingsrelatie is een aspect van de ouder-kindrelatie. De kwaliteit van de hechtingsrelatie staat dus niet gelijk aan de kwaliteit van de ouder-kindrelatie. Hoewel sommige kinderen onveilig gehecht zijn aan hun ouders, kunnen ouders op andere aspecten van de ouder-kindrelatie wel degelijk positieve invloed hebben (Forslund et al., 2022).

De hechtingsrelatie tussen ouders en kinderen is een overweging die een rol speelt in het beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing; het kan echter nooit de hoofdreden zijn voor een uithuisplaatsing dan wel het weigeren van een terugplaatsing. Een veilige gehechtheid kan gezien worden als beschermende factor, een onveilige als een risicofactor. Als er een onveilige hechtingsrelatie gesignaleerd wordt, is het belangrijk om hulpverlening in te zetten voor ouders en kind gericht op het versterken van de hechtingsrelatie. Voor verdere informatie verwijzen we naar de richtlijn Problematische gehechtheid.

Wat zijn de opvoedingscapaciteiten van de ouders?
Ook de opvoedingscapaciteiten van ouders zijn van belang. Daarbij gaat het om het vermogen van ouders om adequaat in te gaan op de ontwikkelingsbehoeften van hun kind, en om hun vermogen zich aan de veranderende behoeften van hun kind aan te passen. Dit kan beschreven worden in termen van:

  • de manier waarop zij op hun kind, zijn gedrag en behoeften reageren en waar zij problemen bij ervaren;

  • het effect dat het kind op hen heeft;

  • de kwaliteit van de ouder-kindrelatie;

  • hun begrip van de ontwikkelingsbehoeften en ontwikkeling van hun kind;

  • hun begrip van opvoedingsvaardigheden en het belang daarvan voor de ontwikkeling van een kind;

  • hun vermogen anders op hun kind te reageren als hun kind andere ontwikkelingsbehoeften krijgt.

… Meer

Het Framework (Department of Health, 2000) noemt zes dimensies waarop de opvoedingscapaciteiten van ouders in kaart kunnen worden gebracht. Het gaat daarbij niet alleen om wat ouders weten en kunnen, maar ook (vooral) om de manier waarop zij dit in de praktijk laten zien. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om een beslissing over de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen nemen.

Opvoedingscapaciteit

  • Basale verzorging

    • voorzien in fysieke behoeften van het kind (voeding, hygiëne, onderdak);
    • zorg dragen voor goede gezondheidszorg (bijvoorbeeld bezoek aan huisarts en tandarts, deelname aan vaccinatieprogramma, specialistische hulp).
  • Creëren van veiligheid

    • een veilige leefomgeving bieden;
    • bescherming bieden tegen mensen die mogelijk gevaar opleveren;
    • voldoende toezicht houden;
    • weerbaar maken: bespreken hoe om te gaan met risicovolle situaties.
  • Emotionele warmte

    • waardering en respect tonen voor het kind;
    • empathie en begrip tonen voor het kind;
    • sensitief en responsief reageren op de behoeften van het kind;
    • betrokken zijn bij (activiteiten van) het kind, hem steunen en aan activiteiten meedoen.
  • Stimuleren

    • de cognitieve ontwikkeling bevorderen door aanmoediging, communicatie en stimulatie;
    • voorzien in leermogelijkheden en sociale participatie;
    • zorgen voor en ondersteunen van onderwijs- en succeservaringen.
  • Regels en grenzen

    • heldere, realistische grenzen, regels en verwachtingen stellen;
    • gedrag en emoties van het kind reguleren (leren omgaan met frustraties);
    • omgaan met conflicten;
    • passende verantwoordelijkheden geven.
  • Stabiliteit

    • structuur, stabiliteit en continuïteit in opvoeding en verzorging bieden;
    • voorspelbaar zijn in reacties;
    • fysiek en psychisch beschikbaar zijn (geldt voor minimaal één vaste opvoeder).

… Meer

Welke risico- en beschermende factoren hebben invloed op de opvoedingscapaciteiten van de ouders?
Factoren bij de ouders die gezien kunnen worden als risicofactoren voor de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkeling van het kind zijn (Ince & Kalthoff, 2020; Ten Berge et al., 2014):

  • middelenmisbruik/verslavingsproblematiek;

  • psychische/psychiatrische ziekte of een lichamelijke beperking;

  • een verstandelijke beperking;

  • gebrek aan gevoel van verantwoordelijkheid of aan medewerking van ouders;

  • een problematische partnerrelatie, o.a. veel conflicten, huiselijk geweld en instabiliteit in relaties (veel wisselende relaties);

  • fysiek/emotioneel niet beschikbaar zijn voor het kind, bijvoorbeeld omdat de ouder in beslag wordt genomen door eigen problematiek of door ziekte (langdurige opname, fysieke beperkingen);

  • stress door schulden en/of werkloosheid;

  • op jonge leeftijd (jonger dan achttien jaar) ouder geworden;

  • problematische levensgeschiedenis, zoals zelf slachtoffer geweest zijn van kindermishandeling;

  • antisociaal gedrag vertonen, zelf geweld gebruiken tegen personen;

  • ontbreken van steun van vrienden of familie.

… Meer

Benadrukt moet worden dat de professional altijd moet onderzoeken in hoeverre deze kenmerken van invloed zijn op het opvoedend handelen van de ouders. Het zijn immers risicofactoren: ze vergroten de kans op uithuisplaatsing, maar dat wil niet zeggen dat uithuisplaatsing altijd noodzakelijk is.

Beschermende factoren zijn factoren die ouders een zekere mate van veerkracht geven, ook wanneer zij met veel problemen kampen. In de literatuur worden de volgende beschermende factoren genoemd (Ince & Kalthoff, 2020; Ten Berge et al., 2014):

  • een gevoel van competentie, draagkracht;

  • een positief zelfbeeld;

  • een ondersteunende partner;

  • eigen jeugdervaringen kunnen hanteren;

  • positieve jeugdervaringen;

  • steun kunnen vragen/profiteren van steun;

  • emotionele beschikbaarheid;

  • flexibiliteit;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen.

… Meer

Wanneer de risicofactoren in het gezin een grotere invloed hebben in het dagelijks functioneren dan de beschermende factoren, zullen ouders minder goed een verzorgings- en opvoedingssituatie kunnen bieden die nodig is voor een evenwichtige ontwikkeling van het kind.

Afweging 2: Hoe beïnvloeden gezins- en omgevingsfactoren de balans tussen de opvoedingscapaciteiten en de ontwikkelingsbehoeften?

Het verzorgen en opvoeden van een kind gebeurt niet in een vacuüm. Gezins- en omgevingsfactoren kunnen zowel een stabiliserende als een destabiliserende functie hebben als het gaat om de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van het kind. Met een stabiliserende functie wordt bedoeld dat het gezin ondanks veel of ernstige problemen toch nog kan functioneren. Een betrokken en actief sociaal netwerk kan bijvoorbeeld een stabiliserende functie hebben. Op zulke stabiliserende factoren dient de professional te letten als hij uithuisplaatsing overweegt. Het kan namelijk nodig zijn om interventies in te zetten zodat deze stabiliserende factoren stand kunnen houden.

Interventies kunnen ook nodig zijn als destabiliserende factoren de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften dreigen te verstoren. Destabiliserende factoren zijn bijvoorbeeld (Ince & Kalthoff, 2020; Ten Berge et al., 2014):

  • een eenoudergezin, stiefgezin, groot gezin;

  • veel conflicten;

  • huiselijk geweld;

  • een instabiel, ongeregeld leven;

  • materiële/financiële problemen (werkloosheid, huisvesting);

  • ingrijpende levensgebeurtenissen;

  • een sociaal isolement, sociale uitsluiting of lage sociale cohesie in de buurt.

… Meer

Door hulpverlening in te zetten op het compenseren van de destabiliserende factoren kan mogelijk worden voorkomen dat de balans verstoord raakt en een uithuisplaatsing nodig wordt.

Het Framework (Department of Health, 2000) noemt zeven dimensies met betrekking tot het gezin en de omgeving. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om een beslissing over de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen nemen.

Gezins- en omgevingsfactoren

  • Gezinsgeschiedenis en -functioneren: wie maken er deel uit van het huishouden? Hoe is hun relatie met het kind? Hebben zich hierin belangrijke veranderingen voorgedaan? Welke ervaringen uit de kindertijd dragen de ouders met zich mee? Hebben zich belangrijke gebeurtenissen voorgedaan? Hoe functioneert het gezin (denk ook aan de relatie met broers en zussen en de invloed op het kind daarvan)? Wat zijn sterke en minder sterke eigenschappen van de ouders? Welke moeilijkheden ervaren zij? Hoe is de relatie tussen de (gescheiden) ouders?

  • Familie: wie zijn deel van de bredere familie? Wie zijn daarin afwezig? Hoe zijn de relaties met de bredere familie? Welke impact heeft de familie op het kind en het gezin?

  • Woning: zijn in de accommodatie basisfaciliteiten aanwezig? En voorzieningen die passen bij de leeftijd en de ontwikkeling van het kind en andere huisgenoten? Denk aan interieur en exterieur van het huis en directe omgeving, inclusief de aanwezigheid van gas, water, elektra, kookfaciliteiten, slaapruimte, netheid, hygiëne en veiligheid en de invloed daarvan op het opvoeden van het kind.

  • Werk: wie werkt, wat voor werkpatroon heeft diegene en wat is het effect daarvan op het kind? Zijn daarin belangrijke veranderingen geweest (denk aan werkloosheid)?

  • Inkomsten: is er voldoende geld om in de behoeften van het kind en het gezin te voorzien?

  • Sociale integratie van het gezin: in welke mate is het gezin geïntegreerd of geïsoleerd? Hoe zien de peergroepen, vriendschappen en het sociale netwerk van zowel kind als ouders eruit? Welk belang hechten ze eraan?

  • Gemeenschapsbronnen: welke faciliteiten en diensten zijn er in de buurt? Denk aan universele diensten van primaire gezondheidszorg, dagopvang en scholen, transport, winkels, vrijetijdsactiviteiten en plekken voor religieuze samenkomsten. Het gaat om zowel de beschikbaarheid als het niveau van de voorzieningen en de invloed daarvan op het gezin.

… Meer

Afweging 3: Hoe kan het sociale netwerk bijdragen aan het versterken van de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften?

Hierbij gaat het er vooral om te beoordelen welke rol het sociale netwerk (familie, vrienden en kennissen) in het gezin speelt of kan spelen. Het kan hier gaan om het netwerk van het kind en/of dat van zijn ouders. Het sociale netwerk kan voor ouders en kind een belangrijke bron van praktische en emotionele steun zijn. Wanneer ouders en kind een beroep kunnen doen op mensen in hun omgeving loopt stress minder hoog op. Het sociale netwerk kan ook een rol spelen in het vergroten van de veiligheid van het kind. En het sociale netwerk kan een rol spelen bij het maken van een verklarende analyse en een hulpverleningsplan.

Er zijn verschillende methoden om het sociale netwerk in kaart te brengen. Voorbeelden hiervan zijn Sociale netwerkstrategieën (SONESTRA), Eigen Kracht-conferenties en familienetwerkberaden. Daarnaast zijn er initiatieven die ingezet kunnen worden om een sociaal netwerk op te bouwen, zoals buddysystemen, buurtmaatjes, steungezinnen en burgerinitiatieven. Meer informatie hierover is terug te lezen in het Werkboek Sociale Steun of in de publicatie De kracht van verbinding en ook in hoofdstuk 2 van deze richtlijn.

Afweging 4: Hoe kan professionele hulp of ondersteuning bijdragen om binnen een aanvaardbare termijn de balans tussen ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten voldoende te herstellen?

Hierbij gaat het er met name om te beoordelen of er met professionele hulp of ondersteuning iets aan de opvoedingssituatie veranderd kan worden. Dit is van belang voor de beslissing of een interventie thuis ter voorkoming van een uithuisplaatsing nog zin heeft, of dat de hulpverlener moet overgaan tot een uithuisplaatsing. De vraag is hierbij: in hoeverre kunnen (veranderingsmogelijkheden) en willen (veranderingsbereidheid) ouders en kind binnen een aanvaardbare termijn veranderen, zodat het kind veilig kan opgroeien en zich optimaal kan ontwikkelen? Om deze vraag te beantwoorden is het van belang informatie te verzamelen over de effecten van eerdere hulp en eerder genomen maatregelen. Gekeken dient te worden in hoeverre de veiligheid en ontwikkelkansen van het kind er op vooruit zijn gegaan en door wat. Daarnaast dient te worden onderzocht in hoeverre de vaardigheden van ouders verbeterd zijn, en of de bereidheid van ouders om problemen aan te pakken en profijt van de hulp te hebben beïnvloed kan worden. Voor het kind is een veilige plek om te wonen een voorwaarde voor de hulp: zonder een veilige plek kan er niet gewerkt worden aan de problemen.

Een reden om tot uithuisplaatsing over te gaan kan zijn dat:

  • de verzorging en opvoeding van het kind in de knel zitten of onderzoek naar de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind nodig is;

  • er een gerechtvaardigde en onderbouwde verwachting bestaat dat ambulante hulp onvoldoende verandering brengt, waardoor gevaar voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind blijft bestaan of zelfs toeneemt;

  • ouders niet bereid of in staat zijn mee te werken, of niet laten zien dat ze zich verantwoordelijk voelen voor de situatie en er onverminderd ernstige zorgen blijven bestaan;

  • (in geval van mishandeling door de andere ouder) de niet-mishandelende ouder niet in staat is het kind te beschermen;

  • er een aantoonbaar risico is op ontvoering naar of achterlating in het buitenland;

  • er een aantoonbaar risico is op (seksuele) uitbuiting of mensenhandel;

  • er een aantoonbaar risico is op eerwraak;

  • ouders en/of het kind betrokken zijn bij een criminele organisatie/criminele activiteiten;

  • ouders onberekenbaar zijn door middelengebruik (alcohol, drugs);

  • ouders zich bevinden in detentie of geslotenheid.

… Meer

Veranderingsmogelijkheden
In hoeverre ouders in staat zijn om blijvend veranderingen te realiseren, hangt onder meer af van hun functioneren als persoon en hun mogelijkheden om zich te kunnen richten op hun kind en diens behoeften. In hoeverre een kind in staat is om zich blijvend te ontwikkelen, hangt onder meer af van het inzicht dat het heeft in zijn eigen functioneren. Vragen die de professional zich bijvoorbeeld kan stellen zijn:

  • Begrijpen, herkennen en erkennen de ouders de aard en ernst van de opvoedingsproblemen, persoonlijke problemen en andere factoren die bedreigend zijn voor het kind?

  • Begrijpen, herkennen en erkennen de ouders de gevolgen van de opvoedingsproblemen voor het kind op korte en/of lange termijn (bijvoorbeeld de schade die bij het kind is of dreigt te ontstaan door de kindermishandeling)? Nemen zij daar ook verantwoordelijkheid voor?

  • Hebben de ouders persoonlijke problemen of beperkingen die de kans op verbetering verkleinen?

  • Begrijpt, herkent en erkent het kind welke problemen hij heeft en welke invloed die hebben op zijn omgeving? En neemt hij daar verantwoordelijkheid voor?

  • Heeft het kind persoonlijke problemen of beperkingen die de kans op verbetering verkleinen?

  • Hebben ouders en kind van eerdere hulp (blijvend) geprofiteerd?

… Meer

Ouders of kinderen die kampen met ernstige problemen (zoals ernstige psychiatrische problemen, ernstige verslavingsproblemen of een verstandelijke beperking) hebben vaak een beperkte mogelijkheid tot leren en veranderen. Veranderingsmogelijkheden of –onmogelijkheden kunnen ook blijken uit de resultaten van eerdere hulp en het al dan niet tot stand komen van een samenwerkingsrelatie met het gezin. Aanwijzingen voor gebrekkige veranderingsmogelijkheden zijn dat er veel eerdere hulp is geboden zonder blijvend effect, of dat ouders herhaaldelijk niet reageren op afspraken of niet op komen dagen.

Veranderingsbereidheid
Nu zijn gezinnen bij de start van de hulpverlening niet altijd bereid om te veranderen. Zeker niet als anderen zich zorgen maken over mogelijke onveiligheid in hun gezin. Veranderingsbereidheid blijkt uit uitspraken die ouders en kind doen. Vier typen uitspraken geven aan dat ouders en kind bereid zijn te veranderen (Miller & Rollnick, 2002):

  • ze benoemen de nadelen van de huidige situatie (bijvoorbeeld zorgen over de situatie);

  • ze noemen voordelen van verandering;

  • ze tonen optimisme over verandering (zeggen bijvoorbeeld vertrouwen in de eigen veranderingsmogelijkheden te hebben);

  • ze tonen de intentie om te veranderen (zeggen bijvoorbeeld te verlangen om te veranderen).

… Meer

Het ontbreken van veranderingsbereidheid blijkt hieruit:

  • ouders of kind willen geen bemoeienis van hulpverleners (meer);

  • ouders of kind wijzen een noodzakelijk geacht hulpaanbod af;

  • ouders of kind weigeren om te veranderen, bijvoorbeeld door aangeleerde vaardigheden niet in praktijk te brengen.

… Meer

Het feit dat een ouder of kind hulp weigert of afbreekt, wil overigens niet zeggen dat hij niet gemotiveerd is. Er kan ook iets anders achter zitten, zoals ontevredenheid met de geboden hulp of hulpverlener. De reden van de weigering moet daarom altijd achterhaald worden.

Bereidheid om te veranderen is ook geen vaststaand gegeven. Bereidheid tot verandering kan tijdens het hulpverleningsproces in positieve of negatieve zin veranderen. Weerstand tijdens de interventie kan bijvoorbeeld een signaal zijn dat de professional te hard van stapel loopt. Het is ook mogelijk dat ouders of kind wel willen veranderen, maar het idee hebben dat ze het niet kunnen en zich daardoor verzetten tegen een interventievoorstel van de hulpverlener. De professional doet er goed aan dit zorgvuldig uit te vragen. Door specifieke gesprekstechnieken uit de motiverende gespreksvoering en oplossingsgerichte therapie in te zetten kan de professional veranderingsbereidheid stimuleren. Zulke technieken kunnen ouders en kind helpen om zich open te stellen voor de interventie, en wellicht ook om factoren te ontdekken die hen juist belemmeren om te veranderen.

 

Afweging 5. Is uithuisplaatsing nog te voorkomen met een gerichte interventie?

In situaties waarin sprake is van een ernstig verstoorde balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften, moet de jeugdprofessional altijd nagaan of een uithuisplaatsing nog te voorkomen is met intensieve hulp. Een uithuisplaatsing is namelijk een ingrijpend middel om tot verandering van de situatie te komen. Voordat de jeugdprofessional oordeelt over de noodzaak tot uithuisplaatsing, moet zorgvuldig afgewogen zijn of alle mogelijkheden voor hulp en ondersteuning zijn benut. Hulpverleners dienen dus goed op de hoogte te zijn van interventies die uithuisplaatsing kunnen voorkomen (zie hoofdstuk 2).

 

Samen met ouders en kind beslissen

De Jeugdwet (2015) differentieert de wijze waarop kinderen bij de besluitvorming betrokken zijn naar leeftijd. Het IVRK is echter leidend, en dat stelt dat elk kind het recht heeft zijn mening te geven over alle zaken die hem betreffen, waarbij er een passend belang moet worden gehecht aan die mening, afhankelijk van de capaciteiten van het kind (VN-Kinderrechtenverdrag, art. 12). Voor het betrekken van kinderen geldt dus geen minimum leeftijdsgrens, dus elk kind heeft het recht zijn mening te geven en gehoord te worden (Bruning et al., 2021; Steenbakkers et al., 2022). Vanaf de leeftijd van zestien jaar heeft een jongere het recht te kiezen met welke zorg hij instemt.

In de praktijk blijkt dat kinderen beslist niet altijd betrokken worden in de besluitvorming (NJi, 2022), terwijl zij over die besluitvorming vaak heel duidelijke ideeën hebben. Ze vinden dat zij niet goed geïnformeerd worden over de overwegingen die een jeugdprofessional maakt. Gebruik de vijf stappen voor betekenisvolle participatie uit het VN-Kinderrechtenverdrag, art. 12:

  • voldoende toegang tot begrijpelijke informatie;

  • gehoord worden;

  • serieus genomen worden;

  • terugkoppeling krijgen over de beslissing die is genomen;

  • de mogelijkheid krijgen om te klagen over de beslissing.

… Meer

Let ook op de verantwoordelijkheid die een kind kan voelen voor het welzijn van zijn ouders en eventuele broers en zussen in het gezin (parentificatie). Het kan dat een kind zich hierdoor niet vrij durft uit te spreken over eigen wensen. Het is goed om je hier als jeugdprofessional bewust van te zijn en hier rekening mee te houden. Lees meer in de richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp (paragraaf 2.2).

Samen beslissen in gedwongen kader
Als een uithuisplaatsing tot stand komt in het gedwongen kader, kan het ingewikkeld zijn om samen te beslissen. Ouders kunnen slechte ervaringen hebben opgedaan waardoor ze minder vertrouwen hebben in de hulpverlening. Neem daarom de tijd en zet vaardigheden in om vertrouwen op te bouwen. Daarnaast is in het gedwongen kader andere wet- en regelgeving van toepassing dan in het vrijwillige kader. Meer informatie hierover en over methoden die kunnen helpen bij beslissingen in het gedwongen kader, zijn beschreven in de richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp (paragraaf 2.5).

Hier volgen enkele aandachtspunten voor het samen beslissen met kind en ouders.

  • Draag zelf de verantwoordelijkheid voor een beslissing wanneer dit voor ouders en kind te moeilijk blijkt.

  • Geef kind en ouders in ieder geval de gelegenheid hun mening te geven, hun ervaringen en hun afwegingen te delen en neem deze in de besluitvorming mee. Leg vast hoe is omgegaan met de belangen van het kind, en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt.

  • Maak gebruik van motiverende gespreksvoering en oplossingsgerichte gesprekstechnieken om ouders en kind te stimuleren tot gezamenlijke beslissingen te komen. Deze technieken helpen expliciet te maken wat ouders en kind belangrijk vinden, welke problemen zij ervaren en welke oplossingsmogelijkheden zij zien.

  • Leg ouders en kind altijd helder uit wat de conclusies zijn van de gedeelde verklarende analyse omtrent de problemen in de thuissituatie. Stel met ouders en kind heldere doelen op om een uithuisplaatsing te voorkomen dan wel op te heffen.

  • Informeer ouders en kinderen goed over de verschillende hulpmogelijkheden en de mogelijke voor- en nadelen hiervan, zodat zij samen met jou zorgvuldig kunnen afwegen welke hulp het beste aansluit bij hun vraag en behoeften. Zet eventueel ervaringsdeskundigen in. Zij kunnen een mentor zijn voor de ouders: ze kunnen hen informeren over de mogelijkheden voor hulp, en ze kunnen hen steunen in het contact met hulpverleners.

… Meer

Verken samen met ouders en kind welke rol het sociale netwerk kan hebben in het aanpakken van de problemen. Het sociale netwerk kan bijvoorbeeld netwerkpleegzorg of praktische dan wel emotionele steun bieden, voor of tijdens een uithuisplaatsing, of na terugplaatsing. Zet eventueel een familienetwerkberaad of Eigen Kracht-conferentie in. De richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp gaat hier verder op in.

  • Willen of kunnen ouders en/of kind niet meewerken, neem dan vanuit de gedeelde verklarende analyse een onderbouwde beslissing en leg ouders en kind uit waarom die beslissing zo genomen wordt en welk doel ermee wordt beoogd. Leg hieraan voorafgaand helder uit welke veranderingen je in het gezin wilt zien en onder welke condities ouders en kind kunnen meebeslissen. Help ouders in te zien wat hun verantwoordelijkheid is om voldoende veiligheid voor hun kind te creëren. Leg afspraken met ouders en kind samen vast, zowel mondeling als schriftelijk, in voor het gezin toegankelijke taal.

  • Ouders en kinderen met een (licht) verstandelijke beperking hebben recht op eenzelfde behandeling op maat, net als andere ouders en kinderen. Houd daarom rekening met deze cognitieve beperking, zodat ouders en kind beschikken over de informatie die zij nodig hebben om te kunnen participeren in de besluitvorming. Dit vraagt speciale communicatieve vaardigheden. Daarvoor verwijzen we naar het Landelijk Kenniscentrum LVB.

  • Houd rekening met complexe gezinssituaties als gevolg van psychiatrische problematiek bij de ouders en/of verwikkeling in een complexe scheiding. Wanneer in de relatie van ouders de onveiligheid zo groot is dat ook de jeugdprofessional vast dreigt te lopen, vraagt dit om specifieke expertise en een zorgvuldige analyse van de veiligheid in het gezin. Zie ook de richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen.

  • Wanneer er een beslissing is genomen en er sprake is van een onvrijwillige uithuisplaatsing zit er vaak enige tijd tussen het uitspreken van de beslissing door een jeugdbeschermer, de toetsing bij de rechter en de daadwerkelijke uithuisplaatsing. Houd er rekening mee dat in deze periode van grote onzekerheid bij ouders en kinderen, boosheid en verdriet kunnen ontstaan die kunnen leiden tot een verdere verslechtering van de thuissituatie.

… Meer

Advisering door het team

Beoordelen over uithuisplaatsing vraagt professionele expertise. Jeugdprofessionals maken hun eigen afwegingen over de noodzaak van een uithuisplaatsing. Deze overwegingen zijn niet altijd transparant en mogelijk zelfs gekleurd door de voorkeuren van de professional (Bartelink et al., 2019). Daarom is het belangrijk om samen met collega’s met meer kennis en kunde op dit terrein en de gedragswetenschapper te beslissen over uithuisplaatsing (en terugplaatsing) en met elkaar de overwegingen te bespreken. Cruciaal is dat collega’s en een gedragswetenschapper (master of postmaster) de verantwoordelijke jeugdprofessional kritisch bevragen op de gemaakte overwegingen en meedenken over alternatieven en over voor- en nadelen van verschillende opties.

Voldoende collegiaal overleg van hoge kwaliteit en de analytische vaardigheden van de gedragswetenschapper kunnen voorkomen dat hulpverleners met lage beslisdrempels vaker beslissen tot uithuisplaatsing en dat jeugdprofessionals met weinig werkervaring kwalitatief minder goede beslissingen nemen over uithuisplaatsing, gelet op de belangen van een kind (Bartelink, 2018). Ook voorkomt dit dat beslissingen op basis van de persoonlijke voorkeuren van professionals genomen worden (Bartelink, 2018; Harder et al., 2020a).

Als de beslissing is gevallen
Uitgangsvragen
Reageer!