Uithuisplaatsing

De Richtlijn Uithuisplaatsing gaat over jeugdigen die gedwongen of vrijwillig uit huis worden geplaatst. Een kind of jongere kan bijvoorbeeld ernstig worden verwaarloosd of mishandeld. In zulke situaties wordt de kinderrechter ingeschakeld. Die kan besluiten om de jeugdige (een tijdje) ergens anders onder te brengen, ook al zijn de ouders het daar niet mee eens. Het kan ook gebeuren dat ouders instemmen met de uithuisplaatsing. Hun kind heeft bijvoorbeeld ernstige gedrags- of ontwikkelingsproblemen waardoor zij de situatie thuis niet meer aankunnen. Een kind of jongere wordt dan (tijdelijk of langer) elders ondergebracht. Zo’n uithuisplaatsing wordt ‘vrijwilllig’ genoemd.

Besluitvorming

Aanbevelingen

  • Een jeugdige groeit bij voorkeur bij zijn eigen ouders op. Dit is zichtbaar in het besluitvormingsproces over uithuisplaatsing en terugplaatsing:

    • Maak in de beslissing tot uithuisplaatsing eerst een inschatting van de (verstoring van de) balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften. Onderzoek vervolgens in hoeverre het sociale netwerk hulp en ondersteuning kan bieden en welke mogelijkheden er zijn voor professionele hulp. Het doel hiervan is de balans te herstellen.
    • Onderzoek in de beslissing over terugplaatsing dan wel permanente uithuisplaatsing eerst of met ondersteuning vanuit het sociale netwerk dan wel professionele hulp een terugplaatsing mogelijk is.
  • Beslissingen over noodzakelijke hulp en uithuisplaatsing vragen om sterke analytische vaardigheden van de hulpverlener en kun je daarom nooit alleen nemen. Betrek minimaal een gekwalificeerde gedragswetenschapper bij beslissingen over noodzakelijke hulp en uithuisplaatsing. Voor gesloten jeugdhulp is daarnaast altijd een extra instemmingsverklaring van een andere daarvoor gekwalificeerde gedragswetenschapper noodzakelijk. Volg bij de teambesluitvorming (waarbij naast de uitvoerende professional ook de gekwalificeerde gedragswetenschapper is betrokken) een gestructureerd format, teneinde valkuilen in teambesluitvorming (zoals tunnelvisie) te voorkomen.

  • Volg de kernbeslissingen voor uithuisplaatsing en de uitwerking daarvan zoals in de beslisschema’s is weergegeven (zie complete richtlijn, pdf). De kernbeslissingen voor uithuisplaatsing zijn:

    • een jeugdige wel of niet uit huis plaatsen;
    • op welke plek een jeugdige te plaatsen (netwerk- of bestandspleegzorg, gezinshuis of residentiële zorg);
    • een jeugdige wel of niet terugplaatsen.

    Elke kernbeslissing is uitgewerkt in een aantal kernoordelen. De kernoordelen leiden tot de kernbeslissingen. Zie hiervoor de beslisschema’s in de complete richtlijn (pdf).

  • Verzamel informatie over de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige (rekening houdend met zijn fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau), de opvoedingscapaciteiten van de ouders en andere relevante gezins- en omgevingsfactoren (zie paragraaf 2.2.1 in de complete richtlijn, pdf). Analyseer op grond hiervan de situatie in het gezin.

  • Leg conclusies over de kernoordelen, de kernbeslissingen en de onderbouwing daarvan altijd schriftelijk vast, zodat ze op een later tijdstip door betrokkenen (gezin, collega’s en andere hulpverleners, kinderrechter) kunnen worden ingezien en begrijpelijk is waarom bepaalde beslissingen zijn genomen. Geef ouders en jeugdigen ook altijd een mondelinge toelichting op de conclusies en argumenten daarvoor. Ga na of ouders en jeugdige de conclusies hebben begrepen. Houd daarbij rekening met eventuele cognitieve beperkingen van ouders en jeugdige.

    LET OP: De Raad voor de Kinderbescherming toetst de beslissing tot terugplaatsing wanneer een jeugdige met een machtiging uithuisplaatsing uit huis geplaatst is.

  • Neem beslissingen over uithuisplaatsing en terugplaatsing tijdig en zorgvuldig, zodat voor de jeugdige en zijn ouders helder is waar zijn perspectief voor opgroeien ligt.
    Voor alle beslissingen met betrekking tot uithuisplaatsing geldt dat er termijnen gesteld moeten worden. Welke termijnen gehanteerd worden is niet wettelijke vastgelegd, wel dat er een verband moet zijn tussen het belang van het kind en de termijn. De kinderbeschermingswetgeving formuleert het zo: “binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.” De hieronder genoemde termijnen zijn derhalve indicatief.

    Geef ouders en jeugdige een redelijke termijn (bijvoorbeeld een half jaar voor jeugdigen jonger dan 5 jaar en een jaar voor jeugdigen ouder dan 5 jaar) de kans om met intensieve hulp te werken aan de mogelijkheid tot terugplaatsing. Als het binnen deze termijn niet mogelijk is om de omstandigheden voldoende te verbeteren, dan is een permanente uithuisplaatsing noodzakelijk. Voorwaarde is dat ouders en jeugdige gedurende de uithuisplaatsing voldoende professionele hulp hebben ontvangen om terugplaatsing mogelijk te maken. Deze hulp dient gericht te zijn op de ouder-kindinteractie en opvoedingsvaardigheden en mogelijke andere problemen die ouders belemmeren om hun kind goed genoeg op te voeden.

    LET OP: De Raad voor de Kinderbescherming toetst de beslissing tot terugplaatsing wanneer een jeugdige met een machtiging uithuisplaatsing uit huis geplaatst is.

  • Plaats een jeugdige bij voorkeur in een gezinssituatie, dus in een (netwerk-) pleeggezin of een gezinshuis. Wanneer een jeugdige ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen heeft, kan een tijdelijke plaatsing in een residentiële woon- of behandelgroep nodig zijn. (zie beslisschema 2 in de complete richtlijn, pdf: “Waar kan de jeugdige het beste geplaatst worden”)

  • Spreek af welke jeugdprofessional de regie heeft over de hulp die aan het gezin geboden wordt. Belangrijk is dat de regie belegd wordt bij een jeugdprofessional of -organisatie. Het maakt niet uit welke professional of organisatie dat is (beslissende of uitvoerende instantie).

… Meer

Broers en zussen gezamenlijk uit huis plaatsen

Plaats broers en zussen bij voorkeur samen, tenzij er redenen zijn waardoor dit niet kan, zoals:

  • er is geen pleeggezin beschikbaar dat meerdere jeugdigen tegelijk kan opvangen;

  • één of meerdere jeugdigen heeft/hebben specialistische zorg of behandeling nodig;

  • een van de jeugdigen heeft gedragsproblemen, waardoor hij een bedreiging vormt voor het welzijn of de ontwikkeling van zijn broer(s) of zus(sen);

  • broers en zussen hebben veel conflicten;

  • er is (een vermoeden van) seksueel misbruik tussen de jeugdigen onderling.

… Meer

De rol van jeugdige en ouders bij de besluitvorming

  • Beslis zo veel mogelijk samen met ouders en jeugdige (over uithuisplaatsing, terugplaatsing en hulpverlening aan het gezin). Voor jeugdigen geldt daarbij geen leeftijdsgrens. Wel moet aan de mening van de jeugdige een op zijn capaciteiten gebaseerd passend gewicht worden toegekend.

    In sommige situaties blijkt dat ouders en jeugdige het moeilijk vinden om zelf de beslissing te nemen en willen ze dat de hulpverlener hierin de verantwoordelijkheid draagt. Geef jeugdige en ouders in ieder geval de gelegenheid hun mening te geven en neem deze in de besluitvorming mee.

    Maak verder gebruik van motiverende gespreksvoering en oplossingsgerichte gesprekstechnieken om ouders en jeugdige te stimuleren gezamenlijk beslissingen te nemen. Genoemde technieken helpen expliciet te maken wat ouders en jeugdige belangrijk vinden, welke problemen zij ervaren en welke oplossingsmogelijkheden zij zien.

    LET OP: In het geval van een machtiging uithuisplaatsing toetst de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing en kan deze besluiten om de genomen beslissing niet over te nemen.

  • Leg ouders en jeugdige altijd helder uit wat de conclusies zijn van het onderzoek naar de problemen in de thuissituatie. Stel met ouders en jeugdige heldere doelen op, zodat ze begrijpen waar ze aan moeten werken om een uithuisplaatsing te voorkomen dan wel op te heffen.

  • Informeer ouders en jeugdige goed over de verschillende hulpmogelijkheden en hun mogelijke voor- en nadelen, zodat zij samen met jou zorgvuldig kunnen afwegen welke hulp het beste aansluit bij hun vraag en behoeften. Zet eventueel ervaringsdeskundigen in. Zij kunnen een mentor zijn voor de ouders: ze kunnen hen informeren over de mogelijkheden voor hulp, en ze kunnen hen steunen in het contact met hulpverleners.

  • Verken samen met ouders en jeugdige welke rol het sociale netwerk kan hebben in het aanpakken van de problemen. Het sociale netwerk kan bijvoorbeeld netwerkpleegzorg of praktische dan wel emotionele steun bieden, voor of tijdens een uithuisplaatsing, of na terugplaatsing. Zet eventueel een familienetwerkberaad of Eigen Kracht-conferentie in. (De Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming gaat verder in op de vraag hoe je samen met ouders en jeugdige kunt verkennen welke mogelijkheden voor ondersteuning zij in hun netwerk hebben.)

  • Willen of kunnen ouders en/of jeugdige niet meewerken, neem dan een beslissing over het gezin, in plaats van samen met het gezin. Leg hieraan voorafgaand helder uit welke veranderingen je in het gezin wilt zien en onder welke condities ouders en jeugdige kunnen meebeslissen. Wijs hen bijvoorbeeld op hun verantwoordelijkheid om voldoende veiligheid voor hun kind te garanderen. Leg afspraken met ouders en jeugdige samen vast, zowel mondeling als schriftelijk in voor het gezin toegankelijke taal.

  • Ouders en jeugdigen met een (lichte) verstandelijke beperking hebben recht op eenzelfde behandeling als andere ouders en jeugdigen. Houd daarom rekening met deze (lichte) verstandelijke beperking, zodat de ouders en jeugdige beschikken over de informatie die zij nodig hebben om te kunnen participeren in de besluitvorming. Dit vraagt speciale communicatieve vaardigheden. Daarvoor verwijzen we naar de richtlijnen van het Landelijk Kenniscentrum LVG.

… Meer

Overige overwegingen
Reageer!