Stemmingsproblemen voor jeugdhulp en jeugdbescherming

Signaleren en vaststellen van stemmingsproblemen

Wat zijn signalen van stemmingsproblemen?

De symptomen van stemmingsproblemen verschillen per leeftijdsfase: hoe jonger een jeugdige is, hoe fysieker de symptomen.

Bij een baby/dreumes zijn de signalen bijvoorbeeld: ontroostbaar huilen, slaap- en eetstoornissen, apathie, zich terugtrekken.

Op peuter- en kleuterleeftijd zijn de signalen: een droeve gelaatsuitdrukking en lichaamshouding, geen plezier hebben, niet speels zijn, geen symbolisch spel spelen, scheidingsangst laten zien, een lichamelijke en emotionele groeiachterstand hebben, onrealistische ‘magische’ schuldgevoelens hebben.

In de basisschoolleeftijd zijn de signalen: een droeve stemming, geen plezier hebben, schuldgevoelens hebben, het idee hebben slecht te zijn, lusteloosheid, problemen met eigenwaarde hebben, suïcidale gedachten hebben, negatieve gedachten over de toekomst hebben, erg bezig zijn met ziekte en dood, minder actief zijn dan voorheen.

Bij adolescenten zijn de signalen: een droeve stemming, geen plezier hebben, schuldgevoelens hebben, het idee hebben slecht te zijn, lusteloosheid, problemen hebben met eigenwaarde, suïcidale plannen of daden, minder actief zijn dan voorheen, minder motivatie hebben om iets te presteren, ontevreden zijn over lichaam, seksualiteit en relaties.

Het is gecompliceerd om stemmingsproblemen bij jeugdigen te signaleren doordat sommige kenmerken ervan horen bij het opgroeien. Zo komen bij jongeren sombere gevoelens, angst, verlegenheid, geremdheid, eenzaamheid en een laag zelfvertrouwen veelvuldig voor zonder dat dit zorgelijk hoeft te zijn. Dergelijke emoties gaan vaak vanzelf over als jongeren ouder worden. Daarnaast is het signaleren van stemmingsproblemen bij jeugdigen lastig omdat de symptomen makkelijk gemist worden. De symptomen springen namelijk minder in het oog dan bijvoorbeeld uitingen van gedragsproblemen. Ook kunnen de problemen gemaskeerd worden door bijvoorbeeld gedragsproblemen of bijkomende problematiek.

Een jeugdprofessional dient competent en deskundig te zijn in het signaleren van stemmingsproblemen, waarbij observerend vermogen, gespreksvaardigheden en kennis van gedrags- en ontwikkelingsproblemen van belang is. Om signalen van stemmingsproblemen goed op te pikken, is volgens Postma en Schulte (2008) het gebruik van een screeningsinstrument gewenst, naast de klinische blik. Scholing van jeugdprofessionals in het gebruik van screeningsinstrumenten is dan ook gewenst.

Waaruit moet onderzoek minimaal bestaan?
Inleiding
Reageer!