Stemmingsproblemen voor jeugdhulp en jeugdbescherming

Signaleren en vaststellen van stemmingsproblemen

Waaruit moet onderzoek minimaal bestaan?

Screening

Vermoed je een stemmingsprobleem, dan is het wenselijk een screeningsinstrument in te zetten. Het vaststellen van stemmingsproblemen of een stemmingsstoornis is namelijk vaak lastig doordat jeugdigen niet geneigd zijn om te praten over symptomen, terwijl ze wel de belangrijkste informatiebron vormen.

Voor de screening wordt aanbevolen om gebruik te maken van gevalideerde instrumenten zoals de Child Behavior Checklist (CBCL), Teacher Report Form (TRF) en Youth Self Report (YRS) of de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ). De scores op deze instrumenten bieden inzicht in de emotionele en gedragsproblemen van de jeugdige. Bij screening op depressie dienen ook altijd een of meer items over suïcide meegenomen te worden. De CBCL/YSR/TRF, S-PSY (dit is de SDQ met toegevoegde items onder andere op het gebied van zelfdestructief gedrag zoals automutilatie en suïcidaal gedrag) en Child Depression Inventory (CDI) geven deze mogelijkheid.

Screening op stemmingsproblemen en het beoordelen van de uitkomst van een screeningsinstrument kan in principe gedaan worden door alle jeugdprofessionals met minimaal HBO-niveau. De beslissing over wat er gedaan dient te worden op basis van de uitkomst dient te worden genomen door een daartoe gekwalificeerde jeugdprofessional.

Vaststellen van de aard van de problematiek

Om de aard van de stemmingsproblemen of een stemmingsstoornis vast te stellen is het volgens het Addendum Depressie bij Jeugd van belang om te vragen

  • of er specifieke perioden zijn waarin een depressie optreedt (in verband met seizoensgebonden depressie);

  • of er sprake is van een sombere stemming en van verlies van interesse of plezier (anhedonie) gedurende de laatste weken (kernsymptomen);

  • of depressie of neerslachtigheid in de familie voorkomt;

  • of er bij de ouder(s) sprake is van andere psychopathologie dan depressie, zoals angststoornissen of verslavingsproblematiek.

… Meer

Zodra duidelijk is dat een jeugdige symptomen van stemmingsproblemen vertoont, dient de jeugdprofessional ervoor te zorgen dat de aard en de ernst van de problematiek nader wordt ondergezocht. Diagnostisch onderzoek dient te worden uitgevoerd door een daartoe gekwalificeerde jeugdprofessional.

Gaat het om een jeugdige van acht jaar of ouder, dan is het belangrijk om hem zelf te vragen naar zijn problemen en symptomen. Daarnaast dienen de ouders te worden bevraagd. Vervolgens is het raadzaam om beide resultaten te combineren. Als alleen ouders worden bevraagd, is de kans groot dat een stemmingsprobleem wordt gemist. Wordt alleen de jeugdige bevraagd, dan worden de stemmingsproblemen vaker overschat. Jeugdigen vanaf acht jaar kunnen zelf een vragenlijst over hun stemmingsproblemen invullen. Ook kan bij hen een diagnostisch interview worden afgenomen. Bij jongere kinderen dienen andere technieken te worden toegepast, zoals spelobservaties.

Stemmingsproblemen en stemmingsstoornissen dienen te worden onderscheiden van gecompliceerde rouw, aangezien deze aandoening een andere ernstinschatting en behandelaanpak vraagt. Van gecompliceerde rouw is sprake wanneer de jeugdige zes maanden na het verlies van een dierbare aanhoudend gericht is op de overledene (verlangen naar en missen van), moeite heeft om zijn/haar dood te accepteren, verregaande bittere en boze gevoelens heeft in relatie tot dit verlies, gevoelloosheid ervaart, moeite heeft om verder te gaan met het leven en het gevoel heeft dat het eigen leven leeg en onbevredigend is. De Inventory for Prolonged Grief for Children (IPG-C) en de Inventory for prolonged Grief for Adolescents (IPG-A) zijn betrouwbare en valide instrumenten om dit te meten.

Vaststellen van de ernst van de problematiek

Voor een inschatting en diagnostiek van de ernst van een stemmingsprobleem of stemmingsstoornis kan gebruikgemaakt worden van de CDI (Child Depression Inventory; zelfrapportage). Dit instrument kan worden ingezet door een daartoe gekwalificeerde jeugdprofessional.

Indien er sprake is van een stemmingsprobleem is het belangrijk de ernst ervan te onderscheiden. Dit vereist een uitgebreide beoordeling van de volgende factoren:

  • het algemeen sociaal en maatschappelijk functioneren, plus de beperkingen daarin;

  • de hoeveelheid symptomen:

    • 2-4 symptomen (duidt op subklinische depressie);
    • 5 symptomen (duidt op lichte depressie);
    • 6-7 symptomen (duidt op matige depressie);
    • 8-9 symptomen (duidt op ernstige depressie);
  • de aard van de symptomen (geldt in het bijzonder voor psychotische kenmerken en suïcidaliteit);

  • het beloop (de duur van de depressieve episode, al dan niet optreden van stagnatie in het herstel of een recidive);

  • comorbiditeit.

… Meer

Samenvattend: stemmingsproblemen kunnen ernstiger worden en overgaan in een stemmingsstoornis naarmate de problematiek met meer en ernstiger symptomen gepaard gaat, langer duurt, depressieve episoden vaker recidiveren, het algemeen functioneren ernstiger aantast (op meerdere domeinen, zoals school, thuis, in hobby’s), en naarmate de jeugdige tussen de episoden door minder goed herstelt. Het betreft een klinische afweging. De ernstbepaling dient herhaaldelijk plaats te vinden om verergering van de problematiek tijdig vast te kunnen stellen.

Vanuit de jeugdhulp en jeugdbescherming is het van belang te letten op de volgende vier zaken (zie ook werkkaart 3, pdf).

  • Abnormaliteit van het gedrag. Dit gaat dus over de mate waarin het gedrag van de jeugdige afwijkt van wat als normaal wordt beschouwd. Het gaat dan over gedrag dat

    • niet past bij de leeftijd van de jeugdige;
    • niet past bij de sekse van de jeugdige;
    • langer duurt dan 2 weken;
    • is uitgebreid over meerdere situaties van functioneren;
    • specifieke symptomatologie betreft;
    • frequent optreedt;
    • een verandering van gedrag betreft;
    • niet past bij de sociaal-culturele context van de jeugdige;
    • niet past bij de levensomstandigheden van de jeugdige.
  • Risico- en beschermende factoren in de jeugdige, het gezin, de opvoeding en de wijdere omgeving. Risicofactoren zijn bijvoorbeeld:

    • de biologische kwetsbaarheid van de jeugdige;
    • pathogene gezinsrelaties;
    • een incompetent opvoedingsklimaat;
    • nadelige factoren in de wijdere omgeving (bijv. wonen in een achterstandsbuurt).

     

    Beschermende factoren kunnen zich op meerdere terreinen manifesteren, bijvoorbeeld:

    • de jeugdige: grote sociale en probleemoplossende vaardigheden, gevoel voor humor, hoge intelligentie;
    • het gezin: een goede relatie tussen jeugdige en ouder(s), opvoedend handelen dat wordt gekenmerkt door warmte, disciplinering, responsiviteit en sensitiviteit;
    • de wijdere omgeving: een steunend netwerk, positieve schoolervaringen, goede relaties met leeftijdgenoten en leerkrachten;
    • sociaal-maatschappelijk gebied: goede voorzieningen, prettige woonomgeving, werkgelegenheid.
  • Gevolgen van het probleemgedrag. Deze gevolgen betreffen:

    • de lijdensdruk bij de jeugdige;
    • de sociale belemmering voor de jeugdige;
    • de ontwikkeling van de jeugdige;
    • de gevolgen voor anderen;
    • de gevolgen voor behandeling.
  • Kwaliteit van leven. Dit wordt deels bepaald door objectieve indicatoren, deels door een subjectieve waardering van lichamelijk, materieel, sociaal en emotioneel welbevinden, deels door de ervaren competentie. Dit alles wordt gewogen aan de hand van de waarden die de persoon in kwestie erop nahoudt.

… Meer

Het Addendum Depressie bij Jeugd hanteert het een schema voor de inschatting van de ernst van een stemmingsstoornis. Zie hiervoor de downloadbare versie  (pdf) van deze richtlijn, hoofdstuk 3.2.3, tabel 2. Als er 2 tot 4 symptomen aanwezig zijn, zonder psychotische of suïcidale kenmerken, spreken we van stemmingsproblemen.

Signaleren van bipolaire problematiek

Bipolaire stoornissen komen niet frequent voor onder jeugdigen, maar omdat de impact van een bipolaire stoornis op het leven van een jeugdige zo substantieel is, schenken we in deze richtlijn specifiek aandacht aan het (vroegtijdig) herkennen van deze problematiek. Kinderen en jongeren die mogelijk een bipolaire stoornis hebben, moeten worden doorverwezen naar de jeugd-ggz.

Symptomen bij jeugdigen verschillen van die bij volwassenen. De jeugdprofessional moet letten op: 

  • snelle schommelingen in stemming en gedrag, vaak geassocieerd met comorbide ADHD en gedragsstoornissen;

  • zeer snelle, korte, terugkerende manische episodes die enkele uren tot een paar dagen duren. Manische episodes zijn zeer sterke schommelingen in gedrag en gevoel;

  • veranderingen in stemming, energieniveau en gedrag. Prikkelbaarheid, strijdlust en gemengde manisch-depressieve kenmerken komen vaker voor dan euforie;

  • psychotische symptomen, sterk labiele stemmingen en/of gemengde manische en depressieve kenmerken;

  • chronisch manisch gedrag.

… Meer

Wanneer jeugd-ggz?
Wat zijn signalen van stemmingsproblemen?
Reageer!