Ernstige gedragsproblemen

In het onderwijs

Het vaststellen van ernstige gedragsproblemen start met screening. Geschikte screeningsinstrumenten zijn de CBCL, de SDQ en de SEV. Na een eerste vaststelling van ernstige gedragsproblemen, is nader diagnostisch onderzoek op zijn plaats.

Zet bij kinderen tot twaalf jaar een oudertraining in. Levert deze onvoldoende op, bied kinderen van acht tot twaalf jaar dan óók cognitieve gedragstherapie aan. Zet bij jongeren vanaf twaalf jaar cognitieve gedragstherapie en een multisysteeminterventie in.

Creëer een voorspelbare en stimulerende omgeving zodat gewenst gedrag bevorderd wordt. Bekrachtig gewenst gedrag, leer de jeugdige nieuwe vaardigheden aan, negeer ongewenst gedrag en geef zo nodig een milde straf.

Help de jeugdige vaardiger te worden in het oplossen van problemen, zelfmanagement, het waarnemen van situaties en het trekken van juiste conclusies over oorzaak en gevolg. Laat het achterhalen en uitdagen van storende gedachten over aan hiertoe opgeleide cognitief gedragstherapeuten.

Neem in samenspraak met ouders en jeugdige altijd contact op met school. Stel vervolgens samen met ouders, school en jeugdige één plan op waarin staat hoe de gedragsproblemen zullen worden aangepakt en de jeugdige op school kan blijven.

Interventies ter bevordering van de schoolgang

Een brede aanpak – gericht op school, ouder én jeugdige – heeft meer effect dan interventies die zich uitsluitend richten op ouders of jeugdigen. Daarnaast zijn preventieve interventies, gericht op jeugdigen die zich nog in het onderwijs bevinden, succesvoller dan curatieve programma’s gericht op jeugdigen die zijn uitgevallen.

Een brede aanpak – gericht op school, ouder én jeugdige – heeft meer effect dan interventies die zich uitsluitend richten op ouders of jeugdigen.

Junger-Tas, 2002; Goei & Kleijnen, 2009

Omdat de jeugdzorgwerker kennis moet hebben van verschillende zorgvormen die bijdragen aan blijvende schoolgang bij jeugdigen met ernstige gedragsproblemen, komen hier achtereenvolgens aan de orde: zorg en hulpverlening in en om de school, zorgstructuur in en om de school, ouderbetrokkenheid en zorg voor ouders en gezin, en zorg en hulpverlening aan jeugdigen.

Zorg en hulpverlening in en om de school

Er zijn aanwijzingen dat schoolbrede en gelaagde programma’s gedragsproblemen op school kunnen verminderen. ‘Schoolbreed’ betekent dat de interventies worden uitgerold over de hele school (dus niet alleen in de klas, maar ook op de speelplaats, in de kantine en in de buurt) en worden uitgevoerd door iedereen die bij de leerling betrokken is. ‘Gelaagd’ betekent dat er interventies zijn gericht op alle leerlingen (de eerste laag), op risicoleerlingen (de tweede laag) en op leerlingen met hoog risicogedrag ofwel problemen (de derde laag).

Schoolwide Positive Behavior Support (SWPBS) is een voorbeeld van een schoolbreed programma dat geïntroduceerd is op een aantal scholen in Nederland. De aanpak omvat interventies voor alle leerlingen en specifieke interventies voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben (de tweede en derde laag). Bij de aanpak van SWPBS is standaard een jeugdzorgwerker betrokken die lid is van het gedragsteam of zorg- en adviesteam (ZAT) op school. Daarnaast is in Nederland een aantal interventies beschikbaar gericht op een van de afzonderlijke lagen.

In interventies die zich richten op alle leerlingen (de eerste laag) wordt jeugdigen duidelijk gemaakt welk gedrag wordt verwacht, wordt goed gedrag beloond en wordt uitgelegd welke consequenties afwijkend gedrag heeft. Voorbeelden van dit soort interventies die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn:

… Meer

Taakspel is erkend als ‘bewezen effectief’, PAD is erkend als ‘waarschijnlijk effectief’.

Interventies van de tweede laag richten zich op risicoleerlingen. Dat is ongeveer 15 procent van de leerlingen. Voorbeelden van dit soort interventies die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn:

… Meer

Alles Kidzzz is erkend als ‘waarschijnlijk effectief’. STOP 4-7 en SPRINT zijn erkend als ‘theoretisch goed onderbouwd’.

Interventies van de derde laag zijn bedoeld voor leerlingen die meer zorg nodig hebben. Op basis van een individueel pedagogisch handelingsplan worden interventies ingezet. Dat gebeurt vaak in samenwerking met jeugdhulp.

Leraren spelen een belangrijke rol in de aanpak van gedragsproblemen op school. Tegelijkertijd zijn er duidelijke aanwijzingen dat leraren niet goed weten hoe ze moeten omgaan met zorgleerlingen die gedragsproblemen hebben. Daarom is professionele ondersteuning voor leraren nodig. De jeugdzorgwerker zal deze leraren niet alleen uitleg, maar ook uitvoerig en concreet advies moeten geven. Het is belangrijk dat de jeugdzorgwerker bereikbaar en snel beschikbaar is om samen met ouders en school problemen op te lossen. Dit vraagt van leraren dat zij samenwerken met ouders en anderen rondom de leerling. De samenwerking is intensiever naarmate de onderwijszorgbehoefte van leerlingen toeneemt.

Zorgstructuur in en om de school

Voor de zorg aan jeugdigen met gedragsproblemen bestaan binnen het Nederlandse onderwijsveld verschillende voorzieningen en zorgstructuren.

Zorgadviesteams

In een zorg- en adviesteam (ZAT) werken scholen samen met professionals uit onder meer jeugdhulporganisaties. Het ZAT zorgt voor een goede aansluiting met het (school)maatschappelijk werk, gedragsdeskundigen, de jeugdgezondheidszorg, Bureau Jeugdzorg, de leerplichtambtenaar en de politie. Dat maakt de hulpverlening snel, effectief, efficiënt en goed afgestemd.

Speciaal onderwijs

Wanneer is vastgesteld dat een jeugdige extra zorg nodig heeft, dan kan hij worden geplaatst op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Er kan ook extra begeleiding worden gerealiseerd binnen het reguliere onderwijs. Als een jeugdige op een reguliere school blijft, wordt hij individueel begeleid door een ambulant begeleider. Deze stelt hiervoor een begeleidingsplan op. Daarnaast geeft de begeleider voorlichting, advies en ondersteuning aan de leraren en begeleiders op de school.

Plusvoorzieningen

Plusvoorzieningen zijn een uitbreiding van het aanbod op bestaande scholen voor voortgezet en middelbaar (beroeps)onderwijs. Ze richten zich op ‘overbelaste’ jongeren van 12 tot 23 jaar, waaronder jongeren met ernstige gedragsproblemen. Plusvoorzieningen bieden een samenhangende aanpak van onderwijs, zorg, arbeid en andere vormen van gerichte ondersteuning. Ze kenmerken zich onder andere door kleine onderwijsgroepen en snelle beschikbaarheid van bijvoorbeeld schuldhulpverlening of verslavingszorg.

Reboundvoorzieningen

Een reboundvoorziening biedt tijdelijke opvang aan leerlingen met gedragsproblemen voor wie de zorg die de eigen school kan bieden niet langer toereikend is. De leerling volgt een programma waarin onderwijs en gedragsbeïnvloeding centraal staan, met het doel zo snel mogelijk terug te keren in het reguliere onderwijs.

Onderwijsconsulent

Onderwijsconsulenten bemiddelen en adviseren bij individuele problemen rond de toelating van geïndiceerde leerlingen (zorgleerlingen) op basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. Voor de aanpak van structurele problemen bij onderwijs aan zorgleerlingen zijn ‘onderwijsconsulenten+’ in het leven geroepen. Deze hebben de taak duurzame, passende en constructieve onderwijsvoorzieningen voor groepen zorgleerlingen te creëren.

Ouderbetrokkenheid en zorg voor ouders en gezin

Zoals genoemd heeft een brede aanpak waarbij zowel de school als de ouder en de jeugdige worden betrokken, grote voordelen. Zo’n aanpak is effectiever dan interventies die uitsluitend gericht zijn op ouders of jeugdigen. Uit verschillende bronnen blijkt het belang van samenwerking tussen school en ouders om te bevorderen dat de jeugdige naar school (blijft) gaan. Dit geldt voor kinderen van alle leeftijden. De jeugdzorgwerker heeft de belangrijke taak ouders actief te ondersteunen bij het totstandbrengen en onderhouden van contact met school. Multisysteemtherapie (MST) is een voorbeeld van een interventie voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen. Hierin wordt expliciet aandacht besteed aan de mogelijkheden van de jeugdzorgwerker om de betrokkenheid van ouders bij school te vergroten en de samenwerking tussen ouders en school te verbeteren. De volgende strategieën worden uitgewerkt in MST:

  • ouders betrekken bij het analyseren, ontwikkelen en uitvoeren van interventies op school;

  • ouders betrekken bij het ontwikkelen en uitvoeren van interventies bij het gezin thuis. Deze interventies zijn nodig om de schoolinterventies kracht bij te zetten;

  • een effectieve samenwerking bevorderen tussen de docenten en de ouders om het gedrag en de schoolprestaties van de jongere te verbeteren.

… Meer

Zorg en hulpverlening aan jeugdigen

Naast interventies op school en voor de ouders, kunnen ook individuele interventies voor de jeugdige worden ingezet.

Cognitieve gedragstherapie

Van de interventies die op de leerlingen zelf zijn gericht, zijn interventies die gebruikmaken van technieken uit de cognitieve gedragstherapie aan te raden. Dit type interventie is effectief in de aanpak van gedragsproblemen, waaronder het verminderen van (sommige vormen van) schoolverzuim.

Mentorinterventies

Op basis van Amerikaans effectonderzoek valt te concluderen dat ook met tutor- en mentorinterventies, mits goed gestructureerd en voortdurend begeleid, positieve effecten te bereiken zijn. Mentoring is een activiteit waarbij een meer ervaren persoon (een leraar of medeleerling) een minder ervaren persoon (leerling) begeleidt door het uitwisselen van praktische ervaringen en het geven van regelmatige feedback.

Service-learning

Bij ‘service-learning‘ ontwikkelt een jeugdige vaardigheden terwijl hij zich inzet voor de (lokale) gemeenschap. Denk aan schoonmaakacties in de buurt, hulp aan kinderdagverblijven of in verzorgingshuizen en het adopteren van een monument. Service-learning bevordert persoonlijke en sociale groei, carrièreontwikkeling en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het heeft bovendien een positief effect op de aanwezigheid van leerlingen op school en hun schoolprestaties.

Interventies met positieve beloningen

Juist die interventies waarin jongeren worden aangesproken op hun eigenbelang zijn succesvol. Deze projecten bieden allerlei positieve beloningen, zoals financiële beloningen of extra praktijkscholing en training. Zulke positieve beloningen stimuleren leerlingen om vaak op school aanwezig te zijn en hun opleiding af te maken.

Justitiële interventies gericht op schoolverzuim, zoals een HALT-afdoening, ROOS en Basta, blijken onvoldoende te helpen om het spijbelen van leerlingen tegen te gaan.

Wil je hier op reageren of heb je vragen? Neem dan contact met ons op.

Inzet jeugdzorgwerker ter bevordering van de schoolgang
Inleiding
Reageer!