Ernstige gedragsproblemen

Inleiding

Het vaststellen van ernstige gedragsproblemen start met screening. Geschikte screeningsinstrumenten zijn de CBCL, de SDQ en de SEV. Na een eerste vaststelling van ernstige gedragsproblemen, is nader diagnostisch onderzoek op zijn plaats.

Zet bij kinderen tot twaalf jaar een oudertraining in. Levert deze onvoldoende op, bied kinderen van acht tot twaalf jaar dan óók cognitieve gedragstherapie aan. Zet bij jongeren vanaf twaalf jaar cognitieve gedragstherapie en een multisysteeminterventie in.

Creëer een voorspelbare en stimulerende omgeving zodat gewenst gedrag bevorderd wordt. Bekrachtig gewenst gedrag, leer de jeugdige nieuwe vaardigheden aan, negeer ongewenst gedrag en geef zo nodig een milde straf.

Help de jeugdige vaardiger te worden in het oplossen van problemen, zelfmanagement, het waarnemen van situaties en het trekken van juiste conclusies over oorzaak en gevolg. Laat het achterhalen en uitdagen van storende gedachten over aan hiertoe opgeleide cognitief gedragstherapeuten.

Neem in samenspraak met ouders en jeugdige altijd contact op met school. Stel vervolgens samen met ouders, school en jeugdige één plan op waarin staat hoe de gedragsproblemen zullen worden aangepakt en de jeugdige op school kan blijven.

De Richtlijn Ernstige gedragsproblemen biedt handvatten voor de diagnostiek en behandeling van ernstige gedragsproblemen van jeugdigen van drie tot achttien jaar, binnen de context van het gezin en de school. Het betreft ernstig dwars, opstandig, prikkelbaar, driftig en/of antisociaal gedrag. Een uniforme richtlijn voor diagnostiek en behandeling van ernstige gedragsproblemen is om meerdere redenen van belang. Als een jeugdige ernstige gedragsproblemen heeft, dan heeft dit een negatieve invloed op zijn kwaliteit van leven. Het verstoort zijn relatie met ouders, broers en zussen, het verstoort zijn functioneren op school en zijn opleidingsmogelijkheden, en het bemoeilijkt het aangaan van contacten met adequaat functionerende leeftijdgenoten. De gedragsproblemen van de jeugdige leiden vaak tot handelingsverlegenheid bij ouders, beroepsopvoeders (professionals betrokken bij de opvoeding van jeugdigen) en hulpverleners. Het is lastig om consequent de juiste opvoedingsvaardigheden toe te passen. Wanneer jeugdigen met ernstige gedragsproblemen delinquent gedrag vertonen, is ook de schade voor slachtoffers, hun omgeving en de samenleving aanzienlijk. Vanwege de ernstige gevolgen van de problematiek – voor de jeugdige zelf, diens omgeving en de maatschappij – is het van groot belang tijdig in te grijpen. Zo kan worden voorkomen dat gedragsproblemen zich verder ontwikkelen tot gedragsstoornissen.

Doel van de richtlijn

De richtlijn helpt professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming effectief invulling te geven aan de diagnostiek en behandeling van jeugdigen met ernstige gedragsproblemen. Ook is het de bedoeling dat de richtlijn deze professionals helpt om ouders en beroepsopvoeders in de opvoedingscontext (gezin en school) te ondersteunen bij de opvoeding en begeleiding van deze jeugdigen. Het volgen van de richtlijn betekent niet altijd dat de gedragsproblemen volledig verdwijnen. De aanbevelingen die in de richtlijn worden gedaan leiden er wel toe dat de gedragsproblemen verminderen en beter hanteerbaar worden. Voor de jeugdigen zelf én voor hun opvoeders.

Deze richtlijn sluit aan bij richtlijnen die eerder zijn opgesteld in de jeugdsector. De preventie van ernstige gedragsproblemen krijgt vorm in de Richtlijn Opvoedondersteuning (Prinsen, L’Hoir, de Ruiter, Oudhof, Kamphuis, de Wolff & Alpay, 2012) en de Richtlijn Vroegsignalering van psychosociale problemen (Postma, 2008). Deze beide richtlijnen zijn ontwikkeld voor de jeugdgezondheidszorg. Wanneer de gedragsproblemen complex zijn, er sprake is van comorbiditeit en de aanbevelingen in de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen onvoldoende effect sorteren, kan de Richtlijn Oppositioneel-opstandige stoornis en gedragsstoornis (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2013), opgesteld voor de GGZ, uitkomst bieden.

Doelgroep van de richtlijn

De richtlijn, en de onderbouwing ervan, is primair bedoeld voor de jeugdprofessionals. Zij moeten ermee kunnen werken. Daarnaast is een aparte versie met informatie voor ouders van de richtlijn gemaakt. Deze is primair bedoeld voor de cliënten: de jeugdigen en hun ouders.

Gedragsproblemen kunnen verschillende vormen aannemen: oppositioneel gedrag, boos en driftig gedrag, agressief gedrag en antisociaal gedrag. Bij oppositioneel gedrag verzetten jeugdigen zich tegen de leiding van volwassenen. Ze kunnen geprikkeld, boos, woedend of driftig reageren als ouders of leerkrachten ze iets verbieden of ze een standje geven, als iets niet lukt of als ze gepest worden. Van agressief gedrag is sprake als jeugdigen iets of iemand schade toebrengen. Antisociaal gedrag ten slotte is gedrag waarbij de jeugdige normen en rechten overtreedt. Bij liegen is dat de norm om de waarheid te spreken, bij stelen het recht op eigen bezit. Er is ook sprake van antisociaal gedrag wanneer de jeugdige regels overtreedt, zoals bij spijbelen. Hoewel druk en impulsief gedrag kenmerkend zijn voor ADHD en niet voor ernstige gedragsproblemen, komt ook dergelijk gedrag vaak voor bij deze groep.

Het is normaal als een kind of jongere zo nu en dan lastig gedrag vertoont. Zulk gedrag vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de jeugdige en is meestal geen zware belasting voor de omgeving. Van ernstige gedragsproblemen is sprake als meerdere gedragsproblemen gedurende langere tijd tegelijk voorkomen, of als één gedragsprobleem in ernstige mate voorkomt en bovendien negatieve gevolgen heeft voor de jeugdige en zijn omgeving. Van een gedragsstoornis is sprake als de ernstige gedragsproblemen voldoen aan de criteria van de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Oppositional Defiant Disorder; ODD) of de gedragsstoornis (Conduct Disorder; CD) zoals die in de DSM-IV-TR worden gedefinieerd.

Deze richtlijn gaat over jeugdigen met ernstige gedragsproblemen zonder de diagnose ODD of CD, maar ook over jeugdigen mét deze diagnose. De jeugdzorg richt zich immers op de aanpak van ernstige gedragsproblemen die beide groepen vertonen.

Werkwijze

De Richtlijn Ernstige gedragsproblemen is ontwikkeld door de Werkgroep Ernstige gedragsproblemen (zie hier voor de samenstelling van de werkgroep of onder het tabblad Downloads). Deze werkgroep heeft vijf uitgangsvragen geselecteerd waar deze richtlijn een antwoord op geeft:

  • Waaraan kun je ernstige gedragsproblemen en zich ontwikkelende gedragsstoornissen herkennen? Hoe ziet het diagnostisch proces eruit wanneer jeugdigen worden aangemeld met een vermoeden van gedragsproblemen? Welk type diagnostische instrumenten moet bij welke leeftijdsgroep worden ingezet?
    (zie hoofdstuk Signalering en diagnostiek)

  • Welk type interventie is het meest effectief voor welke leeftijdsgroep? Welke interventies zijn in welke behandelsetting het meest geëigend? Welke interventies kunnen een negatief effect hebben op gedrag?
    (zie hoofdstuk Interventies)

  • Welke specifieke opvoedingstechnieken van beroepsopvoeders die jeugdigen in groepsverband behandelen (dagbehandeling en residentieel) dragen bij aan de vermindering van gedragsproblemen?
    (zie hoofdstuk Opvoedingstechnieken)

  • Hoe kunnen jeugdzorgwerkers cognitief-gedragstherapeutische principes toepassen in de dagelijkse praktijk?
    (zie hoofdstuk Therapeutische principes)

  • Hoe kunnen jeugdzorgwerkers bevorderen dat jeugdigen met gedragsproblemen naar school (blijven) gaan?
    (zie hoofdstuk In het onderwijs)

… Meer

De beantwoording van deze uitgangsvragen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Voor het literatuuronderzoek vormt de kenniscollectie van het Nederlands Jeugdinstituut de basis. Bij de ontwikkeling van de richtlijn is gebruik gemaakt van de dossiers

‘Gedragsproblemen’ en ‘Gedragsstoornissen’ en de volgende stukken:

  • Wat werkt bij jeugdigen met gedragsproblemen? (de Baat, 2011)

  • Wat werkt bij jeugdigen met gedragsstoornissen? (Boendermaker & Ince, 2010)

  • Wat werkt bij oudertrainingen? (Foolen, 2011)

  • Wat werkt bij cognitieve gedragstherapie? (Foolen & Ellink, 2010)

  • Wat werkt bij het voorkomen en verminderen van schoolverzuim? (de Baat 2009; 2010)

  • Wat werkt bij het voorkomen van voortijdig schoolverlaten? (Holter, 2008; Holter & Bruinsma, 2010)

  • Residentiële jeugdzorg, wat werkt? (Boendermaker, van Rooijen & Berg, 2010)

  • Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? (Zoon, 2012)

… Meer

De werkgroep heeft in vijf rondes feedback gegeven op de literatuurselectie en de ontwikkeling van de teksten, conclusies en aanbevelingen. De tekst van de richtlijn is in drie commentaarrondes (twee bijeenkomsten en één mailronde) voorgelegd aan de Klankbordgroep Jeugdhulp. Hierin zitten vertegenwoordigers van jeugdhulpinstellingen en vertegenwoordigers van drie typen interventies: oudertrainingen (tot twaalf jaar), gezins- en systeeminterventies (vanaf twaalf jaar) en cognitief-gedragstherapeutische interventies. Deze klankbordgroep droeg praktijkkennis aan in aanvulling op de literatuur, of, daar waar evidence ontbrak, ter vervanging daarvan. Er was ook een Klankbordgroep Onderwijs, oftewel een klankbordgroep van schoolpsychologen. De richtlijn beantwoordt namelijk onder andere de vraag hoe jeugdprofessionals kunnen bevorderen dat jeugdigen naar school blijven gaan. De tekst die betrekking heeft op deze vraag is aan deze klankbordgroep voorgelegd. Zie het tabblad Downloads voor de samenstelling van werkgroep, projectteam en beide klankbordgroepen.

Cliënten zijn gedurende het hele proces bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken geweest. Zo hebben ze hun voorkeuren aangegeven bij het bepalen van de uitgangsvragen. Daarnaast hebben ze tijdens de proefimplementatie hun ervaringen met het werken vanuit de richtlijn kenbaar gemaakt. Aan de werkgroep was bovendien een vertegenwoordiger van Balans verbonden.

Verder is er een werkgroep van ervaringsdeskundigen (de zogenaamde ‘cliëntentafel’) geformeerd. De cliënten zijn door het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) benaderd. De cliëntentafel is tijdens de ontwikkeling van de richtlijn geraadpleegd als er vragen waren. Door mee te denken over inhoud en formulering hebben de cliënten een grote bijdrage geleverd aan de praktische bruikbaarheid van de richtlijn. Dit geldt met name voor aspecten als de ongelijkheid tussen hulpverlener en cliënt, de ouder- en opvoedingsrelatie en zorgen om de jeugdige. De cliëntentafel heeft geadviseerd om hulpverlening vanuit de richtlijn te baseren op gedeelde besluitvorming. Om cliënten te informeren over de inhoud van de richtlijn, is een cliëntversie van de richtlijn ontwikkeld, die van commentaar is voorzien door de cliëntentafel. De cliëntversie kan cliënten helpen om samen met de professional afwegingen te maken en beslissingen te nemen over de hulp die zij nodig hebben.

Aan de uiteindelijke invoering van de richtlijn is een proefimplementatie voorafgegaan. Zes teams – verdeeld over drie organisaties binnen de jeugdhulp – hebben gedurende drie maanden de richtlijn uitgeprobeerd.

Beoordeling van wetenschappelijk bewijsmateriaal

Om de kwaliteit van wetenschappelijk bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, werd bij deze richtlijn de EBRO-systematiek gevolgd. In latere richtlijnen is deze methodiek vervangen door de systematiek van de Erkenningscommissie (Jeugd)interventies met name omdat deze beter toegesneden is op de onderzoekspraktijk die in jeugdhulp en jeugdbescherming gangbaar is. Volgens deze laatste methode worden bij de beoordeling van het wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’. De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies. Voor deze richtlijn is gebruik gemaakt van een conversietabel om van EBRO-conclusies naar DEJ-conclusies te komen.

Evaluatie/bijstelling/herziening van de richtlijn

Deze richtlijn is gebaseerd op de kennis die tijdens het schrijven beschikbaar was. Nu de richtlijn is uitgebracht, wordt informatie verzameld over het gebruik van de richtlijn. De zo verzamelde feedback, maar ook nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om de richtlijn bij te stellen. Het is gebruikelijk richtlijnen ongeveer eens in de vijf jaar te herzien, of eerder als daar aanleiding toe is.

Gedurende de looptijd van het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (tot april 2015) ziet de Stuurgroep Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming toe op de bijstelling van de richtlijnen. Na afloop van de programmaperiode zal het beheer van de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming worden overgedragen aan een daartoe op te zetten of aan te wijzen organisatie.

Juridische betekenis van de richtlijn

Deze richtlijn beschrijft wat bij ernstige gedragsproblemen onder goed professioneel handelen wordt verstaan. De kennis die tijdens het schrijven van de richtlijn beschikbaar was, vormt hierbij het uitgangspunt. Het gaat over kennis gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook over praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Door deze kennis in kaart te brengen wil de richtlijn jeugdprofessionals houvast bieden. Het idee is dat zij de kwaliteit van hun beroepsmatig handelen vergroten als ze de richtlijn volgen. Ook kan de richtlijn cliënten helpen om de juiste keuzes te maken.

Richtlijnen zijn geen juridische instrumenten. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben, zoals een wet, of zoals regels die op een wet gebaseerd zijn. Ze kunnen wel juridische betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn allereerst door de beroepsgroep worden onderschreven. De nu voorliggende richtlijn is aangenomen door drie beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW). Deze zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in de jeugdhulp. Samen werken ze aan het ontwikkelen van richtlijnen. Maar de juridische betekenis van een richtlijn hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid. De richtlijn moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van de eigen verantwoordelijkheid van de professional overblijft. Kunnen jeugdzorgwerkers in de praktijk goed met de richtlijn uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de waarde van die richtlijn.

Essentieel is dat richtlijnen niet bindend zijn. De jeugdprofessional kan ervan afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. De informatie in de richtlijn is namelijk niet het enige waarop de professional zich dient te baseren om tot goede zorg te komen. Hij dient ook de unieke situatie van de cliënt plus diens voorkeuren mee te wegen, en zich te houden aan wet- en regelgeving en het beroepsethische kader van zijn beroepsgroep. Correct gebruik van richtlijnen vooronderstelt dus het nodige vakmanschap.

Het is daarom van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren waarom hij van de richtlijn is afgeweken. Hij moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Om die reden moeten ze ook in het dossier worden opgenomen. Op deze manier kan de professional verantwoording afleggen over zijn beroepsmatig handelen. Niet alleen aan de cliënt,  maar eventueel ook  aan de tuchtrechter.

Gedeelde besluitvorming

Het is van groot belang dat de jeugdprofessional ouders en jeugdige uitnodigt tot samenwerking en hen gedurende het hele proces bij de besluitvorming betrekt. Actieve deelname van ouders en jeugdige bevordert namelijk het effect van de hulpverlening. Uitgangspunt is dan ook dat de wensen en verwachtingen van de ouders en jeugdigen leidend zijn. Hún ervaringen, hún kijk op de problematiek en de oplossing ervan vormen het uitgangspunt voor de afwegingen die de professional maakt.

Nu kunnen ouders en jeugdige pas echt als volwaardig partner meedenken en meepraten als zij voldoende geïnformeerd zijn. De richtlijn kan hierbij helpen. De professional bespreekt de richtlijn met ouders en jeugdige en wijst hen op het bestaan van een cliëntversie. Hij legt de stappen in het zorgproces uit op een manier die voor hen begrijpelijk is, houdt rekening met de emoties die zijn verhaal oproept en biedt ouders en jeugdige de ruimte om te reageren. Hij legt hun uit welke keuzemogelijkheden er zijn, om vervolgens samen na te gaan hoe zij tegen deze opties aankijken. Welke voorkeuren hebben ze en wat willen ze juist niet? Elke jeugdige heeft, ongeacht zijn leeftijd, het recht om zijn mening te geven. Aan deze mening wordt een passend gewicht toegekend: niet de leeftijd maar de capaciteiten van de jeugdige zijn leidend. Een jeugdige moet dan wel weten wat er aan de hand is. De jeugdprofessional hoort dus duidelijk uit te leggen wat er speelt, op een niveau dat aansluit bij de capaciteiten van de jeugdige.
In principe volgt de professional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige. Is de veiligheid van de jeugdige in het geding, dan kan dat mogelijk niet. De professional legt in zo’n geval duidelijk uit waarom hij een andere keuze maakt, en wat daarvan de consequenties zijn.

Zo komt er een proces van gedeelde besluitvorming (shared decision making) op gang. Professionals, ouders én jeugdige hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het zorgproces te laten slagen. Zij moeten dus samenwerken. Onder samenwerking wordt verstaan dat de jeugdprofessional:

  • luistert naar de verwachtingen en wensen van ouders en jeugdige. Deze zijn leidend in het hele proces. Maakt de professional een afwijkende keuze, dan legt hij uit waarom hij dat doet;

  • ouders en jeugdige (indien van toepassing met behulp van deze richtlijn) informeert wat wel en niet werkt bij bepaalde problemen;

  • ouders en jeugdige uitleg geeft over de verschillende stappen in het proces van diagnostiek en behandeling;

  • ouders en jeugdige verschillende hulpmogelijkheden voorlegt die van toepassing zijn op hun situatie; de voor- en nadelen van elke optie bespreekt (liefst door cijfers/feiten ondersteund); en nagaat welke voorkeuren ouders en jeugdige hierin hebben;

  • er voortdurend rekening mee houdt dat het ouders en jeugdige aan kracht, vaardigheden of inzicht kan ontbreken om optimaal van de aangeboden hulp gebruik te maken. Het expliciet delen van deze omstandigheden en pogen hierover (meer) gedeeld perspectief te krijgen, is noodzakelijk om samen tot een besluit te komen waarin ouders en jeugdige zich het best kunnen vinden;

  • niet alleen oog heeft voor de jeugdige, maar voor het hele gezin;

  • zich aanpast aan het tempo van ouders en jeugdige bij het doorlopen van het proces, tenzij de jeugdige acuut in gevaar is. In dat geval dient de jeugdprofessional uit te leggen waarom bepaalde stappen nu genomen moeten worden;

  • zich ervan vergewist dat ouders en jeugdigen begrijpen wat gezegd en geschreven wordt;

  • ouders bij een zorgsignaal zo snel mogelijk betrekt;

  • ouders in een open sfeer uitnodigt tot samenwerking;

  • open en niet-veroordelend luistert naar het individuele verhaal van elke ouder en elke jeugdige;

  • open en niet-veroordelend luistert naar de problemen die ouders en jeugdige ervaren;

  • oog heeft voor de mate waarin ouders zich gestuurd voelen dan wel vrijwillig hulp hebben gezocht;

  • uitgaat van de kracht en motivatie van ouders om in de opvoeding bepaalde doelen te bereiken;

  • met ouders en jeugdige afstemt wat reëel en ‘goed genoeg’ is.

… Meer

Maar ook ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, werken naar beste kunnen mee. Dit houdt in dat zij:

  • zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het zorgproces te laten slagen;

  • zelf de regie hebben, mits zij het belang van de jeugdige (waaronder de veiligheid) voorop stellen;

  • bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional;

  • openstaan voor de kennis en ervaring van de professional;

  • vragen om advies, en proberen iets met dat advies te doen;

  • ondersteuning toestaan als zij zelf onvoldoende mogelijkheden hebben om een advies op te volgen;

  • op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;

  • eventueel om extra ondersteuning en/of een andere jeugdprofessional vragen;

  • zelf hun mening en ideeën naar voren brengen.

… Meer

Gedeelde besluitvorming is dus zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader van toepassing. In het gedwongen kader kunnen er wel minder keuzeopties zijn, of kunnen er aan bepaalde keuzes andere voorwaarden of consequenties zijn verbonden. Dit maakt het zorgproces gecompliceerd, maar onderstreept het belang van een goede samenwerking. Ouders en jeugdige dienen ook bij zorg in een gedwongen kader uitvoerig geïnformeerd te worden over de eventuele keuzemogelijkheden en de maatregelen die worden genomen, en over hun rechten en plichten hierin. De professional dient regelmatig te vertellen welke stappen er worden gezet en wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt.

De professional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Hij hoort hiervan aantekening te maken in het dossier.

Diversiteit

Om een goede werkrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met de ouders van belang. Nu vinden niet alle ouders het even makkelijk hulpverleners te vertrouwen. Neem daarom voldoende tijd om dit vertrouwen te winnen. Houd er rekening mee dat ouders een ander referentiekader kunnen hebben dan jijzelf. Ze denken bijvoorbeeld dat de ziekte van hun kind een andere oorzaak heeft dan jij denkt, of ze kijken anders tegen opvoeden aan. Onderzoek met welke verwachtingen de ouders komen en wees je bewust van de verwachtingen die jij van de ouders hebt. Ouders kunnen ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van hun kind. In zulke situaties zul je meer tijd nodig hebben om het vertrouwen te winnen.

Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn, laag zijn opgeleid of een (licht) verstandelijke beperking hebben. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij hen niet voldoende aanwezig is. Zorg daarom voor begrijpelijk voorlichtingsmateriaal, en kies voor een interventie die aansluit bij de capaciteiten van de ouders.

Leeswijzer

Deze richtlijn (met bijbehorende werkkaarten) is bedoeld voor jeugdprofessionals die met het onderwerp van deze richtlijn te maken hebben. De richtlijn vormt de neerslag van een groter document, namelijk de ‘onderbouwing’. Deze onderbouwing is apart te raadplegen. Voor cliënten en andere geïnteresseerden is een ouderversie van de richtlijn gemaakt. Ook deze is apart verkrijgbaar. Alle documenten (zie het tabblad Downloads) zijn openbaar.

Onder ‘jeugdprofessionals’ worden zowel ‘gedragswetenschappers’ (psychologen, pedagogen of anderen met een gedragswetenschappelijke opleiding) bedoeld als hbo-opgeleide ‘jeugdzorgwerkers’. Zij staan over het algemeen geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).  Met sommige aanbevelingen kunnen beide groepen hun voordeel doen, andere zijn vooral van toepassing op jeugdzorgwerkers of juist op gedragswetenschappers. Waar dit onderscheid van belang is, wordt specifiek over gedragswetenschappers dan wel over jeugdzorgwerkers gesproken.

Waar in de richtlijn gesproken wordt over ‘daartoe gekwalificeerde jeugdprofessionals’ wordt gerefereerd aan het benodigde niveau van bekwaamheid en specifieke deskundigheden in relatie tot de taak.

In deze richtlijn wordt antwoord gegeven op vijf vragen in vijf hoofdstukken.

Het hoofdstuk Signalering en diagnostiek betreft de vraag wanneer je van ernstige gedragsproblemen spreekt en hoe je zulke gedragsproblemen vaststelt. We gaan in op het verschil tussen normaal lastig gedrag en ernstige gedragsproblemen, en bespreken een aantal screeningsinstrumenten voor de eerste onderkenning van gedragsproblemen. Deze informatie is van belang voor jeugdzorgwerkers, maar ook voor medewerkers die in hun dagelijks werk te maken hebben met kinderen en jongeren (bijvoorbeeld in de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg en het onderwijs). Zij zijn vaak de eersten die opmerken dat er iets met een jeugdige aan de hand is. Na een eerste vaststelling van gedragsprobleem met behulp van een screeningsinstrument, is nadere diagnostiek nodig. De verschillende stappen van het diagnostisch proces komen ook in hoofdstuk 1 aan de orde. Dit deel van het hoofdstuk is met name relevant voor de gedragswetenschapper met een diagnostische taak, maar kan ook interessant zijn voor jeugdzorgwerkers die meer willen weten over de oorzaken van ernstige gedragsproblemen.

Het hoofdstuk Interventies gaat in op de vraag welke interventies het beste ingezet kunnen worden als ernstige gedragsproblemen zijn geconstateerd. Daarbij maken we onderscheid tussen interventies voor kinderen onder de twaalf en jongeren vanaf twaalf jaar. Verder behandelen we interventies in ambulante en in residentiële settings. De informatie in dit hoofdstuk is met name relevant voor jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers die een rol spelen in de besluitvorming rond de indicatiestelling. Ook gedragswetenschappers die als behandelcoördinator behandeltrajecten van jeugdigen en hun gezin coördineren kunnen er hun voordeel mee doen. Ten slotte kan deze informatie nuttig zijn voor jeugdhulporganisaties die een keuze moeten maken voor de zorg die zij willen aanbieden.

Een deel van de jeugdigen met ernstige gedragsproblemen in Nederland woont niet in de eigen of een vervangende gezinssituatie, maar verblijft voor kortere of langere tijd in een leefgroep. Dit betekent dat de opvoeding (tijdelijk) wordt overgenomen door beroepsopvoeders. Voor deze beroepsopvoeders is het van belang te weten hoe de opvoeding die zij bieden kan bijdragen aan het verminderen van ernstige gedragsproblemen. In het hoofdstuk Opvoedingstechnieken gaan we allereerst in op het belang van een positief pedagogisch groepsklimaat als voorwaarde om tot leren te komen. Vervolgens bespreken we verschillende specifieke opvoedingstechnieken uit de gedragstherapie om gedragsproblemen te verminderen. Dit hoofdstuk is daarmee vooral relevant voor jeugdzorgwerkers in de dagbehandeling en residentiële jeugdhulp, en voor de gedragswetenschappers en leidinggevenden die deze jeugdzorgwerkers inhoudelijk aansturen.

Cognitieve gedragstherapie blijkt gedragsproblemen bij jeugdigen vanaf acht jaar te kunnen verminderen. Deze therapie wordt gegeven door gedragswetenschappers die hiertoe een specialistische opleiding hebben gevolgd. In het hoofdstuk Therapeutische principes bespreken we welke cognitieve technieken of middelen jeugdzorgwerkers in aanvulling hierop kunnen inzetten om de cognitieve vaardigheden van jeugdigen te vergroten. Deze technieken hanteert de jeugdzorgwerker alleen in aanvulling op de opvoedingstechnieken besproken in het hoofdstuk Opvoedingstechnieken  en altijd in samenwerking met een gedragswetenschapper. Het hoofdstuk Therapeutische principes is daarmee relevant voor zowel ambulant als residentieel werkende jeugdzorgwerkers, en voor de gedragswetenschappers en leidinggevenden die hen inhoudelijk aansturen.

Een belangrijk risico voor veel jeugdigen met ernstige gedragsproblemen is dat zij dankzij deze problemen hun schoolloopbaan zonder diploma of startkwalificatie beëindigen. In het hoofdstuk In het onderwijs bespreken we wat de jeugdzorgwerker in samenwerking met ouders en school kan doen om voortijdige schooluitval te voorkomen. Daarbij gaan we in op verschillende vormen van ondersteuning. Dit hoofdstuk is niet alleen relevant voor jeugdzorgwerkers, maar ook voor gedragswetenschappers en leidinggevenden die hen inhoudelijk aansturen.

Elk hoofdstuk eindigt met een set aanbevelingen. De onderbouwing van deze aanbevelingen vindt u kort in het desbetreffende hoofdstuk terug. De uitgebreide onderbouwing kunt u vinden in de Onderbouwing Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.

Zoals eerder vermeld wordt in deze richtlijn omwille van de leesbaarheid consequent de mannelijke vorm gehanteerd. Maar waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ gelezen worden. Hetzelfde geldt voor ‘ouders’: hiermee worden ook ‘verzorgers’, ‘de ouder’ of ‘de verzorger’ bedoeld. Onder ‘jeugdigen’ worden in het algemeen zowel ‘kinderen’ (tot twaalf jaar) als ‘jongeren’ (van dertien tot achttien jaar) verstaan. De onderhavige richtlijn heeft echter uitsluitend betrekking op jeugdigen van drie tot achttien jaar.

Wil je hier op reageren of heb je vragen? Neem dan contact met ons op.

Signalering en diagnostiek
Reageer!