Uithuisplaatsing

De Richtlijn Uithuisplaatsing gaat over jeugdigen die gedwongen of vrijwillig uit huis worden geplaatst. Een kind of jongere kan bijvoorbeeld ernstig worden verwaarloosd of mishandeld. In zulke situaties wordt de kinderrechter ingeschakeld. Die kan besluiten om de jeugdige (een tijdje) ergens anders onder te brengen, ook al zijn de ouders het daar niet mee eens. Het kan ook gebeuren dat ouders instemmen met de uithuisplaatsing. Hun kind heeft bijvoorbeeld ernstige gedrags- of ontwikkelingsproblemen waardoor zij de situatie thuis niet meer aankunnen. Een kind of jongere wordt dan (tijdelijk of langer) elders ondergebracht. Zo’n uithuisplaatsing wordt ‘vrijwilllig’ genoemd.

Informatie voor ouders

Inleiding

Een kind opvoeden is niet makkelijk. Zo kan het zijn dat uw kind meer of andere zorg nodig heeft dan andere kinderen. Bijvoorbeeld omdat het een handicap heeft, moeilijk gedrag vertoont of ziek is. Voor u kan opvoeden dan een te zware taak zijn. Of er hebben zich allerlei problemen opgestapeld, waardoor het u allemaal te veel is geworden en niet meer weet hoe u uw kind de nodige zorg en veiligheid kunt geven. In zulke situaties is jeugdhulp nodig. Meestal biedt een hulpverlener hulp in de thuissituatie. Soms helpt dat niet genoeg en is het nodig dat een kind (tijdelijk) ergens anders woont. De Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming helpt hulpverleners om samen met u te beslissen of uw kind thuis kan blijven wonen en te bepalen welke hulp u en uw kind nodig hebben om te zorgen dat uw kind veilig en gezond kan opgroeien. In de richtlijn staat wat hulpverleners van de jeugdhulp samen met u kunnen doen om de problemen thuis op te lossen.

In dit document vatten we de richtlijn kort samen. Het is handig als u van deze richtlijn op de hoogte bent. Zo weet u wat u van hulpverleners in de jeugdhulp kunt verwachten. Ook kunt u deze informatie gebruiken als hulpmiddel bij het overleg met een hulpverlener.

Uithuisplaatsing… of toch niet?

Van hulpverleners mag u verwachten dat zij er samen met u alles aan doen om uithuisplaatsing te voorkomen. Daarom brengt hij eerst samen met u zorgvuldig in kaart wat er aan de hand is. Samen maakt u een plan om de problemen aan te pakken.  Met uw hulpverlener gaat u na wie in uw omgeving u om hulp kunt vragen en waar u misschien professionele hulp bij nodig hebt. Er bestaan bijvoorbeeld speciale programma’s voor jongeren met gedragsproblemen om uithuisplaatsing te voorkomen. Ook intensieve pedagogische thuishulp kan helpen. Uw hulpverlener legt u uit welke hulpmogelijkheden er zijn, en welke voor- en nadelen die hebben. Samen spreekt u af wat er moet veranderen en hoe u dat voor elkaar gaat krijgen.

Als de problemen al lang bestaan of er veel verschillende problemen zijn, kan het nodig zijn dat een hulpverlener meerdere keren per week bij u langs komt. Zo kan de situatie in uw gezin snel verbeteren. Ook als de problemen zo ernstig lijken dat mogelijk een uithuisplaatsing nodig is, kijkt de hulpverlener nog eens extra met u samen of de problemen met intensieve hulp niet snel aangepakt kunnen worden. Regelmatig gaat uw hulpverlener na of het thuis voor uw kind nog wel veilig is. Dit bespreekt hij met u.

Samenwerking

Hulp heeft de meeste kans van slagen als u en de hulpverlener samenwerken aan het verbeteren van de situatie. De hulpverlener nodigt u hiertoe uit en beslist zo veel mogelijk samen met u hoe de situatie het beste aangepakt kan worden. Dit is in uw belang, maar ook in dat van uw kind. Hoe eerder u het eens bent over de stappen die gezet moeten worden, des te beter dat is voor zijn ontwikkeling en uw situatie. Het is daarom belangrijk dat u uw wensen en verwachtingen uitspreekt. Ook wanneer uw kind uit huis geplaatst is en u geen gezag meer hebt over uw kind, moet de gezinsvoogd u uitnodigen om samen te proberen de situatie te verbeteren.

In uitzonderlijke situaties kan een hulpverlener een beslissing nemen waar u het niet mee eens bent. Zo’n beslissing neemt een hulpverlener nooit alleen; hij betrekt hier minimaal een gedragswetenschapper bij. Ook kan hij collega’s van andere instanties raadplegen. Hij kan hun vragen om informatie en advies. Alle beslissingen en argumenten daarvoor spreekt de hulpverlener met u door. Verder legt hij schriftelijk vast wat er is besloten, en waarom dat besluit is genomen. Ook de afspraken die u samen maakt worden in duidelijke taal vastgelegd. Heeft u een klacht over de hulp of uw hulpverlener, dan kunt u gebruik maken van de klachtenregeling van de instelling waarbij uw hulpverlener is aangesloten.

Waar komt mijn kind terecht?

Het is het beste voor een kind om in een gezin op te groeien. Daarom wordt uw kind, als het uit huis wordt geplaatst, bij voorkeur in een gezin ondergebracht. Soms kan uw kind misschien bij familie of vrienden. Soms is opvang door iemand uit uw naaste omgeving niet mogelijk. De hulpverlener doet dan een voorstel voor een geschikt pleeggezin. Om ernstige emotionele en gedragsproblemen te kunnen behandelen, is het soms nodig dat een kind voor korte of langere in een instelling verblijft. Zo’n verblijf in een instelling is altijd een laatste optie, en altijd tijdelijk. Na afloop van een behandeling moet altijd gekeken worden of het kind weer thuis kan wonen, of dat er misschien een pleeggezin nodig is waarin het kind kan opgroeien.

Uithuisgeplaatst… en dan?

Wordt een kind uit huis geplaatst, dan gaat uw hulpverlener met u na welke andere hulp u en uw kind verder nog nodig hebben. De hulp is er zo veel mogelijk op gericht om de relatie tussen ouders en kind te herstellen en andere problemen te verhelpen of verminderen, zodat een kind uiteindelijk weer thuis kan wonen.

Veel ouders hebben voorafgaand aan de uithuisplaatsing een zware periode achter de rug. Nu hun kind uit huis is, hebben zij de gelegenheid om orde op zaken te stellen. Een hulpverlener helpt hen daarbij. Maar ook kinderen hebben vaak hulp nodig om weer lekker in hun vel te zitten en te wennen aan de uithuisplaatsing. Als het nodig is, krijgen ook zij hulp aangeboden. De hulpverlener stelt samen met u vast wat er moet veranderen en hoe u dat samen gaat aanpakken. Ook wordt er direct een omgangsregeling vastgesteld als een kind uit huis wordt geplaatst. In zo’n omgangsregeling staat hoe vaak, waar en wanneer u contact met uw kind kunt hebben. Zo kunt u uw kind snel en regelmatig weer zien. Het kan dan zijn dat u met meerdere hulpverleners te maken krijgt. Als dat zo is, regelen ze onderling wie de hulp aan u en uw kind in goede banen leidt. Zo heeft u altijd een duidelijk aanspreekpunt.

Terugplaatsing

Voor een kind is het belangrijk om te weten waar het gaat opgroeien. Een kind dat niet weet of het in een pleeggezin mag blijven of weer terug naar huis mag, kan zich minder goed ontwikkelen. Voor kinderen tot vijf jaar moet daarom binnen een halfjaar na de uithuisplaatsing duidelijk zijn of de situatie voldoende verbeterd is om weer thuis te kunnen wonen. Voor kinderen van vijf jaar en ouder moet dat binnen een jaar na de uithuisplaatsing duidelijk zijn. Om te beslissen of een kind weer thuis kan wonen gaat de hulpverlener zorgvuldig met u na welke hulp u hebt gehad, wat de resultaten daarvan zijn en of de situatie zo is verbeterd dat uw kind thuis weer veilig is en zich hier goed kan ontwikkelen. Komt uw kind weer thuis wonen, dan verandert er opnieuw heel wat. Het kan zijn dat u of uw kind hulp nodig heeft om te wennen aan de nieuwe situatie. Hiervoor kunt u terecht bij uw hulpverlener. Hij blijft u en uw kind ook na de terugplaatsing ondersteunen. Soms is het niet meer mogelijk dat een kind bij zijn eigen ouders opgroeit. Dat wil niet zeggen dat u niet zijn ouders meer bent en geen rol in zijn leven kunt hebben. Ook als een kind niet meer thuis komt wonen, blijft het contact tussen ouders en kind belangrijk. Uw hulpverlener kijkt samen met u hoe u uw relatie met uw kind dan kunt vormgeven.

Tips voor ouders

Als ouder bent u verantwoordelijk voor de opvoeding en ontwikkeling van uw kind. Wanneer u het gezag over uw kind heeft, is het uw recht (en ook uw plicht) om uw minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Uw kind blijft altijd uw kind, ook als uw kind (tijdelijk) niet bij u woont, u het gezag niet heeft of u (tijdelijk) het gezag niet volledig mag uitoefenen omdat er een ondertoezichtstelling is. Blijf dus altijd betrokken en houd zelf zo veel mogelijk de regie. Uw hulpverlener onderzoekt met u wat uw mogelijkheden zijn: wat wilt en kunt u doen om uw zoon of dochter verder te helpen? Sta open voor adviezen en probeer daar iets mee te doen. Laat ook uw mening blijken. Geef het bijvoorbeeld op tijd aan als een advies niet bij u of uw kind past, en kijk samen met uw hulpverlener wat u daaraan kunt doen. Mocht u er helemaal niets samen met de hulpverlener uitkomen, dan heeft de instantie waar de hulpverlener werkt, een klachtenregeling. U kunt daar gebruik van maken als u het toch niet met de hulpverlener eens kan worden over de genomen beslissingen.

Reageer!