Dyslexie

Behandeling en ondersteuning

Inleiding

Voor jeugdigen met dyslexie zijn er in Nederland veel behandelingen beschikbaar en tussen de behandelprogramma’s bestaan verschillen. Eén van de knelpunten die het uitgangspunt van deze richtlijn vormen, is dat zowel professionals die dyslexiezorg bieden of indiceren als ook jeugdigen en ouders onvoldoende weten over de effectiviteit van de verschillende dyslexiebehandelingen die worden aangeboden. In dit hoofdstuk worden de wetenschappelijke inzichten in de effectiviteit van deze behandelingen samengevat. De volgende uitgangsvragen zijn hierbij leidend:

  • Wat zijn de werkzame elementen in de behandeling van dyslexie?
  • In hoeverre vergroot de behandelmethode de zelfredzaamheid van de jeugdige?
  • Wat zijn effectieve behandelmethoden bij dyslexie?
  • Wat is er bekend over het langetermijneffect van behandelmethoden?
  • Wat is de rol van de behandelaar, de jeugdige, de ouders en de school in de behandeling?

Jeugdigen en hun ouders kunnen de kennis die dit oplevert, gebruiken als ze moeten kiezen voor een dyslexiebehandeling. Professionals binnen de dyslexiezorg kunnen de kennis benutten bij het vormgeven van hun behandeling.

In dit hoofdstuk wordt verder aandacht besteed aan de ondersteuning die nodig is voor jeugdigen die een dyslexiebehandeling hebben afgerond of die niet voldoen aan de behandelcriteria. De aandacht gaat ook uit naar de hulpmiddelen die ingezet kunnen worden.

In het hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen de effectiviteit van behandelelementen en de effectiviteit van volledige behandelprogramma’s. Eerst wordt in kaart gebracht welke elementen effectief zijn gebleken in de behandeling van dyslexie. Deze kennis is gebaseerd op een breed scala aan wereldwijd uitgevoerde wetenschappelijke studies. Echter, het samenvoegen van effectieve elementen in een behandelprogramma betekent nog niet per definitie dat dit behandelprogramma als geheel ook effectief is. Bovendien is veel onderzoek naar effectieve behandelelementen uitgevoerd in andere landen, waardoor onbekend is in hoeverre deze resultaten generaliseerbaar zijn naar de Nederlandse situatie. Daarom zal apart aandacht worden besteed aan de effectiviteit van behandelprogramma’s die in Nederland worden aangeboden.

Onderscheid tussen niveau 3 en 4

De aanbevelingen die in Hoofdstuk 2 (Signalering en ondersteuning) en 4 (Behandeling en ondersteuning) worden gedaan, zijn deels gebaseerd op dezelfde literatuur. In de internationale literatuur wordt namelijk vaak geen onderscheid gemaakt tussen interventies op ondersteuningsniveau 3 in het onderwijs en de specialistische behandeling op ondersteuningsniveau 4. Hierdoor worden deels dezelfde interventies en behandelelementen geadviseerd voor het signaleren en begeleiden van jeugdigen met dyslexie op school en voor de behandeling van jeugdigen met dyslexie in de zorg. De in dit hoofdstuk omschreven effectieve elementen van dyslexiebehandeling (ondersteuningsniveau 4) kunnen dan ook eveneens effectief worden ingezet op ondersteuningsniveau 3 binnen het onderwijs. Andersom zijn veel didactische elementen van een effectief ondersteuningsproces op ondersteuningsniveau 3 evenzeer van belang binnen specialistische behandeling op ondersteuningsniveau 4.

Het gaat dan bijvoorbeeld om het belang van herhaling in instructie en oefening, doelgericht werken, feedback ten aanzien van de vooruitgang richting gestelde doelen en eerst nauwkeurigheid van een (deel)vaardigheid bereiken voordat snelheid kan worden nagestreefd. Deze didactische elementen zijn uitgebreid omschreven in Hoofdstuk 2 en worden in het huidige hoofdstuk slechts kort benoemd, voornamelijk in de paragraaf ‘Effectieve algemene kenmerken van de behandeling van lees- en/of spellingproblemen’ (4.1.3).

Enerzijds is de overlap tussen interventies op ondersteuningsniveau 3 en de specialistische behandeling op ondersteuningsniveau 4 niet verwonderlijk, aangezien het op beide niveaus gaat om de aanpak van dezelfde problematiek, namelijk (ernstige) lees-/spellingproblematiek. Anderzijds roept het wel vragen op. Wat is dan bijvoorbeeld het verschil tussen de aanpak op ondersteuningsniveau 3 en de specialistische behandeling?

Gezien de diversiteit in trajecten op zowel ondersteuningsniveau 3 als ondersteuningsniveau 4, is het niet mogelijk om vast te stellen op welke kenmerken elk traject op ondersteuningsniveau 3 verschilt van dat op ondersteuningsniveau 4. Wel is het mogelijk een aantal algemene verschillen te benoemen. Deze zijn deels afgeleid uit de kenmerken van goede dyslexiebehandeling, zoals benoemd door Van der Leij.

Ten eerste is de aard van het interventietraject anders. Begeleiding op school is gericht op jeugdigen die vanwege uiteenlopende oorzaken lees- en/of spellingproblemen ervaren. Deze begeleiding is niet uitsluitend voor jeugdigen met dyslexie bestemd. Het doel is de jeugdige specifieke achterstanden te laten inhalen, om mee te kunnen doen met het lesprogramma van de klas. Per interventieperiode wordt bekeken op welke onderdelen van de leerstof hiaten bestaan, en op die onderdelen wordt een interventie ingezet. De leerlijnen voor lezen en spelling vormen de leidraad en er dient aangesloten te worden bij de hiaten in de ontwikkeling.

De specialistische dyslexiebehandeling in de zorg is daarentegen specifiek gericht op jeugdigen met dyslexie. Een specialistische behandeling beoogt problemen op te heffen of te verminderen en/of een gestagneerde leeftijdadequate ontwikkeling weer op gang te brengen. Het behandelprogramma staat los van de lesprogramma’s die binnen het onderwijs worden gebruikt en volgt zijn eigen ordening van tussendoelen. Binnen het behandelprogramma worden de lees- en spellingvaardigheden in de regel volgens een vaste, gestructureerde systematiek aangeleerd. Alle jeugdigen volgen, in een op maat afgestemd tempo, hetzelfde opgebouwde programma. Op die manier wordt het inzicht in de klankstructuur van geschreven taal vanaf de basis opgebouwd. Het tempo waarin een jeugdige het programma doorloopt varieert.

Een tweede, gerelateerd, verschil is dat bij ondersteuning op school gebruik wordt gemaakt van verschillende materialen en methoden, afgestemd op het leerdoel. Binnen een dyslexiebehandeling in de zorg wordt één allesomvattend programma aangeboden, waarin interventies gericht op lezen, spellen en onderliggende vaardigheden geïntegreerd zijn. De structuur en opbouw van de behandelonderdelen sluiten daarmee op elkaar aan.

Ten derde worden behandelprogramma’s op ondersteuningsniveau 4 uitgevoerd door, of onder begeleiding van, gedragswetenschappers: (post)academisch geschoolde psychologen en orthopedagogen gespecialiseerd in dyslexie of logopedisten gespecialiseerd in dyslexie (dyslexiebehandelaars). Zij zijn opgeleid in het opbouwen van een therapeutische relatie met een jeugdige en geschoold in de processen die werkzaam zijn bij het lezen en spellen.

Zij zijn kundig in het systematisch beïnvloeden van gedrag en het systematisch beïnvloeden van emoties en gedachten. Bovendien zijn ze geschoold in het analyseren van systeemfactoren als school/groep en gezin.

Ze worden geacht om boven de behandelstof te staan en aanknopingspunten te zoeken met de leerstof. De dyslexiebehandelaar werkt binnen het behandelprotocol aan de hand van een individuele analyse en kan een behandelplan opstellen, uitvoeren en aanpassen in overleg en samenwerking met ouders, jeugdige en leraar. Behandeling op niveau 4 is bovendien individueel en langdurig, wat een belangrijke basis vormt voor het opbouwen van een therapeutische relatie. Dat de relatie met de behandelaar een positieve invloed kan hebben op het behandeleffect wordt elders in dit hoofdstuk verder toegelicht.

Ten slotte bevatten specialistische dyslexiebehandelingen overwegend een intensief huiswerkprogramma. Hiermee werkt de jeugdige ook tussen de behandelingen door structureel aan de behandeldoelen. Interventies op ondersteuningsniveau 3 hebben in de regel geen, of een minder intensief, huiswerkprogramma. Dit huiswerkprogramma zorgt er voor dat jeugdigen meer tijd besteden aan het oefenen van de behandeldoelen, en er wordt geoefend volgens een vaste frequentie wat het automatiseren van vaardigheden bevordert. Bovendien worden de meeste jeugdigen bij het huiswerk ondersteund door hun ouders. Deze rol van co-therapeut vergroot de betrokkenheid van ouders bij de leerontwikkeling van hun kind en draagt er aan bij dat er ook in de thuissituatie positieve verwachtingen ontstaan ten aanzien van het behandeleffect.

Er is geen onderzoek gedaan naar verschillen in effectiviteit tussen interventies op ondersteuningsniveau 3 en die op ondersteuningsniveau 4. Er is dus weinig bekend over het effect van bovengenoemde elementen ten opzichte van interventies op school. Wel tonen onderzoeken naar de effectiviteit van Nederlandse dyslexiebehandelingen overwegend positieve effecten (zie paragraaf 4.4). Aangezien deze dyslexiebehandelingen worden gegeven aan jeugdigen waarbij interventies op niveau 3 tot onvoldoende effect leidden (i.e. het hardnekkigheidscriterium), kan voorzichtig worden geconcludeerd dat dyslexiebehandelingen wel degelijk toegevoegde waarde hebben.

De in dit hoofdstuk besproken literatuur is met name gebaseerd op onderzoek bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Naar jeugdigen in het voortgezet en hoger onderwijs met dyslexie is aanzienlijk minder wetenschappelijk onderzoek verricht. In hoeverre de kennis over de effectiviteit van dyslexiebehandelingen bij kinderen van toepassing is op adolescenten, daarover is nog weinig bekend. Bovendien zijn veel studies verricht in Engelstalige landen. Er bestaan echter grote verschillen tussen de Engelse orthografie en de Nederlandse orthografie. Hoewel de meeste genoemde resultaten in studies uit verschillende landen zijn gevonden, en daarmee robuust genoemd kunnen worden, is er nog relatief weinig bekend over de precieze relevantie voor de Nederlandse situatie. Dit is van belang om bij het lezen van dit hoofdstuk, en met name de paragrafen ‘Leesproblemen’ (4.1.1) en ‘Spellingproblemen’ (4.1.2), in het achterhoofd te houden.

Werkzame elementen in de behandeling van dyslexie
Reageer!