Dyslexie

Signalering en ondersteuning

Het leerlingdossier

Een leerlingdossier reist met de jeugdige mee gedurende de schoolloopbaan zodat duidelijk is hoe de lees- en spellingontwikkeling is verlopen en welke ondersteuning er heeft plaatsgevonden. Een doorgaande lijn kan zo gewaarborgd worden. Het leerlingdossier is bovendien van belang als een jeugdige wordt doorverwezen. Let wel, als deze informatie over de jeugdige wordt gedeeld met derden, dient hiervoor altijd toestemming te worden gevraagd: aan ouder(s) met gezag (< 12 jaar), aan ouder(s) met gezag, met inachtneming van de wensen van de jeugdige (12-16 jaar), aan de jeugdige (> 16 jaar). Zie voor meer informatie ook Handreiking gegevensuitwisseling. Voor scholen die samenwerken met externe partners.

1. Doorverwijzing binnen de dyslexiezorg vanuit de Jeugdwet

Indien er sprake is van blijvende, ernstige achterstand na herhaald geboden specifieke interventies kunnen jeugdigen worden doorverwezen voor diagnostisch onderzoek. Het vermoeden van dyslexie moet door de school worden onderbouwd in een leerlingdossier. Op de basisschool kunnen jeugdigen in aanmerking komen voor vergoede diagnostiek en eventueel behandeling. Ze moeten dan wel aan een aantal criteria voldoen. Zo moet de school de ernst van de lees- of spellingproblemen onderbouwen, en indiceert de gedragswetenschapper vervolgens de behandeling. Dat betekent dat een jeugdige pas na een periode van goed onderwijs en herhaalde specifieke interventie kan worden doorverwezen naar dyslexiezorg binnen de Jeugdwet. Omdat aanmelding pas kan plaatsvinden na een periode van onderwijs en extra begeleiding en interventie, zullen de meeste jeugdigen pas in groep 4 of 5 worden doorverwezen. De school moet kunnen aantonen dat er in de voorafgaande schoolperiode goed onderwijs en intensieve begeleiding is geboden, en dat een jeugdige desondanks zeer lage lees- en/of spellingresultaten heeft behaald op drie achtereenvolgende (hoofd)meetmomenten. Van de criteria kán beredeneerd worden afgeweken, maar de noodzaak hiertoe moet blijken uit de informatie in het leerlingdossier. Deze informatie kan gewogen worden door een onafhankelijk ter zake kundige, vaak aangesteld als poortwachter.

In het leerlingdossier moet een beschrijving staan van de lees- en/of spellingproblemen, en de duur, inhoud en resultaten van de extra ondersteuning die op school heeft plaatsgevonden. De poortwachter monitort het aantal doorverwijzingen naar de zorg, en houdt in de gaten of er op de school binnen het samenwerkingsverband goede ondersteuning op de verschillende niveaus is geboden. De poortwachter moet ook voldoende informatie hebben om zich ervan te kunnen overtuigen dat de school alles heeft gedaan wat in haar vermogen ligt om de lees- en/of spellingachterstand te verminderen of te verhelpen. Dat wat er op school is gedaan, moet voor de poortwachter navolgbaar zijn, zodat het besluit omtrent de ontvankelijkheid van de aanmelding controleerbaar is. Dat betekent dat scholen de lees- en spellingontwikkeling en de geboden hulp moeten documenteren zodat de informatie met ouders, poortwachters en gedragswetenschappers gedeeld kan worden en meningsverschillen uit de weg kunnen worden geruimd. Ook afwijkingen in de procedure moeten worden beredeneerd. De poortwachter is verantwoordelijk voor het besluit of een jeugdige in aanmerking komt voor diagnostisch onderzoek. Dat betekent ook dat de poortwachter moet afwegen of de aangeleverde informatie toereikend is of dat er aanvullende informatie van de school nodig is.

Een voorbeeld van een goed en volledig Leerlingdossier Dyslexie is te vinden op de website van www.dyslexiecentraal.nl. Hier is eveneens een Format handelingsplan technisch lezen/spellen ON3 te downloaden. Om een volledig beeld van de lees- en/of spellingachterstand te krijgen ten opzichte van de norm en leeftijdsgenoten uit de groep, is het gewenst dat de poortwachter beschikt over een recente uitdraai van de gegevens van de betreffende jeugdige uit het leerlingvolgsysteem, en over een recent geanonimiseerd groepsoverzicht met lees- en spellingresultaten van de totale klas. Zo kan de poortwachter beoordelen of het aantal zeer zwakke lezers in een klas oververtegenwoordigd is.

Dankzij een kwalitatieve toelichting van de lees-en/of spellingproblemen in relatie tot de kwalitatieve lees-/spellingvaardigheid kan inzicht worden gekregen over de kwaliteit van instructie, geboden oefentijd, gebruikte methodes etc. Er moet worden beschreven op welke lees- en spellingvaardigheden een jeugdige op de laatste drie meetmomenten slechter scoorde. Ook worden, indien van toepassing, de resultaten op deelvaardigheden zoals letterkennis en fonologische vaardigheden toegelicht. In gesprek met de school kan de poortwachter bijzonderheden in het onderwijs nagaan en kijken of het aantal aanmeldingen teruggedrongen kan worden.

Om vast te stellen of er sprake is van hardnekkigheid of didactische resistentie dient de poortwachter na te gaan of de geboden ondersteuning op de ondersteuningsniveaus 1, 2 en 3 van voldoende kwaliteit en intensiteit is geweest. De school moet kort beschrijven welke activiteiten zijn uitgevoerd, eventueel door gebruik te maken van een methode of methodiek in de periodes tussen meetmoment 1 en 2 en tussen meetmoment 2 en 3. Er moet worden nagegaan met welke intensiteit ondersteuning op niveau 3 is uitgevoerd door te vragen naar het aantal weken, de frequentie en de totale duur van de ondersteuning – individueel of in een kleine groep. En tot slot moet de school argumenten aanleveren waarmee het vermoeden van dyslexie wordt onderbouwd. Bij twijfel over de didactische resistentie kan een proefbehandeling een alternatief zijn.

2. Doorverwijzing buiten de Jeugdwet

Bij jeugdigen ouder dan 13 jaar kan er ook een vermoeden van dyslexie zijn. Daarnaast is er op het basisonderwijs ook een groep jeugdigen die niet aan de criteria voor doorverwijzing binnen de Jeugdwet voldoen. De lees- en spellingspecialist zal in een dossier de achterstanden en de geboden hulp verantwoorden. De gedragswetenschapper is echter ook in deze gevallen verantwoordelijk om na te gaan of het vermoeden van dyslexie terecht is en om andere verklaringen voor een lees- en/of spellingachterstand uit te sluiten. Het is dan ook nodig om van deze jeugdigen dezelfde informatie te verzamelen uit het voortraject om de ernst en hardnekkigheid van de lees- en/of spellingproblemen te kunnen bepalen.

3. Samenvatting

Het leerlingdossier toont aan hoe de lees- en spellingontwikkeling van de jeugdige is verlopen en welke ondersteuning is geboden. Bij eventuele doorverwijzing naar de zorg kan zo het vermoeden van dyslexie worden onderbouwd en dit kan door de gedragswetenschapper worden getoetst.

Aanbevelingen
Specifieke interventies binnen ondersteuningsniveau 3
Reageer!