Problematische gehechtheid

Prevalentie

Hoeveel kinderen hebben problematische gehechtheidsrelaties?

In dit hoofdstuk zetten we op een rij hoe vaak problematische gehechtheidsrelaties bij kinderen voorkomen. De hier gemelde prevalentiecijfers zijn gebaseerd op zowel internationale als Nederlandse studies naar gehechtheid (Lamb et al., 1985; van IJzendoorn & Kroonenberg, 1988).

Tussen de 60 en 70 procent van alle gezonde, thuiswonende kinderen heeft een veilige gehechtheidsrelatie met hun ouders. Het gaat hierbij om kinderen tussen 1 en 12 jaar oud. Veilig gehechte kinderen onderscheiden zich van onveilig gehechte kinderen door het vertrouwen dat zij hebben in zichzelf en in de anderen om hen heen.

Tussen de 30 en 40 procent van alle gezonde, thuiswonende kinderen is onveilig gehecht, dat gekenmerkt wordt door een gemis aan vertrouwen in hun ouders. Zoals in hoofdstuk 1 werd uiteengezet worden drie vormen van onveilige gehechtheid onderscheiden.

Binnen de onveilige groep worden de volgende types onderscheiden: 

 

  • Ongeveer 10 procent van alle kinderen behoort tot de groep met een vermijdende gehechtheidsrelatie en houdt doorgaans liever afstand in sociale contacten.

  • Ongeveer 20 procent heeft een ambivalente gehechtheidsrelatie, dat zich uit in onzekerheid..

  • Ongeveer 15 procent van alle kinderen tussen 1 en 12 jaar oud heeft een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie. Deze kinderen weten niet hoe ze met gehechtheidsrelaties moeten omgaan. Voor hen is de gehechtheidsfiguur zowel een bron van steun als van angst. Deze vorm van problematische gehechtheid is het meest problematisch.

… Meer

Uit verschillende meta-analyses komt naar voren dat jeugdigen die opgroeien in een gezin waarvan één of beide ouders psychiatrische problemen heeft vaker een onveilige gehechtheidsrelatie hebben dan gemiddeld.

Wat betreft de jeugdigen met een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie is het volgende bekend:

  • Ruim driekwart (80 procent) van de kinderen en jongeren die opgroeien in gezinnen waarin sprake is van mishandeling, verwaarlozing en/of huiselijk geweld (jeugdige hoeft zelf geen slachtoffer te zijn) heeft een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

  • 30 procent van de kinderen die na hun 1e verjaardag geadopteerd zijn, heeft een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

  • Wanneer de adoptie vóór de 1e verjaardag van het kind heeft plaatsgevonden, kan het kind gehechtheidsrelaties vormen die vergelijkbaar zijn met die van niet-geadopteerde kinderen en jongeren. Toch blijft alertheid geboden.

  • Ruim 30 procent van de jeugdigen die opgroeien in een pleeggezin heeft een gedesorganiseerde/ verstoorde gehechtheidsrelatie met de pleegouders. Hierbij moet opgemerkt worden dat de gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie waarschijnlijk voortkomt uit een eerdere onveilige of verbroken relatie met de biologische ouders.

  • Ongeveer de helft van de jeugdigen met een ontwikkelingsstoornis, autistische stoornis of een verstandelijke beperking is onveilig gehecht. In de gezonde populatie is dat 30 tot 40 procent. Kinderen en jongeren met een ontwikkelingsstoornis, autistische stoornis of een verstandelijke beperking hebben bovendien vaker een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

    Dit betekent dat er voor jeugdigen met een ontwikkelingsstoornis, autistische stoornis of een verstandelijke beperking goede diagnostiek beschikbaar moet zijn om te kunnen nagaan of afwijkend gedrag voortkomt uit de stoornis of uit de problematische gehechtheidsrelatie.

… Meer

30 procent van de kinderen die na hun 1e verjaardag geadopteerd zijn, heeft een gedesorganiseerde/ verstoorde gehechtheidsrelatie.

Van den Dries, Juffer, van IJzendoorn, & Bakermans- Kranenburg, 2009; Londen-Barentsen, 2002

Uit internationaal onderzoek blijkt dat ruim 80 procent van de jeugdigen die zijn opgegroeid in kindertehuizen in Oost-Europa een gedesorganiseerde/ verstoorde gehechtheidsrelatie hebben. Deze gegevens kunnen we echter niet generaliseren naar de Nederlandse situatie. Er zijn weinig gegevens bekend over de gehechtheidsrelatie van kinderen en jongeren die opgroeien in Nederlandse instellingen.

Toch mogen we wel aannemen dat relatief veel kinderen en jongeren die opgroeien in een leefgroep of in tehuis een problematische gehechtheidsrelatie hebben. In een Nederlands onderzoek onder jongeren die in een residentiële setting verblijven, bleek dat slechts 7 procent een veilige gehechtheidsrelatie had met de groepsleider/mentor. In het onderzoek bleek dat het onveilige werkmodel van de mentor samenhing met een verminderde sensitieve, flexibele gedragsstijl van de mentor, wat mogelijk geleid heeft tot een onveilige gehechtheidsrelatie tussen mentor en jongere in de residentie.

Over de prevalentie van de reactieve hechtingsstoornis zoals omschreven in de DSM-V (maar ook niet voor de DSM-IV) zijn geen Nederlandse cijfers beschikbaar. Op basis van internationale cijfers wordt geschat dat de stoornis bij 1 procent van de bevolking voorkomt. Onder jeugdigen die te maken hebben met mishandeling en/of verwaarlozing lijkt dat percentage veel hoger te liggen: uit Amerikaans onderzoek is gebleken dat circa 38% van deze kinderen en jongeren de stoornis heeft.

Op basis van internationale cijfers wordt geschat dat de reactieve hechtingsstoornis bij 1 procent van de bevolking voorkomt.

Richters & Volkmar, 1994

In het hoofdstuk Oorzaken en Kenmerken wordt dieper ingegaan op de verschillende kind-, ouder- en omgevingsfactoren die van belang zijn voor de ontwikkeling van een gehechtheidsrelatie.

Wil je hier op reageren of heb je vragen? Neem dan contact met ons op.

Conclusies Prevalentie
Inleiding
Reageer!