Pleegzorg

Stabiliteit van de plaatsing bevorderen en breakdown voorkomen

Inzet van extra ondersteuning om een breakdown te voorkomen

Dat de kans op een breakdown verband houdt met de pleegkindkenmerken ‘leeftijd’, ‘emotionele en gedragsproblemen’ en ‘hulpverleningsgeschiedenis’, is handig om te weten. De pleegzorgaanbieder kan op zulke factoren anticiperen. Indien de betrokken pleegzorgmedewerkers voorafgaand aan de plaatsing meerdere risicofactoren signaleren, is het van belang dat bij hen ‘waarschuwingslampjes’ gaan branden. Vervolgens is het essentieel om een nauwkeurige analyse te maken van de hulpvraag van het pleegkind en de benodigde kwaliteiten van het pleeggezin. Indien er sprake is van een niet-optimale match kan door middel van deze analyse bij aanvang van de plaatsing worden bepaald welke (aanvullende) ondersteuning aan het pleegkind en/of het pleeggezin geboden dient te worden om de kans op een succesvol verlopen plaatsing te vergroten.

Pleegouders ervaren meer opvoedingsstress dan ‘reguliere’ ouders. De pleegzorgbegeleider heeft de belangrijke taak om te signaleren of pleegouders nog voldoende draagkracht hebben voor de opvoeding en verzorging van het pleegkind om zo het afbreken van een pleegzorgplaatsing te voorkomen. Ondersteuning van pleegouders gericht op een vermindering van de gezinsbelasting heeft weinig effect. De invloed van het probleemgedrag op het opvoedgedrag wordt namelijk niet gemedieerd door gezinsbelasting. Daarom moet de ondersteuning vooral bestaan uit psycho-educatie, opvoedingsondersteuning en opvoedtraining bij gedragsproblemen. Pleegouders kunnen leren om op een positieve manier met het probleemgedrag van hun pleegkind om te gaan. Dit resulteert in een afname van het probleemgedrag en/of minder voortijdig afgebroken pleegzorgplaatsingen. Dergelijke trainingen zijn het efficiëntst als ze worden aangeboden gedurende het verblijf van het pleegkind in het pleeggezin (en dus niet enkel aan aspirant-pleegouders), zodat de pleegouders de aangeleerde vaardigheden ter plekke kunnen oefenen (bij voorkeur met het aanwezige pleegkind), ze daarbij geholpen worden en er feedback op krijgen.

Gedurende de plaatsing worden pleegouders geconfronteerd met meer of minder (ernstig) probleemgedrag van hun pleegkind. Ook zijn er pleegkinderen met een (licht) verstandelijke beperking. Dat bemoeilijkt het aangaan van een gehechtheidsrelatie tussen pleegouders en pleegkind. Interventies gericht op kindproblemen of ter vergroting van hechtingssensitief pleegouderschap kunnen de gehechtheidsrelatie bevorderen.
Bovendien resulteert probleemgedrag vaak in meer opvoedingsstress wat kan leiden tot minder adequaat opvoedgedrag. De hulp die nodig is kan gerelateerd worden aan de visie die ten grondslag ligt aan het Integraal Gelders Pleegzorgmodel: meer indien nodig, minder als het kan.

Meer informatie over de begeleiding van pleegouders en effectieve interventies voor pleegkinderen, staat in de paragrafen Pleegouders begeleiden bij het stimuleren van de ontwikkeling van het pleegkind en Effectieve interventies voor specifieke problemen van pleegkinderen.

Ondersteuning bij een overplaatsing
Signalen van breakdown
Reageer!