Pleegzorg

De Richtlijn Pleegzorg gaat over kinderen en jongeren die in een ander gezin worden opgevangen als het thuis niet gaat. De ouders zijn bijvoorbeeld niet in staat hun kind op te voeden, ze zijn verslaafd of verwaarlozen hun zoon of dochter. Het kan ook zijn dat één of beide ouders zijn overleden, of dat een kind door een scheiding in de knel is gekomen. Of een kind heeft zulke ernstige psychische problemen dat het beter af is met gespecialiseerde (therapeutische) pleegzorg dan dat het thuis blijft wonen.

Participatie en samenwerken met ouders, pleegkind, pleegouders en professionals

Aanbevelingen

  • Ouders zijn en blijven de ouders van hun kind. Respecteer hun positie en werk met hen samen. Beslis niet over ouders, maar met ouders.

  • Ondersteun ouders en pleegouders bij het vormgeven van hun samenwerkingsrelatie. Breng de onderlinge verhoudingen in kaart, bijvoorbeeld met behulp van triades. Bespreek regelmatig de taakverdeling. Bespreek wat goed gaat en ondersteun ouders en pleegouders bij het oplossen van onderlinge problemen. Maak spanningen tussen ouders en pleegouders bespreekbaar. Zet hiertoe zo nodig technieken in zoals het stellen van circulaire vragen, het bespreken van onderlinge rivaliteit, het gemeenschappelijke naar de voorgrond halen en verschillen positioneren. Betrek zo nodig een collega met systeemtherapeutische kennis bij de gesprekken.

  • Vertel ouders duidelijk wat de reden is voor de pleegzorgplaatsing en help hen om doelen op te stellen (in gedragstermen). Wees eerlijk en duidelijk over de veranderingen (in gedragstermen) en de termijn waarop deze bereikt moeten zijn om thuisplaatsing te kunnen realiseren (zie ook Beslissen over het perspectief van het pleegkind).

  • Bied ouders in de hulpverleningsvariant tijdig intensieve hulp, gericht op het versterken van hun opvoedvaardigheden en van hun ouderrol en bespreek regelmatig de voortgang in het veranderingsproces.

  • Ondersteun ouders na een opvoedingsbesluit bij de verliesverwerking en invulling van hun nieuwe ouderrol (roldifferentiatie) of schakel een andere hulpverlener in om dit te doen. Zorg ook dat ouders voldoende ondersteuning krijgen bij eigen problemen, zodat het goed met hen gaat.

  • Draag als pleegzorgbegeleider en (gezins)voogd zorg voor een goede samenwerking onderling. Factoren die bijdragen aan goede samenwerking zijn: een gedeelde visie hebben, een gezamenlijk plan maken, de eigen verantwoordelijkheid nemen en anderen zo nodig ook op hun verantwoordelijkheid aanspreken, open communiceren, elkaar kennen en oog hebben voor wat de ander goed doet.

  • Spreek als pleegzorgbegeleider en (gezins)voogd duidelijk af wie er verantwoordelijk is voor de uitvoering van de aanbevelingen uit deze richtlijn als dit niet expliciet is benoemd.

  • Stel een zorgteam samen waar in principe pleegkind (vanaf twaalf jaar) en ouders, pleegouders, belangrijke personen uit het netwerk en professionals rondom het gezin in participeren. Help ouders, pleegkind en pleegouders in het zorgteam om duidelijke afspraken te maken over de doelen van de plaatsing en de rollen, taken en grenzen van alle betrokkenen. Zorg ook voor een gedeelde planning. Help de betrokkenen om concrete afspraken te maken over alledaagse zaken zoals contact met school, artsen- en kappersbezoek, het kopen van kleding, verjaardagen en feestdagen (ook vader- en moederdag).

  • Maak in iedere casus een afgewogen beslissing over de frequentie en vorm van het contact tussen pleegkind en ouders. Maak daarbij eventueel gebruik van de CHOP – de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg (Bastiaensen & De Koning, 2012). Zorg voor continuïteit en regelmaat in de frequentie en duur van de bezoeken. Evalueer regelmatig (iedere drie maanden in de hulpverleningsvariant en iedere zes maanden in de opvoedingsvariant), of als daar aanleiding toe is, de bezoekregeling met het zorgteam en zet daarbij de ontwikkeling van het pleegkind centraal.

  • Ondersteun pleegouders bij het omgaan met probleemgedrag van het pleegkind als dat na bezoek aan de ouders terugkeert in het pleeggezin. Luister goed naar de pleegouders, vraag hoe het voor hen is, geef psycho-educatie (oudercontact is belangrijk en probleemgedrag erna is ‘normaal’) en geef tips om met het gedrag van het pleegkind om te gaan (bekrachtigen wat wel goed gaat, grenzen en structuur bieden). Pas de bezoekregeling niet direct aan als pleegouders het moeilijk vinden, maar houd wel oog voor het welzijn van het pleegkind.

  • Ga opnieuw met het zorgteam in overleg bij een nieuwe beschikking van de kinderrechter waardoor het juridisch kader verandert.

  • Zorg als plaatser voor stabiliteit in het contact tussen ouders en (gezins)voogd. Voorkom personeelswisselingen zo veel mogelijk. Zorg bij wisseling voor een warme overdracht waarbij de oude en de nieuwe (gezins)voogd een gezamenlijk gesprek met het zorgteam hebben. Onderhoud als (gezins)voogd frequent (minimaal één keer in de zes weken en vaker wanneer nodig) contact met de ouders. Bied de ouders een rolmodel door zelf helder te communiceren over afspraken en deze na te komen.

  • Draag bij aanvullende hulp (voor ouders en pleegkind of pleegouders) zorg voor goede inhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de verschillende professionals die zijn betrokken bij ouders en pleegkind, pleegouders en hun netwerken.

  • Monitor of de ingezette hulp daadwerkelijk bijdraagt aan de ontwikkeling van het pleegkind of aan het verbeteren van de balans tussen draagkracht en draaglast van (pleeg)ouders. Als de hulpverlening stagneert of niet leidt tot de gewenste resultaten, overleg dan met de betreffende hulpverlener en schaal eventueel op naar de gedragswetenschapper.

… Meer

Samenwerking tussen professionals rondom ouders, pleegkind, pleegouders en netwerk
Reageer!