Pleegzorg

Inleiding

De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming is bedoeld voor professionals die zijn betrokken bij de uitvoering van pleegzorg. Pleegzorg is een vorm van zorg waarin pleegouders het pleegkind verblijf, verzorging en vervanging van de oorspronkelijke opvoedingssituatie bieden, in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de ouders door een hulpverleningsinstelling.

Het uitgangspunt van pleegzorg is dat de jeugdige indien mogelijk weer bij zijn of haar ouders gaat wonen. De mogelijkheden hiervoor worden voor ieder pleegkind afgewogen en op basis hiervan wordt bepaald naar wat voor soort pleeggezin het pleegkind gaat. Pleegouders kunnen in het sociale netwerk van het pleegkind en de ouders worden gezocht. Behalve familie behoren ook bekenden daartoe. Deze vorm van pleegzorg wordt ook wel ‘netwerkpleegzorg’ genoemd. Daarnaast zijn er geregistreerde pleegouders, ook wel ‘bestandspleegouders’ genoemd.

Zowel bestandspleegouders als netwerkpleegouders moeten aan een aantal wettelijke eisen voldoen. Allereerst moet één van de pleegouders minstens 21 jaar zijn. Ten tweede moeten de pleegouder(s) en huisgenoten (boven de twaalf jaar) voor de plaatsing van een pleegkind al beschikken over een Verklaring van Geen Bezwaar van de Raad voor de Kinderbescherming. Ten derde wordt de geschiktheid van het pleeggezin voor de plaatsing van het pleegkind beoordeeld door de aanbieder van pleegzorg. Ten slotte moet de pleegouder bereid zijn om begeleiding door de zorgaanbieder te aanvaarden (artikel 5.1 lid 1 Jeugdwet).

Het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind
Formele pleegzorg is niet vrij toegankelijk. Pleegzorg kan geïndiceerd worden in een vrijwillig of een gedwongen kader. In het eerste geval wordt pleegzorgplaatsing aangevraagd door – en in samenwerking met – de ouders. In het gedwongen kader is er sprake van een ondertoezichtstelling (OTS) of voogdijregeling en vraagt een gecertificeerde instelling de plaatsing aan. In dat geval is er ook een machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter nodig.

In het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid om een jeugdige op te voeden primair bij de ouders ligt (artikel 18 IVRK). De rol van de ouders in de opvoeding van hun kind dient dan ook door de staat gerespecteerd te worden (artikel 5 IVRK). Een jeugdige heeft het recht op te groeien bij zijn ouders en mag niet tegen zijn wil van hen gescheiden worden, tenzij dit in het belang van de jeugdige is (artikel 9 IVRK).

Het bieden van de juiste ondersteuning aan ouders als primair verantwoordelijken voor de verzorging en opvoeding van hun kind komt overeen met de opdracht die het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind geeft (zie artikel 3 lid 2, artikel 5 en artikel 18 IVRK). Het accent ligt nadrukkelijk op het ondersteunen van de ouders in de gezinssituatie. Pas in het uiterste geval, wanneer hiertoe noodzaak bestaat in het belang van de jeugdige, komt de mogelijkheid van een uithuisplaatsing in beeld (artikel 9 IVRK).

Wanneer ouders en jeugdige niet instemmen met een pleegzorgplaatsing, kunnen bevoegde autoriteiten toch tot plaatsing overgaan, als dit in het belang is van de jeugdige (artikel 9 lid 1 IVRK). Dit is onder voorbehoud van de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing, en in overeenstemming met het toepasselijke recht en procedures. Uit de formulering van artikel 9 IVRK volgt dat pleegzorgplaatsing, waarbij jeugdigen van hun ouders worden gescheiden, een uiterste maatregel is. Ook in de internationale richtlijnen voor alternatieve zorg voor jeugdigen geldt dit als het basisbeginsel. Een jeugdige kan ook met toestemming van hemzelf en/of zijn ouders vrijwillig opgenomen worden in een pleeggezin.

Gedwongen plaatsing van jeugdigen in een pleeggezin is een zwaar middel dat zeer terughoudend moet worden toegepast. Aan de plaatsing gaat dan ook een zorgvuldige afweging vooraf. Wanneer de overheid zich mengt in het gezinsleven van haar burgers en een jeugdige gedwongen laat opnemen in pleeggezin, dient zij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in acht te nemen. Lid 2 van dat artikel stelt dat aan de vereisten van subsidiariteit (is inmenging noodzakelijk?) en proportionaliteit (is dit de lichtste vorm van inmenging die mogelijk is?) moet zijn voldaan. Een jeugdige scheiden van zijn ouders mag dus alleen wanneer het noodzakelijk en in het belang van de jeugdige is. Jeugdigen hebben ook het recht om gehoord te worden (artikel 12 IVRK). De internationale richtlijnen voor alternatieve zorg voor jeugdigen stellen dan ook dat aan het besluit een jeugdige uit huis te plaatsen een participatief proces vooraf dient te gaan, ‘waarin de jeugdige en zijn ouders zorgvuldig worden betrokken’ (artikel 9 lid 1, artikel 3 lid 1 en 2, artikel 12 IVRK).

Transitie en transformatie
De ontwikkeling van deze richtlijn viel samen met een grote transitie en transformatie van de zorg voor jeugd. Belangrijke thema’s hierin zijn het normaliseren van de leefsituatie van de jeugdige waar mogelijk, en het aansluiten bij de regie en de eigen kracht van de jeugdige, diens gezin en het sociale netwerk van hen beiden. In dit kader gaan de ontwikkelingen in de zorg momenteel sneller dan het onderzoek naar en publicaties over de zorg. Waar mogelijk zijn de vernieuwingen in de zorg meegenomen in de richtlijn bij de bespreking van de overige overwegingen. De werkgroep sluit echter niet uit dat door de snelheid van de ontwikkelingen en het onderzoek dat hiernaar nog moet plaatsvinden, aanpassing van de richtlijn binnen vijf jaar nodig kan zijn.

Afbakening

De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming richt zich op pleegzorg, waarbij de pleegouders een contract hebben met een pleegzorgaanbieder. Als een jeugdige bij familie of vrienden logeert zonder betrokkenheid van een zorgaanbieder, is er geen sprake van pleegzorg. De richtlijn gaat niet over deeltijdpleegzorg, zoals weekendpleegzorg, vakantiepleegzorg of dagpleegzorg.

Pleegzorg omvat een hulpverleningsvariant (gericht op het verhelderen van het toekomstperspectief en ondersteuning van ouders bij terugplaatsing naar huis) en een opvoedingsvariant (gericht op het bieden van een langdurig vervangende opvoedsituatie). In de richtlijn worden geen afzonderlijke aanbevelingen gedaan voor een van deze varianten. Wel ligt het accent van de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming in bepaalde tekstdelen meer op de hulpverleningsvariant, aangezien het uitgangspunt van pleegzorg is dat het pleegkind indien mogelijk weer bij zijn of haar ouders gaat wonen. Andere tekstdelen richten zich weer meer op de zorg en hulpverlening nadat er een opvoedingsbesluit (het besluit over het vervolg van de plaatsing) is genomen. Verder wordt er alleen onderscheid gemaakt tussen pleegzorg in een netwerkpleeggezin of een bestandspleeggezin als dat bij de beantwoording van uitgangsvragen relevant is. Tussen pleegzorg in een gedwongen dan wel een vrijwillig kader wordt in de richtlijn geen onderscheid gemaakt.

Deze richtlijn staat niet op zichzelf, maar sluit aan bij richtlijnen die eveneens zijn opgesteld voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Zo behandelen de Richtlijn Samen beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming en de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming de processen die voorafgaan aan de uitvoering van pleegzorg.

Daarnaast zijn er richtlijnen ontwikkeld voor de diagnostiek en behandeling van verschillende problemen, zoals problematische gehechtheid, stemmingsproblemen, ADHD, middelengebruik, KOPP, kindermishandeling, ernstige gedragsproblemen (alle richtlijnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming; zie richtlijnenjeugdhulp.nl) en een (licht) verstandelijke beperking (zie www.kenniscentrumlvb.nl).

Wanneer een pleegkind één of meerdere van deze problemen heeft, dan is het belangrijk dat de professional in aanvulling op de aanbevelingen van de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming de aanbevelingen uit de betreffende richtlijnen ter harte neemt.

Doel van de richtlijn

De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming beoogt:

  • te stimuleren dat professionals in de pleegzorg op uniforme en effectieve wijze vormgeven aan de begeleiding van pleegkinderen, hun ouders en pleegouders, zodat de ontwikkeling van pleegkinderen optimaal wordt gestimuleerd;

  • te stimuleren dat professionals in de pleegzorg op basis van vastgestelde criteria en binnen de afgesproken termijn een besluit nemen over het opvoedingsperspectief van het pleegkind;

  • bij te dragen aan het voorkomen van afgebroken pleegzorgplaatsingen (breakdown);

  • inzichtelijk te maken welke kennislacunes er zijn met betrekking tot pleegzorg.

… Meer

Alles bij elkaar beoogt de richtlijn dus de eenheid in handelen van professionals te vergroten en de kwaliteit van de pleegzorg te verbeteren.

Doelgroep van de richtlijn

De richtlijn (inclusief onderbouwing, pdf en werkkaarten, pdf) is primair bedoeld voor jeugdprofessionals. Zij moeten ermee kunnen werken. Daarnaast is van de richtlijn een aparte cliëntversie gemaakt. Deze is primair bedoeld voor de cliënten: de jeugdigen en hun ouders. Ook is van de richtlijn een pleegouderversie (pdf) gemaakt.

Relevantie

Er zijn nog geen concrete en onderbouwde richtlijnen voor het handelen van pleegzorgbegeleiders en (gezins)voogden. Dit zorgt ervoor dat de voorbereiding en begeleiding van een plaatsing door verschillende aanbieders en verschillende pleegzorgbegeleiders en (gezins)voogden op verschillende manieren wordt vormgegeven. Bovendien is onduidelijk of de huidige werkwijzen aansluiten bij wat bekend is over de werkzame factoren.

Een uniforme richtlijn voor de pleegzorg is dan ook om meerdere redenen van belang. Zo blijkt uit onderzoek in de pleegzorg dat zowel langdurige onzekerheid over thuisplaatsing als een breakdown van de pleegzorgplaatsing schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het pleegkind. De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming biedt pleegzorgbegeleiders en (gezins)voogden concrete handvatten hoe ze de pleegzorgplaatsing dusdanig kunnen begeleiden dat de ontwikkeling van het pleegkind optimaal wordt gestimuleerd en bestaansonzekerheid en breakdown worden voorkomen.

Uithuisplaatsing (en dus ook een pleegzorgplaatsing) is voor zowel jeugdigen als hun ouders een buitengewoon ingrijpende ervaring. Niet alleen pleegkinderen, ook hun ouders zijn onzeker hoe de toekomst er uit zal zien. Het is heel belangrijk dat ouders passend begeleid worden bij de pleegzorgplaatsing dan wel de terugplaatsing van hun kind naar huis. Ook het aanvaarden en vormgeven van de rol als ouder op afstand vraagt om goede begeleiding. Daarmee wordt de kans namelijk groter dat de ouders de plaatsing en de pleegouders kunnen verdragen, de pleegzorgplaatsing langzamerhand kunnen accepteren, en meewerken aan het doel van de plaatsing.

Ook voor pleegouders zijn duidelijke richtlijnen van belang, onder andere om een goed en tijdig besluit over het toekomstperspectief van het pleegkind te kunnen nemen. Zo’n besluit geeft niet alleen zekerheid, maar bevordert ook het gedrag dat nodig is om een veilige gehechtheidsrelatie tussen pleegouders en het pleegkind tot stand te brengen.

Ten slotte dient het bevorderen van een succesvolle pleegzorgplaatsing ook de samenleving. Bij een mislukte pleegzorgplaatsing is er namelijk een grotere kans dat pleegkinderen gedragsproblemen ontwikkelen en een volgende plaatsing mislukt. Dit kan leiden tot een grotere behoefte aan specialistische hulp en residentiële opvang en daarmee tot grotere maatschappelijke kosten.

Werkwijze

De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming is ontwikkeld door de Werkgroep Richtlijn Pleegzorg. Deze werkgroep heeft vijf uitgangsvragen geselecteerd waar deze richtlijn een antwoord op geeft:

  • Hoe kan de ontwikkeling van een pleegkind optimaal worden gevolgd en gestimuleerd?

  • Wat is nodig om een goed en tijdig besluit over het perspectief van het pleegkind te kunnen nemen?

  • Hoe kan de stabiliteit van een plaatsing worden vergroot en een breakdown worden voorkomen?

  • Wat moet er in de voorbereiding en tijdens de plaatsing worden gedaan om de veiligheid van het pleegkind te kunnen waarborgen?

  • Hoe bevorderen de pleegzorgbegeleider en de (gezins)voogd een goede samenwerking tussen alle betrokkenen bij de pleegzorgplaatsing?

… Meer

De beantwoording van deze uitgangsvragen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Voor het literatuuronderzoek vormen de kenniscollecties van de Afdeling orthopedagogiek van de Universiteit Leiden en van het Nederlands Jeugdinstituut de basis. De Universiteit Leiden beschikt over een kenniscollectie van meer dan duizend nationale en internationale pleegzorggerelateerde artikelen vanaf 2000 tot 2010.

Voor de huidige richtlijnen zijn de abstracts van alle artikelen van deze database doorgenomen om zo tot een selectie van de verschillende onderzoeksvragen te komen. Bij de ontwikkeling van de richtlijn is daarnaast gebruik gemaakt van de kenniscollectie van het Nederlands Jeugdinstituut, in het bijzonder van de kennis uit het dossier ‘Pleegzorg’ en de volgende stukken:

  • Wat werkt in de pleegzorg? (De Baat & Bartelink, 2012)

  • Uithuisplaatsing, wat werkt? (Bartelink, 2011)

  • Wat werkt bij jeugdigen met een licht verstandelijke beperking? (Zoon, 2012)

… Meer

In aanvulling op de literatuur uit deze kenniscollecties is aanvullende literatuur geraadpleegd die de werkgroep heeft aangedragen. Het gaat daarbij niet alleen om onderzoeksliteratuur, maar ook om handboeken, werkwijzen of checklists die in de praktijk van de jeugdhulp en jeugdbescherming gebruikt worden. Er is veelvuldig gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethode, waarbij door het raadplegen van de referentielijst van al gevonden literatuur andere publicaties gevonden kunnen worden.

De werkgroep heeft in vier bijeenkomsten en vier mailrondes feedback gegeven op de literatuurselectie en de ontwikkeling van de teksten, conclusies en aanbevelingen. De tekst van de richtlijn is in vier commentaarrondes (twee bijeenkomsten en twee mailrondes) voorgelegd aan een klankbordgroep met betrokkenen bij de pleegzorg. Het gaat daarbij zowel om vertegenwoordigers van pleegouders, medewerkers van pleegzorgaanbieders, gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming.

De klankbordgroep had als taak aanvullende kennis aan te dragen vanuit de praktijk (in aanvulling op literatuur of in plaats van literatuur, daar waar evidence ontbreekt) en waar mogelijk en nodig differentiatie aan te brengen in de uitvoering van de richtlijn naar leeftijd, sekse en etniciteit, en in de toepassing van de richtlijn voor pleegkinderen met een licht verstandelijke beperking. Daarnaast is aan de leden van de klankbordgroep gevraagd de aanbevelingen te ‘vertalen’ zodat deze praktisch hanteerbaar zijn. Zie bijlage 1 voor de samenstelling van de werkgroep en klankbordgroep.

Aanvullende praktijkkennis is verzameld door gebruik te maken van kennis uit de Kenniskring Pleegzorg en door praktijkervaringen uit te vragen bij de leden van de werkgroep en de klankbordgroep. Ervaringen van cliënten zijn uitgevraagd bij de cliëntentafel (zie paragraaf 7: betrokkenheid van cliënten bij de ontwikkeling van de richtlijn).

Beoordeling van wetenschappelijk bewijsmateriaal

Om de kwaliteit van wetenschappelijk bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, is de systematiek van de Erkenningscommissie (Jeugd)interventies gevolgd (Van Yperen & Van Bommel, 2009). Deze methode is toegesneden op de onderzoekspraktijk die in de jeugdhulp en jeugdbescherming gangbaar is. Volgens deze methode worden bij de beoordeling van het wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’. De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEJ). Voor de beoordeling van studies die niet over interventies gaan, is een ander passend beoordelingskader gebruikt.

Betrokkenheid van cliënten bij de ontwikkeling van de richtlijn

Cliënten (ouders van jeugdigen die jeugdhulp (hebben) ontvangen) zijn gedurende het hele proces bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken geweest. Zo hebben ze hun voorkeuren aangegeven bij het bepalen van de uitgangsvragen. Daarnaast hebben ze tijdens de proefimplementatie hun ervaringen met het werken vanuit de richtlijn kenbaar gemaakt. Verder is er een werkgroep van ervaringsdeskundigen (de zogenaamde ‘cliëntentafel’) geformeerd. De cliënten zijn door het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) benaderd.

De cliëntentafel is tijdens de ontwikkeling van de richtlijn geraadpleegd als er vragen waren. Door mee te denken over inhoud en formulering hebben de cliënten een grote bijdrage geleverd aan de praktische bruikbaarheid van de richtlijn. Dit geldt met name voor aspecten als de ongelijkheid tussen hulpverlener en cliënt, de ouder- en opvoedingsrelatie en zorgen om de jeugdige. De cliëntentafel heeft geadviseerd om hulpverlening vanuit de richtlijn te baseren op gedeelde besluitvorming.

Om cliënten te informeren over de inhoud van de richtlijn, is voor ouders een cliëntversie van de richtlijn ontwikkeld, die van commentaar is voorzien door de cliëntentafel. De cliëntversie kan cliënten helpen om samen met de professional afwegingen te maken en beslissingen te nemen over de hulp die zij nodig hebben. Daarnaast is er een pleegouderversie (pdf) van de richtlijn ontwikkeld, die van commentaar is voorzien door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen.

Bijstelling en herziening van de richtlijn

Deze richtlijn is gebaseerd op de kennis die tijdens het schrijven beschikbaar was. Nu de richtlijn is uitgebracht, wordt informatie verzameld over het gebruik van de richtlijn. De zo verzamelde feedback, maar ook nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om de richtlijn bij te stellen. Het is gebruikelijk richtlijnen ongeveer eens in de vijf jaar te herzien, of eerder als daar aanleiding toe is.

Gedurende de looptijd van het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (tot en met 2015) zag de Stuurgroep Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming toe op de bijstelling van de richtlijnen. Momenteel voert het Nederlands Jeugdinstituut in opdracht van de beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW) het beheer en onderhoud van de richtlijnen uit.

Juridische betekenis van de richtlijn

Deze richtlijn beschrijft wat onder goed professioneel handelen wordt verstaan. De kennis die tijdens het schrijven van de richtlijn beschikbaar was, vormt hierbij het uitgangspunt. Het gaat over kennis gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook over praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Door deze kennis in kaart te brengen wil de richtlijn jeugdprofessionals houvast bieden. Het idee is dat zij de kwaliteit van hun beroepsmatig handelen vergroten als ze de richtlijn volgen. Ook kan de richtlijn cliënten helpen om de juiste keuzes te maken.

Richtlijnen zijn geen juridische instrumenten. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben, zoals een wet, of zoals regels die op een wet gebaseerd zijn. Ze kunnen wel juridische betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn allereerst door de beroepsgroep worden onderschreven. De nu voorliggende richtlijn is aangenomen door drie beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW). Deze zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Samen werken ze aan het ontwikkelen van richtlijnen. Maar de juridische betekenis van een richtlijn hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid. De richtlijn moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van de eigen verantwoordelijkheid van de professional overblijft. Kunnen jeugdprofessionals in de praktijk goed met de richtlijn uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de waarde van die richtlijn.

Uitgangspunt is dat richtlijnen door de jeugdprofessional worden toegepast. Ze vormen immers de uitdrukking van wat er in het werkveld door de beroepsgroep als goed professioneel handelen wordt beschouwd. Daarom worden ze ook wel een ‘veldnorm’ genoemd. Richtlijnen zijn dus niet vrijblijvend, maar ook geen ‘dictaat’. Dat wil zeggen dat ze niet bindend zijn: de jeugdprofessional kan ervan afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. De informatie in de richtlijn is namelijk niet het enige waarop de professional zich dient te baseren om tot goede zorg te komen. Hij dient ook de unieke situatie van de cliënt plus diens voorkeuren mee te wegen, en zich te houden aan wet- en regelgeving en het beroepsethische kader van zijn beroepsgroep. Correct gebruik van richtlijnen vooronderstelt dus het nodige vakmanschap.

Het is daarom van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren waarom hij van de richtlijn is afgeweken. Hij moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Om die reden moeten ze ook in het dossier worden opgenomen. Op deze manier kan de professional verantwoording afleggen over zijn beroepsmatig handelen. Niet alleen aan de cliënt, maar eventueel ook aan het Tuchtcollege.

In de onderbouwing van deze richtlijn staat een korte toelichting op een aantal juridische termen die relevant kunnen zijn voor de gebruiker van deze richtlijn. Daarnaast staat er in de onderbouwing een aantal wettelijke bepalingen over de privacy van pleegkinderen en hun ouders. Een handig hulpmiddel is de app ‘Info delen’ over het delen van informatie bij vermoedens van kindermishandeling.

Gedeelde besluitvorming

Het is van groot belang dat de jeugdprofessional ouders, pleegouders en jeugdige uitnodigt tot samenwerking en hen gedurende het hele hulpproces bij de besluitvorming betrekt. Actieve deelname van ouders, pleegouders en jeugdige bevordert namelijk het effect van de hulpverlening. Uitgangspunt is dan ook dat de wensen en verwachtingen van de ouders, pleegouders en jeugdigen leidend zijn. Hún ervaringen, hún kijk op de problematiek en de oplossing ervan vormen het uitgangspunt voor de afwegingen die de professional maakt.

Nu kunnen ouders, pleegouders en jeugdige pas echt als volwaardig partner meedenken en meepraten als zij voldoende geïnformeerd zijn. De richtlijn kan hierbij helpen. De professional bespreekt de richtlijn met ouders en jeugdige en wijst hen op het bestaan van een cliëntversie. Hij legt de stappen in het hulpproces uit op een manier die voor hen begrijpelijk is, houdt rekening met de emoties die zijn verhaal oproept en biedt ouders en jeugdige de ruimte om te reageren. Hij legt hun uit welke keuzemogelijkheden er zijn, om vervolgens samen na te gaan hoe zij tegen deze opties aankijken. Welke voorkeuren hebben ze en wat willen ze juist niet? Elke jeugdige heeft, ongeacht zijn leeftijd, het recht om zijn mening te geven. Aan deze mening wordt een passend gewicht toegekend: niet de leeftijd maar de capaciteiten van de jeugdige zijn leidend. Een jeugdige moet dan wel weten wat er aan de hand is. De jeugdprofessional hoort dus duidelijk uit te leggen wat er speelt, op een niveau dat aansluit bij de capaciteiten van de jeugdige.

In principe volgt de professional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige. Is de veiligheid van de jeugdige in het geding, dan kan dat mogelijk niet. De professional legt in zo’n geval duidelijk uit waarom hij een andere keuze maakt, en wat daarvan de consequenties zijn.

Zo komt er een proces van gedeelde besluitvorming (shared decision making) op gang. Professionals, ouders, pleegouders én jeugdige hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het hulpproces te laten slagen. Zij moeten dus samenwerken. Onder samenwerking wordt verstaan dat de jeugdprofessional:

  • luistert naar de verwachtingen en wensen van ouders en jeugdige. Deze zijn leidend in het hele proces. Maakt de professional een afwijkende keuze, dan legt hij uit waarom hij dat doet;

  • ouders en jeugdige (indien van toepassing met behulp van deze richtlijn) informeert wat wel en niet werkt bij bepaalde problemen;

  • ouders en jeugdige uitleg geeft over de verschillende stappen in het proces van diagnostiek en behandeling;

  • ouders en jeugdige verschillende hulpmogelijkheden voorlegt die van toepassing zijn op hun situatie; de voor- en nadelen van elke optie bespreekt (liefst door cijfers/feiten ondersteund); en nagaat welke voorkeuren ouders en jeugdige hierin hebben;

  • er voortdurend rekening mee houdt dat het ouders en jeugdige aan kracht, vaardigheden of inzicht kan ontbreken om optimaal van de aangeboden hulp gebruik te maken. Het expliciet delen van deze omstandigheden en pogen hierover (meer) gedeeld perspectief te krijgen, is noodzakelijk om samen tot een besluit te komen waarin ouders en jeugdige zich het best kunnen vinden;

  • niet alleen oog heeft voor de jeugdige, maar voor het hele gezin;

  • zich aanpast aan het tempo van ouders en jeugdige bij het doorlopen van het proces, tenzij de jeugdige acuut in gevaar is. In dat geval dient de jeugdprofessional uit te leggen waarom bepaalde stappen nu genomen moeten worden;

  • zich ervan vergewist dat ouders en jeugdigen begrijpen wat gezegd en geschreven wordt;

  • ouders bij een zorgsignaal zo snel mogelijk betrekt;

  • ouders, en waar mogelijk jeugdige, in een open sfeer uitnodigt tot samenwerking;

  • open en niet-veroordelend luistert naar het individuele verhaal van elke ouder en elke jeugdige;

  • open en niet-veroordelend luistert naar de problemen die ouders en jeugdige ervaren;

  • oog heeft voor de mate waarin ouders, en eventueel jeugdige, zich gestuurd voelen dan wel vrijwillig hulp hebben gezocht;

  • uitgaat van de kracht en motivatie van ouders om in de opvoeding bepaalde doelen te bereiken;

  • met ouders en jeugdige afstemt wat reëel en ‘goed genoeg’ is.

… Meer

Maar ook ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, werken naar beste kunnen mee. Dit houdt in dat zij:

  • zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het hulpproces te laten slagen;

  • zelf de regie hebben, mits zij het belang van de jeugdige (waaronder de veiligheid) voorop stellen;

  • bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional;

  • openstaan voor de kennis en ervaring van de jeugdprofessional;

  • vragen om advies, en proberen iets met dat advies te doen;

  • ondersteuning toestaan als zij zelf onvoldoende mogelijkheden hebben om een advies op te volgen;

  • op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;

  • eventueel om extra ondersteuning en/of een andere jeugdprofessional vragen;

  • zelf hun mening en ideeën naar voren brengen.

… Meer

Naast de ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, dienen ook de pleegouder(s) mee te werken. Dit houdt in dat zij:

  • zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het zorgproces te laten slagen;

  • bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional en de ouder(s);

  • op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;

  • de rol van de ouder(s) respecteert;

  • meewerkt aan het tot stand komen/behouden van een goede ouder-kind relatie.

… Meer

Gedeelde besluitvorming is dus zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader van toepassing. In het gedwongen kader kunnen er wel minder keuzeopties zijn, of kunnen er aan bepaalde keuzes andere voorwaarden of consequenties zijn verbonden. Dit maakt het hulpproces gecompliceerd, maar onderstreept het belang van een goede samenwerking.

Ouders en jeugdige dienen ook bij hulp in een gedwongen kader uitvoerig geïnformeerd te worden over de eventuele keuzemogelijkheden, de maatregelen die worden genomen, en over hun rechten en plichten hierin. De professional dient regelmatig te vertellen welke stappen er worden gezet en wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt.

De professional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Hij hoort hiervan aantekening te maken in het cliëntdossier.

Diversiteit

Om een goede werkrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met ouders van belang. Nu vinden niet alle ouders het even makkelijk hulpverleners te vertrouwen. De jeugdprofessional moet daarom voldoende tijd nemen om dit vertrouwen te winnen. Ook is het raadzaam er rekening mee te houden dat ouders een ander referentiekader kunnen hebben. Ze denken bijvoorbeeld dat de ziekte van hun kind een andere oorzaak heeft dan de professional denkt, of ze kijken anders tegen opvoeden aan. De jeugdprofessional hoort te onderzoeken met welke verwachtingen de ouders komen en zich bewust te zijn van de verwachtingen die hijzelf van de ouders heeft. Ouders kunnen ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding van hun kind. In zulke situaties is meer tijd nodig om het vertrouwen te winnen.

Er zijn ook ouders die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn, laag zijn opgeleid of een (licht) verstandelijke beperking hebben. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij hen niet voldoende aanwezig is. De jeugdprofessional doet er daarom goed aan te zorgen voor begrijpelijk voorlichtingsmateriaal, en voor een interventie te kiezen die aansluit bij de capaciteiten van zowel de ouders als de jeugdige.

Veranderingen in de zorg voor jeugd

Het kan voorkomen dat in de ene gemeente bepaalde interventies wel worden aangeboden en in de andere gemeente niet. Ook kan het aanbod binnen gemeenten per jaar verschillen. Bovendien kan het voorkomen dat aanbevolen interventies (voor onbepaalde tijd) helemaal niet beschikbaar zijn. Zoek in zo’n geval naar alternatief aanbod dat gericht is op beschermende of risicofactoren bij het gezin. Meld daarnaast lacunes in het hulpaanbod bij de manager van de instelling. Gebruik de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming daarbij als onderbouwing.

Leeswijzer

Deze richtlijn met bijbehorende werkkaarten (pdf) is bedoeld voor jeugdprofessionals die met het onderwerp van deze richtlijn te maken hebben. De richtlijn vormt de neerslag van een groter document, namelijk de ‘onderbouwing’ (pdf). Deze onderbouwing is apart te raadplegen. Voor cliënten en andere geïnteresseerden is een cliëntversie van de richtlijn gemaakt. Voor pleegouders is bovendien een pleegouderversie (pdf) van de richtlijn gemaakt. Beide zijn apart verkrijgbaar. Alle documenten zijn openbaar. Download alle materialen via de knop ‘Downloads’ rechtsbovenaan deze pagina.

In deze richtlijn wordt antwoord gegeven op vijf vragen in vijf hoofdstukken.

  • Het eerste hoofdstuk betreft de vraag hoe de ontwikkeling van een pleegkind optimaal kan worden gevolgd en gestimuleerd. Allereerst gaan we in op de beschermende en risicofactoren ten aanzien van de ontwikkeling van het pleegkind. Aansluitend bespreken we hoe de pleegzorgbegeleider de ontwikkeling van het pleegkind kan volgen en problemen tijdig kan signaleren. Vervolgens komt de begeleiding van pleegkinderen, ouders en pleegouders aan bod. Daarna gaan we in op interventies die de ontwikkeling van het pleegkind kunnen stimuleren en de problemen kunnen verminderen. We sluiten af met een set aanbevelingen voor de pleegzorgbegeleider. Hoewel dit hoofdstuk primair is bedoeld voor pleegzorgbegeleiders, kunnen ook gedragswetenschappers er hun voordeel mee doen. Zij hebben immers een ondersteunende functie richting pleegzorgbegeleiders, maar kunnen ook een taak vervullen in het volgen van de ontwikkeling van het pleegkind, het tijdig signaleren van problemen en het adviseren rond de inzet van interventies.

  • Het tweede hoofdstuk behandelt wat nodig is om een goed en tijdig besluit te kunnen nemen over het perspectief van het pleegkind. Daarbij komt aan de orde welke factoren invloed hebben op de besluitvorming, welke hulpmiddelen ingezet kunnen worden om de besluiten systematisch en onderbouwd te kunnen nemen en binnen welke termijn het besluit idealiter genomen moet worden. De aanbevelingen uit dit hoofdstuk zijn relevant voor jeugdzorgwerkers die in de volle breedte betrokken zijn bij de pleegzorg. Het gaat daarbij zowel om pleegzorgbegeleiders als om (gezins)voogden en gedragswetenschappers betrokken bij de pleegzorg of jeugdbescherming. Het is belangrijk dat de desbetreffende jeugdprofessionals samen bespreken wie voor de uitvoering van welke aanbevelingen verantwoordelijk is.

  • In het derde hoofdstuk staat de stabiliteit van de plaatsing centraal. Deze stabiliteit vormt een belangrijke beschermende factor als het gaat om de ontwikkeling van het pleegkind. Naast matching komen signalen die kunnen duiden op een mogelijke breakdown aan de orde, en de extra ondersteuning die ingezet kan worden om een breakdown te voorkomen. Ook gaan we in op de ondersteuning die kan worden geboden bij een overplaatsing. De aanbevelingen betreffen de begeleiding van pleegouders gericht op het bevorderen van een stabiele plaatsing en het tijdig signaleren van een mogelijke breakdown. Voor gedragswetenschappers is dit hoofdstuk ook relevant. Zij ondersteunen immers de pleegzorgbegeleiders en kunnen helpen problemen tijdig te signaleren en te adviseren over de inzet van interventies.

  • Het vierde hoofdstuk betreft de veiligheid van pleegkinderen. Specifiek gaat dit hoofdstuk over de preventie van kindermishandeling in het pleeggezin, de signalering ervan en de handelswijze daarbij. De aanbevelingen betreffen allereerst de voorbereiding van de plaatsing, en de screening en voorbereiding van de pleegouders.

    Verder doen we aanbevelingen ter preventie van kindermishandeling tijdens de plaatsing en gaan we in op de vraag hoe te handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling. Daarbij wordt ook verwezen naar de Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

    De aanbevelingen zijn bedoeld voor jeugdprofessionals betrokken bij de pleegzorg. Dit zijn zowel de pleegzorgbegeleiders als jeugdprofessionals die in het kader van de jeugdbescherming bij het pleegkind betrokken zijn. Gedragswetenschappers vervullen hierbij vooral een ondersteunende rol.

  • In het laatste hoofdstuk staat de samenwerking tussen ouders, pleegkind, pleegouders en professionals centraal. Juist in de pleegzorg is dit een belangrijk thema, omdat er vaak meerdere mensen bij het pleegkind betrokken zijn en ouders en pleegouders niet vanzelfsprekend een zelfde visie hebben op wat er nodig is. In het hoofdstuk komt allereerst de samenwerking tussen jeugdzorgwerkers en ouders en de ondersteuning van ouders aan de orde. Verder gaan we in op de samenwerking tussen ouders en pleegouders.

    Ten slotte is er aandacht voor de samenwerking tussen verschillende professionals die bij het gezin zijn betrokken (bijvoorbeeld een therapeut of leerkracht). De aanbevelingen uit dit hoofdstuk zijn relevant voor jeugdprofessionals die in de volle breedte betrokken zijn bij de pleegzorg. Het gaat daarbij zowel om pleegzorgbegeleiders als (gezins)voogden en gedragswetenschappers die zijn betrokken bij jeugdbescherming of pleegzorg.

… Meer

Elk hoofdstuk eindigt met een set aanbevelingen. De onderbouwing van deze aanbevelingen vindt u kort in het desbetreffende hoofdstuk terug. De uitgebreide onderbouwing kunt u vinden in de Onderbouwing bij de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming (pdf).

De ontwikkeling van het pleegkind volgen en stimuleren
Reageer!