Kindermishandeling

Als je je zorgen maakt

Stap 2: Overleg met andere professionals

Handel bij vermoedens of verdenking van kindermishandeling nooit alleen. Ga na welke andere professionals betrokken zijn bij het gezin. Vraag dit allereerst na bij de ouders of jeugdige zelf. Wanneer de jeugdige geregistreerd is in de VIR, zal bij een ‘match’ ook blijken of en welke andere professionals en organisaties betrokken zijn.

Overleg met relevante andere professionals, zowel intern met collega’s en de aandachtsfunctionaris kindermishandeling als met externen en Veilig Thuis.

Denk bij overleg met andere professionals aan:

  • Veilig Thuis (telefoonnummer: 0800-2000);

  • Jeugdbescherming (gezinsvoogdij);

  • Jeugdreclassering;

  • Sociale wijkteams (wijkteam, jeugdteam of jeugd en gezinsteam) – vaak inclusief de JGZ;

  • Politie (zeden)/OM (Openbaar Ministerie);

  • Raad voor de Kinderbescherming;

  • Huisarts;

  • Peuterspeelzaal, kinderopvang;

  • School;

  • Jeugd-ggz;

  • Algemeen maatschappelijk werk (schuldhulpverlening, relatieproblemen, huisvestingsproblemen, werk en inkomen) meestal ook in sociaal wijkteam;

  • Volwassenen ggz en psychiatrie, waaronder verslavingszorg;

  • Maatschappelijke opvang / vrouwenopvang (Blijf van m’n Lijf);

  • MEE bij lichamelijke en geestelijke beperking, chronisch zieken;

  • LECK (Landelijk ExpertiseCentrum Kindermishandeling) / FPKM (Forensische Polikliniek Kindermishandeling);

  • Centrum Seksueel Geweld;

  • Paramedici zoals logopediste, fysiotherapeut, diëtist, verloskundige etc.;

  • Medisch specialisten (waaronder tandartsen);

  • Werkers in de alternatieve geneeswijzen;

  • Professionals met een specifieke expertise zoals op het gebied van seksueel geweld, eergerelateerd geweld, loverboy-problematiek, huwelijksdwang.

… Meer

Multidisciplinaire aanpak kindermishandeling

Soms is het overleg met andere belangrijke instanties verankerd in een multidisciplinair samenwerkingsverband. Er zijn diverse initiatieven in het land die werken aan de ontwikkeling van een multidisciplinaire aanpak kindermishandeling, te weten:

  • Transmuraal Academisch Samenwerkingsverband Kindermishandeling (TASK) Amsterdam;

  • Transmurale Aanpak voor veilige Leefomgeving Kind (TALK) Utrecht;

  • Multidisciplinair centrum kindermishandeling Friesland;

  • Multidisciplinair Centrum aanpak Kindermishandeling (MDCK) Kennemerland;

  • Veilig Verder-team Den Haag;

  • Intersectorale aanpak van kindermishandeling in Gelderland.

… Meer

Alle zes werken multidisciplinair, in meer of mindere mate naar voorbeeld van de Amerikaanse Child Advocacy Centers.

In Kennemerland is daarbij tevens het ‘one-stop-shop–principe’ gerealiseerd waarbij op één locatie zowel medisch onderzoek als kindvriendelijk studioverhoor door de politie, psychodiagnostisch onderzoek en risicotaxatie worden uitgevoerd. Het team bestaat uit een samenwerkingsverband van professionals van diverse regionale organisaties zoals de ggz, de Jeug-ggz, MEE, de forensische polikliniek, kindergeneeskunde en de politie. Daardoor hoeven ouders en jeugdigen maar één keer hun verhaal te doen en kan er veel sneller toegewerkt worden naar een veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan. De uitgangspunten van deze geïntegreerde aanpak zijn als volgt:

  • de jeugdige staat centraal;

  • één jeugdige, één gezin, één (centrale) professional, één plan;

  • de aanpak richt zich op het hele gezin of systeem;

  • directe en zo compact mogelijke zorg;

  • de jeugdige en het gezin worden gevolgd om zeker te stellen dat het integrale behandelplan wordt uitgevoerd.

… Meer

Veilig thuis

Overleggen met en advies vragen bij Veilig Thuis over een casus kan op ieder moment in de meldcode maar ook eerder bij de allereerste zorgen. Overleggen is niet hetzelfde als het doen van een melding. Overleggen kan anoniem of met een geanonimiseerde casus. Veilig Thuis-medewerkers hebben kennis van signalen en risicofactoren en juridische kwesties, zij denken mee en geven tips. Overleg met Veilig Thuis of een situatie meldingswaardig is, gezien de zorgen die er zijn, en welke stappen dan van belang zijn te zetten. Ook indien er acuut gevaar dreigt en er direct gemeld moet worden, kan Veilig Thuis adviseren wie het best de melding kan doen, hoe te handelen en dit te bespreken met de ouders en eventueel jeugdige(n). In sommige situaties kan Veilig Thuis vooronderzoek doen om de urgentie van een casus te bepalen door te starten met informatie verzamelen bij andere instellingen of professionals, voordat of zonder dat de betrokkenen hiervan op de hoogte zijn.

Veilig Thuis werkt met een triage-instrument om een situatie te beoordelen op direct gevaar, op ernst van de onveiligheid en de complexiteit van de problematiek (zie deze paragraaf).

Veilig Thuis stelt, in samenwerking met andere betrokken professionals en indien mogelijk de ouders, een veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan op.

Raad voor de kinderbescherming

Het gedwongen kader komt pas in beeld wanneer er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling (en veiligheid) van de jeugdige en de ouders niet bereid of in staat zijn deze bedreiging met hulp op vrijwillige basis af te wenden. Veilig Thuis, de gemeente of de instelling die door de gemeente hiervoor is gemachtigd, doet dan een verzoek tot onderzoek aan de Raad voor Kinderbescherming. De Raad onderzoekt of een maatregel zoals een (voorlopige) ondertoezichtstelling ((V)OTS), al dan niet met een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Als dit het geval is wordt hierom bij de kinderrechter verzocht.

In ernstige en acute situaties waarin ouders de zorg niet kunnen of willen bieden die noodzakelijk is om de acute bedreiging van de ontwikkeling weg te nemen, moet een verzoek tot direct onderzoek of voorlopige maatregel bij de Raad voor de Kinderbescherming overwogen worden. Bij twijfel kan de Raad altijd voor advies of consult worden benaderd. Zie ook de Richtlijn Crisisplaatsing en de Richtlijn Uithuisplaatsing.

Politie

Wanneer door de signalen een vermoeden ontstaat van een ernstig misdrijf of een mogelijk strafbaar feit, moet overlegd worden met de politie (eventueel via Veilig Thuis). Overleg en overweeg altijd aangifte wanneer er sprake is van:

  • een mogelijk strafbaar feit;

  • ernstige vormen van lichamelijke kindermishandeling of lichamelijke verwaarlozing;

  • seksueel misbruik;

  • eergerelateerd geweld;

  • vrouwelijke genitale verminking;

  • huwelijksdwang.

… Meer

Overweeg ook aangifte als alleen daardoor de kindermishandeling tijdig en duurzaam gestopt kan worden, bijvoorbeeld als meer druk en bewijs nodig is. Bij twijfel over het overleggen met de politie: vraag advies aan Veilig Thuis. Het is ook mogelijk dat Veilig Thuis aangifte doet. Veilig Thuis kan aanvullende informatie navragen bij de politie over alle personen die direct betrokken zijn bij een melding.

Stem te ondernemen stappen dus af met de interventies van de politie indien er sprake is van een mogelijk strafbaar feit. Gesprekken met slachtoffer en getuige(n) kunnen namelijk het leveren van bewijs in een strafzaak belemmeren. Dit geldt zowel voor het spreken met de ouders als met de jeugdige. Omgekeerd kan de politie aanvullende informatie verstrekken die relevant is voor de jeugdprofessional om een veiligheids- en risicotaxatie te kunnen maken voor het gehele gezin.

Indien nodig kan de politie assisteren om de fysieke veiligheid van jeugdigen en jeugdprofessionals te bewaken bij een huisbezoek of een gesprek.

Wijs ouders op de mogelijkheid om aangifte te doen of op het bestaan van het ‘tijdelijk huisverbod’. Het tijdelijk huisverbod is een bestuursrechtelijke maatregel die de politie, onder verantwoordelijkheid van de burgemeester, kan opleggen aan een pleger van huiselijk geweld (waaronder ook kindermishandeling). Dit betekent dat de pleger gedurende tien dagen geen contact met het gezin mag hebben of in het huis mag komen. Deze kan verlengd worden met achttien dagen en daarna eventueel nog eens met achttien dagen. Een pleger krijgt met een tijdelijk huisverbod geen strafblad. Het doel is om verdere escalatie te voorkomen en direct in deze ‘afkoelperiode’ hulp voor het gezin in gang te zetten.

In Nederland bestaan er tevens zogenaamde ‘Veiligheidshuizen’ waarin politie, justitie, welzijn en zorg samenwerken rondom casuïstiek waarin de diverse domeinen een rol spelen. In de meeste Veiligheidshuizen maken huiselijk geweldsincidenten (waaronder kindermishandeling) een belangrijk deel uit van de casuïstiek. De jeugdprofessional kan overleggen met het Veiligheidshuis en/of zelf benaderd worden voor overleg over een casus.

Onderwijs

Het is goed als de jeugdprofessional contact onderhoudt met de scholen in de regio. Overleg of de school de signalen van mogelijke kindermishandeling herkent en welke rol school kan spelen zodra er een concreet vermoeden van kindermishandeling is (met inachtneming van de privacyregels).

Bij een vermoeden van kindermishandeling geldt: raadpleeg (in overleg met de ouders en eventueel de jeugdige) de leerkracht, intern begeleider, schoolpsycholoog of het schoolmaatschappelijk werk als de jeugdige in het primair onderwijs zit. Raadpleeg de mentor, zorgcoördinator of het schoolmaatschappelijk werk als het gaat om een leerling in het voortgezet onderwijs. Vraag naar het functioneren van de jeugdige op school. Denk daarbij aan schoolprestaties, sociaal-emotioneel functioneren, en aan problematiek zoals verzuim, pesten, agressie, teruggetrokken gedrag, verzorging en fysieke gesteldheid van de jeugdige. De jeugdverpleegkundige of jeugdarts vanuit de jeugdgezondheidszorg kan hiervoor ook een ingang zijn.

Tevens zijn aan scholen Multidisciplinaire overleggen (MDO) of andere overlegstructuren verbonden. Een psycholoog of orthopedagoog vanuit bijvoorbeeld het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs of een onderwijsadviesbureau (voorheen schoolbegeleidingsdienst) maakt deel uit van deze ondersteuningsstructuur, al of niet op afstand. Deze professional kan eveneens geraadpleegd worden of zelfs ingezet worden als onderdeel van de exploratiefase.

Jeugdgezondheidszorg (JGZ)

Bij de Jeugd-ggz werken jeugdverpleegkundige, jeugdarts en doktersassistent samen aan collectieve preventie van problemen rondom jeugdigen. De JGZ is ook kernpartner in de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). De JGZ maakt doorgaans deel uit van een sociaal wijkteam/jeugdteam/buurtteam en van het Multidisciplinair overleg (MDO) in het onderwijs. De JGZ is soms ook vertegenwoordigd in zogenaamde Vangnet/OGGz-teams (Openbare Geestelijke Gezondheidszorg) die bemoeizorg leveren aan dak- en thuislozen, zorgmijders en anderen in multiprobleemsituaties.

De JGZ signaleert, verheldert problemen, motiveert ouders, biedt lichte opvoedingsondersteuning en verwijst indien nodig. De JGZ is zeer goed op de hoogte van de regionale kaart en kan daarvoor ook laagdrempelig benaderd worden. De JGZ monitort de lichamelijke, sociaal-emotionele en psychische ontwikkeling van alle jeugdigen van nul tot negentien jaar via zogenaamde periodieke controles die landelijk zijn bepaald in het basispakket preventie JGZ dat alle gemeenten in Nederland uitvoeren. Deze consulten zijn intensief in de eerste vier jaar (consultatiebureau) en nemen daarna in frequentie af. Gemeenten kunnen daarnaast via een maatpakket aparte aanvullende afspraken maken met de JGZ, bijvoorbeeld over prenatale huisbezoeken van de jeugdverpleegkundige en programma’s zoals VoorZorg en Prenataal Stevig Ouderschap.

De jeugdverpleegkundige of -arts kan een jeugdige (en/of ouders) ook extra oproepen voor een gesprek of onderzoek op verzoek van bijvoorbeeld de school, leerplichtambtenaar, huisarts of de jeugdhulpverlening, en dan een huisbezoek doen. Afhankelijk van de casuïstiek en regionale afspraken daarover kan de jeugdarts ingeschakeld worden voor (een extra oproep voor) medisch onderzoek bij (vermoedens van) fysieke kindermishandeling of seksueel misbruik.

Jeugd-GGZ

De Jeugd-ggz (Geestelijke Gezondheidszorg) diagnosticeert en biedt hulp aan jeugdigen van 0 tot 23 jaar, met psychiatrische of psychosociale klachten die zodanig zijn, dat de jeugdigen daardoor in hun ontwikkeling worden bedreigd. De hulp kan intramuraal of ambulant zijn of via een vrijgevestigde psycholoog of -psychiater, (ortho)pedagoog of een hulpverlener van de gespecialiseerde Jeugd-ggz.

De beoordeling van de psychische gesteldheid van jeugdigen moet uitgevoerd worden door een gedragswetenschapper of (ggz-)deskundige. Bij vermoedens van kindermishandeling is het van belang om na te gaan in welke mate er sprake is van psychische schade en trauma bij de jeugdige ten gevolge van kindermishandeling. Daarnaast kan er sprake zijn van co-morbiditeit wanneer er tevens een psychiatrische aandoening is, of er gedragsstoornissen of psychische problemen zijn. Overleg hierover, met de behandelend specialist of therapeut en betrek de ouders hierbij. De Jeugd-ggz is tevens vertegenwoordigd in de multidisciplinaire traumacentra voor jeugdigen (TRTC) en multidisciplinair centrum kindermishandeling.

Informatie-uitwisseling

Met toestemming van de ouders en jeugdige vanaf zestien jaar mag altijd overlegd worden met relevante externe professionals. Dat wil niet zeggen dat gegevensuitwisseling met andere professionals alleen maar mogelijk is als ouders en eventueel jeugdige expliciet toestemming geven. In het belang van de jeugdige kan het soms nodig zijn om zonder toestemming, maar met medeweten van de ouders en eventueel jeugdige, informatie te vragen bij andere professionals en met hen te overleggen. Soms is het zelfs niet mogelijk om de ouders van tevoren te informeren in verband met de veiligheid van de jeugdige of de professional. Overleg dan met Veilig Thuis en noteer dit met beargumentering in het dossier.

Bij de afweging om privacygevoelige informatie zonder toestemming uit te wisselen met andere professionals is het van belang de volgende vragen te beantwoorden zoals beschreven in het Model samenwerkingsconvenant Verwijsindex:

  • Welk doel moet bereikt worden met het geven van de informatie?

  • Kan dit doel ook bereikt worden zonder de informatie te verstrekken?

  • Is echt al het nodige geprobeerd om toch toestemming te verkrijgen van de gezinsleden?

  • Weegt het gevaar of ernstig nadeel bij een van de gezinsleden (een of meer jeugdigen) wel op tegen het belang dat een ander gezinslid bij geheimhouding heeft?

  • Wie heeft de informatie echt nodig om het gevaar of het ernstige nadeel voor het gezinslid af te wenden? Welke informatie heeft die professional echt nodig?

… Meer

Jeugdprofessionals moeten dus goed weten onder welke omstandigheden zij wel en niet informatie over gezinnen mogen delen. Dat wil zeggen:

  • informatie verstrekken aan professionals die daarom vragen;

  • verzoeken om informatie bij andere professionals;

  • uitwisselen in multidisciplinair overleg.

… Meer

Hiertoe dienen:

  • het privacyreglement van de eigen instelling;

  • organisatie-afspraken en -protocollen;

  • de eigen beroepscode;

  • de Wet Bescherming Persoonsgegevens;

  • Burgerlijk Wetboek;

  • de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) – paragraaf beroepsgeheim;

  • de Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling;

  • Herziening kinderbeschermingsmaatregelen (14 november 2014);

  • de Jeugdwet, met onder meer:

    • meldrecht wanneer Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming om informatie vraagt;
    • wettelijk recht van Veilig Thuis om bij grote onveiligheid van jeugdigen ook zonder toestemming van de ouders (maar onderbouwd) informatie op te vragen.

… Meer

Let op: ten gevolge van de wetswijziging Herziening kinderbeschermingsmaatregelen (14 november 2014) heeft de gezinsvoogd/jeugdbeschermer per 2015 een eigenstandig recht op informatie. Op grond daarvan moeten artsen, verpleegkundigen en andere professionals met een beroepsgeheim desgevraagd en zonder toestemming van de betrokkenen een gezinsvoogd/jeugdbeschermer informatie verstrekken (spreekplicht). Dit geldt alleen als de informatieverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS). De wetswijziging maakt het juridisch ook mogelijk dat professionals met beroepsgeheim desgevraagd of uit eigen beweging, zonder toestemming en met doorbreking van de geheimhoudingsplicht de gezinsvoogd/jeugdbeschermer informeren (art. 7.3.11 lid 4 Jeugdwet 2015).

Bij vragen en dilemma’s over het beroepsgeheim en de informatie-uitwisseling kan altijd overlegd worden met Veilig Thuis.

Andere informatiebronnen zijn:

  • Het beroepsgeheim in samenwerkingsverbanden: een wegwijzer voor zorgprofessionals (2014) opgesteld door artsenfederatie KNMG, ggz Nederland, AJN (Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland), LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging), NIP (Nederlands Instituut van Psychologen), NVvP (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie), SVG (Stichting Verslavingsreclassering ggz), V&VN (Verplegenden en Verzorgenden Nederland) en VVAK (Vereniging Vertrouwensartsen Kindermishandeling): http://knmg.artsennet.nl/Nieuws/Overzicht-nieuws/Nieuwsbericht/147782/Beroepsgeheim-in-samenwerkingsverbanden-wat-mag-een-arts-delen.htm;

  • Handreiking gegevensuitwisseling in de bemoeizorg (ggz Nederland i.s.m. GGD GHOR Nederland en KNMG, 2014): ggznederland.nl/actueel/handreiking-gegevensuitwisseling-in-de-bemoeizorg-klaar;

  • Handreiking beroepsgeheim en politie/justitie (KNMG, 2012): http://knmg.artsennet.nl/Publicaties/KNMGpublicatie/62512/Handreiking-beroepsgeheim-en-politiejustitie-2012-1.htm;

  • een app over informatie-uitwisseling bij signalen van kindermishandeling tussen hulp- en zorgverleners en Veilig Thuis, gezinsvoogdij en de Raad voor de Kinderbescherming: app Info Delen (zie https://itunes.apple.com/nl/app/info-delen/id903359458?mt=8).

… Meer

Verder dient iedere jeugdhulp- en jeugdbeschermingsorganisatie te beschikken over een veilig (e-mail)systeem voor informatie-uitwisseling met andere betrokken instellingen.

Verwijsindex

De VIR is een landelijk digitaal systeem waarin alleen geautoriseerde professionals inzage hebben en een registratie op basis van het burgerservicenummer kunnen doen van jongeren tot 23 jaar met problemen. Ga na wie dit bij jouw organisatie is of zijn. De VIR koppelt persoonsgegevens van jeugdigen op hetzelfde adres en van kinderen van dezelfde ouders, waardoor eventuele signalen bij elkaar kunnen komen. Bij een ‘match’ wordt duidelijk welke professionals of politie of justitie bij de jeugdige en het gezin betrokken zijn. Er is dan nog geen inhoudelijke informatie-uitwisseling, er is alleen een signaal dát er meerdere professionals betrokken zijn. Zij kunnen dan vervolgens overleggen wat de beste aanpak is voor hulpverlening. Over de registratie van een jeugdige in de VIR moeten ouders (en jongeren vanaf 16 jaar) vooraf geïnformeerd worden, maar toestemming is daarbij niet nodig. De professional heeft een meldrecht (geen meldplicht) bij een ‘redelijk vermoeden’ dat ‘de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige daadwerkelijk wordt bedreigd’. Wanneer er een match blijkt met andere professionals of politie en justitie en men in overleg wil treden, is toestemming van de ouders of jeugdige (indien zestien jaar of ouder) vereist. Wanneer zij geen toestemming geven is er sprake van een ‘conflict van plichten’ en moeten professionals afwegen of zij hun beroepsgeheim moeten doorbreken in belang van de jeugdige (zie ook de Jeugdwet uit 2015 en de website www.handreikingmelden.nl).

Stap 3: Praat met ouder(s) en jeugdigen
Stap 1: De situatie in kaart brengen (exploratiefase)
Reageer!