Kindermishandeling

Als je je zorgen maakt

Stap 1: De situatie in kaart brengen (exploratiefase)

Breng de situatie in beginsel altijd in kaart in overleg met en bij voorkeur in het bijzijn van de ouders tenzij er gegronde redenen zijn om daarvan af te wijken (bijvoorbeeld wanneer daarmee reëel gevaar dreigt voor de jeugdige anders dan dat er sowieso zou bestaan in verband met kindermishandeling). Als er al een dossier bestaat of gegevens van externe professionals zijn overgedragen, ga dan na op welke terreinen er informatie ontbreekt (zie figuur 1) en hoe dit aangevuld kan worden, wie benaderd moet(en) worden om een totaalbeeld van de situatie te verkrijgen. Voorkom zo veel mogelijk dat ouders en jeugdigen hun verhaal meerdere keren moeten vertellen.

Informatie kan verkregen worden via:

  • bestaande dossiers;

  • navraag bij betrokkenen (ouders en zo mogelijk jeugdige, sociaal netwerk);

  • andere professionals (mogelijk via de Verwijsindex Risicojongeren, zie paragraaf 6.2);

  • observaties;

  • vragenlijsten, checklists.

… Meer

Ga na: wat is er aan de hand? Waaruit bestaan de zorgen en zijn deze levensbedreigend of niet, is er acuut gevaar? Welke risico’s bestaan er, wat is er nodig voor de jeugdige en ouders? Daarvoor is inzicht nodig in de gezinssituatie en het systeem daaromheen, de ouders als opvoeders en als persoon, de veiligheid binnen het gezin, de veiligheid van (stief)broertjes en -zusjes, de ouder-kindrelatie, evenals kennis van de ontwikkeling van de jeugdige en mogelijke psychische, fysieke en sociale problemen.

Naast inzicht in de dingen die niet goed gaan, is het voor het succes van de begeleiding of behandeling belangrijk te weten wat er wél goed gaat in het gezin en met de jeugdige, wat krachten van het gezin en het netwerk zijn die (kunnen) zorgen voor veiligheid, wat beschermende factoren zijn (zie hoofdstuk 4) en wat de mening van ouders en zo mogelijk de jeugdige is.

Figuur 1 geeft schematisch de domeinen en aspecten weer die nader in kaart gebracht moeten worden bij een vermoeden of verdenking van kindermishandeling. Daarbij is gebruik gemaakt van het Assessment model zoals door de Gezondheidsraad is weergegeven, aangevuld met elementen uit het Framework for the Assessment of Children in Need and their Families. Aan de basis ligt Bronfenbrenners Ecologisch model van gedragsverandering.

Figuur 1

Alle bevindingen bij dit verzamelen van informatie moeten zo objectief en concreet mogelijk vastgelegd worden in het dossier (dus: ‘Moeder is drie nachten in de week bij haar vriend, Pietje is dan alleen thuis en gaat zelfstandig naar school, moeder weet niet of hij ontbijt’). Eventuele verklaringen voor letsel, gedrag, psychische gesteldheid, veronderstellingen, overwegingen of hypothesen worden concreet weergegeven met vermelding van de bron (‘Volgens …’).

In navolging van onder andere Stanley en Mills spreken we liever van ‘risk analysis’ of ‘exploratie’ dan van ‘risk assessment’. Het gaat immers niet om een statische eenmalige activiteit waarin door de jeugdprofessional de risico’s worden vastgesteld, maar om een proces van in kaart brengen, zo veel mogelijk samen met alle gezinsleden, het sociaal netwerk en professionals.

Hierna bespreken we kort de verschillende domeinen en aspecten van deze exploratiefase.

1. Kijk naar de veiligheid

In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen risicotaxatie en veiligheidstaxatie.

Risicotaxatie heeft als doel mogelijke toekomstige risico’s in kaart te brengen zodat met effectieve hulp de kans op (herhaling van) kindermishandeling verkleind kan worden. Bij risicotaxatie wordt een inschatting gemaakt van kindermishandeling in de (nabije) toekomst of van de kans op herhaling. Risicotaxatie geeft antwoord op de vragen:

  • Wat kan er gebeuren?

  • Hoe waarschijnlijk is het dat dit gebeurt?

  • Hoe ernstig is het als dit gebeurt?

… Meer

Het doel van veiligheidstaxatie is om na te gaan in hoeverre er actueel, dus op dit moment, bedreigingen zijn in de veiligheid of ontwikkeling van de jeugdige. Leidend zijn daarbij de volgende vragen:

  • Is er sprake van acuut of direct gevaar voor de jeugdige?

  • Is er sprake van bedreigend nalaten of handelen van de ouders?

  • Zijn er signalen bij de jeugdige die wijzen op kindermishandeling?

  • Welke gevolgen heeft de kindermishandeling voor de jeugdige?

… Meer

Risicotaxatie-instrumenten

In Nederland worden momenteel de volgende instrumenten gebruikt om risico’s op kindermishandeling in te schatten. Geen van deze instrumenten zijn momenteel in voldoende mate wetenschappelijk onderzocht en op basis daarvan geschikt bevonden. Daarom kan niet specifiek één van onderstaande instrumenten aanbevolen worden voor gebruik.

  • CFRA (California Family Risk Assessment)

    CFRA (California Family Risk Assessment), door Hermanns vertaald, bestaat uit een vragenlijst voor de professional. Op basis van de score kan een objectieve inschatting worden gemaakt van de kans dat een jeugdige in de komende 18 tot 24 maanden binnen het gezin mishandeld of verwaarloosd wordt. Van der Elst, Sundeijker, Vogel, Jansen, en Hermanns hebben een beperkte valideringsstudie naar de CFRA gedaan en concluderen dat de CFRA “aantoonbare toegevoegde waarde heeft bij het inschatten van veiligheidsrisico’s voor jeugdigen”.

  • CARE-NL (Child Abuse Risk Evaluation

    CARE-NL (Child Abuse Risk Evaluation – Nederlandse versie: De Ruiter, Hildebrand, & Van der Hoorn, 2012) is ook een instrument waarmee de professional een risico-inschatting maakt. De CARE-NL wordt bij Veilig Thuis gebruikt. De Ruiter, De Jong, en Reus hebben een eerste verkennend onderzoek gedaan naar de CARE-NL en concluderen dat dit instrument mogelijk leidt tot een meer gestructureerde inschatting van de risico’s.

  • Delta Veiligheidslijst

    Delta Veiligheidslijst is een checklist voor gezinsvoogden om de huidige veiligheid van de jeugdige en het risico op kindermishandeling te beoordelen. De checklist is gebaseerd op de risicofactoren in de CARE-NL en maakt deel uit van de Deltamethode – een werkwijze voor de gezinsvoogdij ontwikkeld door Adviesbureau Van Montfoort. In de praktijk wordt de lijst ook gebruikt in andere settings binnen de jeugdhulp en jeugdbescherming. De validiteit van de Delta Veiligheidslijst is niet onderzocht (behalve als CARE-NL, zie vorige alinea).

  • LIRIK (Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid

    LIRIK (Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid) is een checklist voor vermoedens van kindermishandeling of anderszins onveilige opvoedingssituaties, en het inschatten van het risico op kindermishandeling in de nabije toekomst in gezinnen met een of meerdere kinderen van 0 tot 23 jaar. Uit onderzoek van Bartelink, Kwaadsteniet, Ten Berge, Witteman, en Van Gastel blijkt dat de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en voorspellende waarde van de LIRIK onvoldoende zijn. De onderzoeksuitkomsten kunnen volgens de onderzoekers verklaard worden door kenmerken van de LIRIK zelf, de implementatie van de LIRIK, kenmerken van de gebruiker (zoals de eigen opvattingen, ervaring met de LIRIK), de complexiteit van de problematiek en beperkingen van het onderzoek. Wel helpt de LIRIK professionals om gestructureerd te werken en oog te hebben voor risicofactoren voor kindermishandeling. De onderzoekers bevelen professionals aan om zich bij gebruik van de LIRIK bewust te zijn van de subjectiviteit van hun oordeel, en de veiligheid en risico’s samen met een collega en waar mogelijk de ouders in te schatten.

Doorgaans geven risicotaxatie-instrumenten een betere inschatting van de kans op kindermishandeling dan wanneer professionals zelf een inschatting maken. Dat is niet gebleken voor de LIRIK. Een risicotaxatie-instrument moet dus gezien worden als een hulpmiddel, geen wondermiddel. Het is belangrijk om je bewust te blijven van de subjectiviteit van een oordeel over de veiligheid van de jeugdige. Geen enkel instrument levert een harde voorspelling op over de vraag of kindermishandeling zich in het individuele geval in de toekomst zal voordoen.

Inzicht in veranderbare en beschermende factoren is daarnaast noodzakelijk voor een weloverwogen beslissing over de meest geschikte hulp.

Onderzoek laat overigens zien dat screenings- en risicotaxatie-instrumenten onbedoeld ook schadelijke effecten kunnen hebben als er te weinig aandacht is voor de implementatie en borging in de organisatie. Het gebruik van (vooral ICT) instrumenten kan volgens auteurs een doel op zich worden, onvoldoende de complexiteit van de problematiek belichten, schijnzekerheid bieden, onvoldoende gevalideerd blijken etc. Het is dus belangrijk dat een instrument zodanig is ingebed in het werkproces dat het kan worden ingezet en gebruikt zoals het bedoeld is.

Veiligheidstaxatie-instrumenten

Voor het vaststellen van de fysieke en emotionele veiligheid zijn er checklists zoals (het eerste deel van) de LIRIK en de Delta Veiligheidslijst. Deze checklists gaan aspecten na zoals:

  • fysieke, emotionele en/of seksuele mishandeling of misbruik;

  • basale verzorging en bescherming;

  • de affectieve relatie tussen ouder en jeugdige;

  • regelmaat, structuur en continuïteit in het gezin en huishouden;

  • toezicht van een volwassene;

  • het gevoel van veiligheid bij de jeugdige zelf;

  • veranderingsmogelijkheden van de ouders;

  • de kwaliteit van en steun uit het sociaal netwerk.

… Meer

Voor Veilig Thuis is het Triage-instrument Veilig Thuis in ontwikkeling. Doel van dit instrument is om “medewerkers handvatten te geven om te beoordelen welke spoed en expertise nodig is om in te grijpen ten einde de fysieke en emotionele veiligheid van gezinsleden direct en op termijn te borgen”.

Het Triage-instrument Veilig Thuis is bedoeld om iedere melding van (een vermoeden van) huiselijk geweld te beoordelen op direct gevaar, op ernst van de onveiligheid en de complexiteit van de problematiek, om vervolgens toe te kunnen leiden naar de specifieke expertise die nodig is om de veiligheid op maat te managen en op termijn risicogestuurde zorg te bieden’. Evaluatieonderzoek naar het Triage-instrument Veilig Thuis vindt plaats in 2015/2016.

Verder worden in de oplossingsgerichte benadering Signs of SafetyTM  zogenaamde schaalvragen gebruikt door zowel professionals als in gesprek met de ouders en jeugdige(n), bijvoorbeeld: ‘Geef aan op een schaal van 0 tot 10 hoe veilig het naar jouw idee is. Daarbij betekent 10 dat de zaak kan worden afgesloten omdat iedereen weet dat de situatie veilig is voor de jeugdigen; 0 betekent dat het zó onveilig is voor de jeugdigen dat ze (direct) uit huis geplaatst moeten worden.’

Schaalvragen zijn echter niet als een eigenstandig instrument voor veiligheids- en risicotaxatie te gebruiken omdat zij daarvoor onvoldoende informatie geven. Schaalvragen kunnen deel uitmaken van andere instrumenten zoals bijvoorbeeld het geval is bij het Triage-instrument Veilig Thuis.

Checklists zijn geen gevalideerde instrumenten; het zijn vooral hulpmiddelen en een geheugensteun. De Gezondheidsraad is van mening dat het belangrijk is de betrouwbaarheid en validiteit van dit soort instrumenten wetenschappelijk te onderbouwen.

Concluderend
Zolang niet duidelijk is welk instrument geschikt en betrouwbaar is, kan niet een specifiek instrument worden aanbevolen. Aanbevolen wordt om wel met een instrument voor veiligheids- en risicotaxatie te werken, omdat het aannemelijk is dat daarmee een betere inschatting wordt gemaakt dan zonder een instrument; er wordt dan meer gestructureerd gewerkt en een scala aan risicofactoren van kindermishandeling kan de revue passeren. Wees je daarbij bewust van de subjectiviteit van een oordeel en kom bij voorkeur tot een oordeel samen met een collega of andere professional, en waar mogelijk met de ouder(s) en/of jeugdige(n) zelf.

2. Kijk naar de algehele ontwikkeling van de jeugdige

Hoe is het met de algehele motorische, fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de jeugdige? Zijn de groeicurve en motoriek leeftijdsadequaat? Hoe is het met de gezondheid van de jeugdige? Heeft hij vriendjes? Hoe gaat het op school? Is er sprake van ziekteverzuim?

Wat zeggen de ouders hierover? Wat staat hierover in het dossier? Opvallende punten in de ontwikkeling kunnen aanwijzingen zijn voor eventuele problemen thuis of op school of voor nadere psychische en medische diagnostiek. Neem contact op met de huisarts en eventueel betrokken specialisten voor aanvullende informatie.

  • Fysieke gesteldheid

    Wanneer fysiek letsel, fysieke verwaarlozing en/of seksueel misbruik wordt geconstateerd of vermoed, is een nader medisch onderzoek door een arts aangewezen.

    • Overleg met het team (gedragswetenschapper, jeugdarts, (vertrouwensarts van) Veilig Thuis) en bepaal wie de aangewezen arts is voor een medisch onderzoek zodat de jeugdige maar één keer onderzocht hoeft te worden.
    • Afhankelijk van de ernst van de fysieke gesteldheid, de ernst van het vermoeden en de noodzaak tot snel handelen (liefst binnen 24 maar uiterlijk binnen 72 uur) zoals bij seksueel misbruik, moet verwezen worden naar een (gespecialiseerde) kinderarts, forensisch arts, of huisarts, al of niet in overleg met het LECK (Landelijk Expertisecentrum Kindermishandeling) of FPKM (Forensische Polikliniek Kindermishandeling)

    Bij het LECK en FPKM kan te allen tijde advies gevraagd worden over geconstateerd letsel en kunnen jeugdigen onderzocht worden op verdachte verwondingen en blauwe plekken, (oude) breuken, (oude) brandwonden, tekenen van seksueel misbruik of andere fysieke tekenen van mishandeling. Bovendien wordt medisch differentiaal diagnostisch onderzoek gedaan naar mogelijke andere medische oorzaken bij gevonden afwijkingen of een onderliggend lijden op grond waarvan signalen van kindermishandeling kunnen worden verklaard.

     

    • Ook zijn er in Nederland Centra Seksueel Geweld waar zowel professionals als slachtoffers advies en hulp kunnen krijgen. Zie: centrumseksueelgeweld.nl.
    • Bij de spoedeisende hulp (SEH) en ook bij andere afdelingen in ziekenhuizen wordt het zogenaamde SPUTOVAMO-formulier gebruikt om de uiterlijke kenmerken en letsels die signalen van kindermishandeling kunnen zijn, weer te geven.

     

  • Psychische gesteldheid

    Overleg met een terzake deskundige (gedragswetenschapper, schoolpsycholoog, ggz-professional) of bespreek de situatie in een casuïstiekoverleg (Multidisciplinair overleg, voorheen Zorg Advies Team, of Zorgbreedte-overleg). Mogelijk heeft de jeugdarts of schoolpsycholoog al een eerste inschatting gemaakt van het psychisch welbevinden van de jeugdige. Bepaal wie het beste de diagnostiek kan uitvoeren om de psychische gesteldheid van de jeugdige te beoordelen en te bepalen of en welke behandeling nodig is. Ook kan expertise ingeschakeld worden van een gespecialiseerd multidisciplinair traumacentrum voor jeugdigen (TRTC) of een multidisciplinair centrum kindermishandeling (zie paragraaf 6.2).

    De psychische gesteldheid van de jeugdige komt tot uiting in zijn gedrag en zijn sociaal-emotioneel functioneren. Jeugdigen zijn echter niet altijd even specifiek in het uiten van de schade die ze hebben opgelopen; er is dus niet altijd een duidelijke diagnose te stellen. Een voorbeeld hiervan is posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Het is van belang dat wordt gekeken of er signalen van trauma of PTSS zijn, door een zorgvuldige anamnese met de jeugdige en de ouders. PTSS-symptomen kunnen er heel verschillend uitzien, al naar gelang de leeftijd van de jeugdige:

    • Vanaf een jaar of zes kunnen lichamelijke klachten, slaapproblemen, nachtmerries en irrationele of dwangmatige gedachten wijzen op de aanwezigheid van een trauma.
    • Basisschoolleerlingen zullen soms in hun spel of in tekeningen gebeurtenissen uitbeelden die met een trauma te maken hebben.
    • Bij pubers en adolescenten kent een trauma dezelfde verschijningsvormen als bij volwassenen: angst, agressie, hulpeloosheid, afgrijzen en opgewonden gedrag komen voor, maar ook vermijding van prikkels, afvlakking van emoties, desinteresse, concentratieproblemen en verhoogde waakzaamheid. Jongeren kunnen nadrukkelijk doen alsof er niets aan de hand is (vermijding) en zich overgeven aan risicovol gedrag en excessief drank- of drugsgebruik (zie ook hoofdstuk 5).

     

    Het is dus belangrijk dat slachtoffers van kindermishandeling worden gescreend op de aanwezigheid of ontwikkeling van een trauma en of specifieke behandeling nodig is. Het protocol Classificatie Screening en diagnostiek beschrijft hoe professionals kunnen screenen op traumagerelateerde klachten. Daarbij worden drie globale stappen onderscheiden:

    • een interview met jeugdige en ouders waarin vooral wordt gevraagd naar belevingen en gedragingen van de jeugdige;
    • een kort (screenings)instrument;
    • de beslissing om de jeugdige wel/niet door te verwijzen.

    Op basis van de Kennissynthese Kinderen en jongeren met traumagerelateerde klachten in Nederland wordt jeugdprofessionals de volgende instrumenten aangeraden:

    • Children’s Revised Impact of Event Scale (CRIES-13; Children and War foundation, 1998; Nederlandse vertaling: Olff, 2005) bij vermoedens van trauma. De CRIES-13 is een zelf-invulvragenlijst voor screening op symptomen van PTSS. Deze korte vragenlijst is bruikbaar voor jeugdigen van acht tot achttien jaar, en is gevalideerd.
    • Voor het toetsen van een vermoeden van gedrags-, sociaal-emotionele of psychiatrische problemen buiten de geestelijke gezondheidszorg zijn er signalerende instrumenten zoals de Teacher’s Report Form (TRF), de Child Behavior Checklist (CBCL), de Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ – wordt in de Jeugdgezondheidszorg gebruikt) en de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Deze signalerende en diagnostische instrumenten zijn breed van opzet en kunnen problemen dan ook breed in kaart brengen. Zie ook de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

3. Kijk naar de beide ouders

De belangrijkste risicofactoren voor kindermishandeling zijn de factoren die betrekking hebben op de (beide) ouders. Het is dus van belang informatie te vergaren met betrekking tot beide ouders. Maak daarbij onderscheid tussen:

  • de ouder als persoon (bijvoorbeeld: hebben zij zelf (psychische of psychiatrische) problemen, een verslaving, hoe is hun temperament, zijn er agressieregulatie-problemen, hoe gaan zij om met psychische, psychiatrische en psychosociale problemen (‘coping’?);
  • de ouder als opvoeder (hoe is de interactie tussen ouders en jeugdige, is er toezicht, is er betrokkenheid met elkaar in het gezin, is er sprake van vechtscheiding?).

 

Beide punten moeten nagegaan worden; vaak zijn ze met elkaar verbonden.

Ga daarbij ook altijd na welke positieve, sterke kanten de ouders hebben, wanneer het goed gaat in het gezin, waar zij trots op zijn.

Er bestaan diverse gevalideerde vragenlijsten die de kwaliteit van de opvoeding in kaart brengt, zoals:

  • Pedagogische Variabelen Lijst bij gezinnen met een kinderbeschermingsmaatregel;
  • Gezinsvragenlijst bij gezinnen met kinderen van vier tot achttien jaar;
  • Opvoedingsbelasting vragenlijst bij gezinnen met kinderen van nul tot achttien jaar.

Daarnaast bestaat er de Zelfredzaamheidsmatrix om mee te beoordelen of er sprake is van acute problematiek, of het gezin op een aantal domeinen niet, beperkt, voldoende of volledig zelfredzaam is. Er is een supplement beschikbaar om het ouderschap van volwassenen te beoordelen die de verantwoordelijkheid hebben voor minderjarige jeugdigen.

Zie ook de Richtlijn Multiprobleemgezinnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

In 2014 is de zogenaamde Kindcheck toegevoegd als verplicht onderdeel aan de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit betekent dat zorgprofessionals die met volwassenen werken (en bijvoorbeeld agressief of riskant gedrag vertonen) altijd moeten nagaan of er bij hun cliënt minderjarigen wonen en dat zij zich ervan moeten vergewissen dat deze veilig zijn. De Kindcheck is ook van toepassing op zwangere vrouwen. Zie verder de Handleiding Kindcheck voor ggz en Verslavingszorg.

Zo wordt tegenwoordig door de politie en door de spoedeisende hulp (SEH) in steeds meer ziekenhuizen volgens de KNMG-Meldcode uit 2014 altijd een melding gedaan bij Veilig Thuis wanneer een volwassene met psychiatrische problematiek, zelfmoordpoging, geweldsproblematiek of verslavingsproblemen zich bij de SEH of de politie meldt en, bij standaard navraag, kinderen blijkt te hebben.

Als de ouder niet de pleger is
De jeugdprofessional gaat na in welke relationele context de vermoede kindermishandeling plaatsvindt. Welke rol spelen de ouder(s) daarbij? Zijn zij of is een van hen de pleger(s)? Zijn er andere familieleden betrokken of mensen van buiten de huiselijke kring? Zijn de ouders op de hoogte en in staat de jeugdige te beschermen?

De relatie tussen pleger en slachtoffer heeft consequenties voor de behandeling en begeleiding van jeugdige en gezin. Is een of zijn beide ouders betrokken bij de mishandeling of hebben de ouders de jeugdige onvoldoende kunnen of willen beschermen, dan zullen ook de ouders behandeld en/of begeleid moeten worden. Als zij niet de plegers zijn en voldoende bescherming bieden, is de jeugdige in beginsel veilig bij hen. Begeleiding van de ouders en/of behandeling van de jeugdige kan dan evengoed nodig zijn, maar is dan anders van aard.

4. Kijk naar de omgeving

Breng ook de sociaal-maatschappelijke en sociaal-economische factoren in kaart. Voor het gezin als geheel gaat het bijvoorbeeld om de buurt waarin het gezin woont, de voorzieningen, de veiligheid op straat, de huisvesting (adequaat of niet), het gezinsinkomen en het vermogen daarvan rond te komen, eventuele schulden en het sociale netwerk.

Realiseer je dat het vaak om statische factoren gaat die niet of nauwelijks te beïnvloeden zijn, en dat hulp daarbij gericht moet zijn op het hanteren van deze problemen. In de exploratiefase is het belangrijk om na te gaan hoe ouders en jeugdige omgaan met deze problemen en omstandigheden. Soms kan met praktische hulp (denk aan huisvesting, financiën, naschoolse opvang) worden voorkomen dat direct ingegrepen moet worden, doordat opgelopen spanningen beter hanteerbaar zijn geworden voor ouders.

Breng het sociale netwerk van de ouders, jeugdigen, en het gezin in kaart. Een sociaal netwerk betreft alle min of meer duurzame relaties die de ouders en jeugdigen hebben met andere personen (vrienden, buren, mantelzorger, sporttrainer, vrijwilligers en (uitgebreide) familieleden zoals ooms, tantes, neven en nichten die in niet-Westerse culturen vaak net zo belangrijk kunnen zijn), groepen (bv. voetbalteam, schoolklas, kerk of moskee) of instanties (bv. buurthuis, wooncoöperatie, hulpverlening). Denk ook aan relaties via sociale media.

Het gaat daarbij om het aantal relaties, de kwaliteit ervan, rol of functie, en de mate waarin men het gevoel heeft ‘erbij te horen’.

Het in kaart brengen van het sociale netwerk kan drie functies hebben:

  • het brengt informanten in kaart;
  • om de context van het gezin te leren kennen;
  • als ondersteuning bij een interventie. Deze ondersteuning kan op vier manieren worden geboden:
    • praktische ondersteuning;
    • psychologische of emotionele ondersteuning;
    • informatieve en voorlichtende ondersteuning;
    • normatieve ondersteuning (voorbeeld)functie.

 

De aanwezigheid van een sociaal netwerk is een beschermende factor voor ouders en kinderen (zie hoofdstuk 4). Dat geldt zowel voor gezinnen met als zonder veel problemen. Een sociaal netwerk kan kinderen beschermen, wanneer er problemen of risicofactoren aan de orde zijn. Doordat ouders en kinderen praktische of emotionele steun krijgen, is de kans kleiner dat opvoedingsproblemen escaleren en een kind in een problematische opvoedingssituatie komt. Gezinnen kunnen meer aan, als er mensen zijn die hen praktisch en emotioneel ondersteunen.

De jeugdprofessional kan het sociale netwerk op uiteenlopende manieren in kaart brengen: door hier gericht vragen over te stellen aan ouders en jeugdigen en door het te visualiseren met een sociogram, ecogram of netwerkkaart, of het drie-dimensioneel weer te geven met materiaal zoals Playmobil.

Er zijn vele varianten van eco- of sociogrammen. Het is gebruikelijk om het sociale netwerk weer te geven als een gelaagd model. Meestal wordt gewerkt met cirkels of ringen (zie het voorbeeld in figuur 2):

  • Het gezin, de naaste of soms juist uitgebreide familie, goede vrienden en buren vormen de binnenste ring.
  • Daaromheen bevinden zich vrienden, leden van de uitgebreide familie en collega’s die verder van het gezin af staan.
  • In de buitenste schil ten slotte staan groepen en instanties zoals de school, kerk, sportclub etc.

Figuur 2

Stap 2: Overleg met andere professionals
Stap 0: Overwegen: kàn er sprake zijn van kindermishandeling?
Reageer!