ADHD

Inleiding richtlijn ADHD

Deze richtlijn gaat over kinderen en jongeren met ADHD en hun directe omgeving, zoals het gezin en school. We spreken pas van ADHD wanneer iemand langere tijd, in verschillende situaties en al voor de leeftijd van twaalf jaar hyperactief en impulsief gedrag en/of problemen in de aandacht en concentratie vertoont én daardoor ernstige belemmeringen ondervindt.

Doelgroep

De richtlijn (inclusief onderbouwing, pdf en werkkaarten, pdf) is primair bedoeld voor jeugdprofessionals. Zij moeten ermee kunnen werken. Daarnaast is van de richtlijn een aparte cliëntversie gemaakt. Deze is primair bedoeld voor de cliënten: de jeugdigen en hun ouders.

Werkwijze

De Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming is ontwikkeld door de werkgroep. De werkgroep heeft de volgende uitgangsvragen geselecteerd waar de richtlijn een antwoord op geeft:

  • Hoe kan ADHD gesignaleerd worden? Welke instrumenten zijn geschikt voor signalering en screening van ADHD? Uit welke activiteiten bestaat het diagnostisch proces, wanneer jeugdigen worden aangemeld met een vermoeden van ADHD? (Uitgangsvragen Signalering, screening en diagnostiek)

  • Welk type interventie is het meest effectief voor welke leeftijdsgroep? Welke interventies zijn in welke behandelsetting het meeste geëigend? (Uitgangsvragen Interventies)

  • Hoe kunnen jeugdprofessionals het gezin en de school ondersteunen bij farmacotherapie? (Uitgangsvragen Interventies)

  • Wat is een passend pedagogisch klimaat voor jeugdigen met ADHD? (Uitgangsvragen pedagogisch klimaat)

  • Welke specifieke opvoedtechnieken voor beroepsopvoeders die jeugdigen met ADHD in de klas hebben of in groepsverband behandelen (dagbehandeling en residentieel) dragen bij aan verbeteringen in het functioneren van jeugdigen met ADHD? (Uitgangsvragen pedagogisch klimaat)

  • Hoe kunnen beroepsopvoeders het functioneren van jeugdigen met ADHD op school en in andere leefomgevingen bevorderen? (Uitgangsvragen pedagogisch klimaat)

  • Welke gedragsmatige, pedagogische en andere niet-farmacologische interventies voor jeugdigen met ADHD zijn, al dan niet met speciale aanpassingen, expliciet onderzocht op een van de volgende aspecten, en wat is er bekend over hun geschiktheid voor de doelgroep jeugdigen met ADHD? Het gaat hierbij om kenmerken van de jeugdige zoals etniciteit, geslacht, leeftijd, verstandelijk niveau, en comorbiditeit, en kenmerken van de ouders, zoals psychische problemen en ervaren opvoedcompetentie. (Uitgangsvraag Diversiteit).

… Meer

De beantwoording van deze uitgangsvragen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van cliënten.

Beoordeling van wetenschappelijk bewijsmateriaal

Om de kwaliteit van wetenschappelijk bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, werd bij deze richtlijn de Evidence Based Richtlijnontwikkeling (EBRO)-systematiek gevolgd. In latere richtlijnen is deze methodiek vervangen door de systematiek van de Erkenningscommissie (Jeugd)interventies, met name omdat deze beter toegesneden is op de onderzoekspraktijk die in jeugdhulp en jeugdbescherming gangbaar is. Volgens deze laatste methode worden bij de beoordeling van het wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’.

De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEJ). Voor deze richtlijn is gebruik gemaakt van een conversietabel om van EBRO-conclusies naar DEJ-conclusies te komen.

In deze richtlijn zijn in het hoofdstuk Signalering, screening en diagnostiek de kwaliteit van de conclusies gebaseerd op de kwaliteit van het onderzoekstype en waar van toepassing is gebruik gemaakt van de COTAN om het instrument zelf op kwaliteit te beoordelen.

In het hoofdstuk Interventies, behandeling en begeleiding is de kwaliteit van de uitkomsten van internationaal onderzoek deels gebaseerd op de GRADE methodiek. Interventies voor de jeugdige zelf zijn gebaseerd op de DEJ en beoordeeld door de Erkenningscommissie (Jeugd)interventies. In de volgende paragrafen volgt een korte beschrijving van de methodes van kwaliteitsbeoordeling.

Kwaliteit van onderzoekstype (Signalering, screening en diagnostiek)
De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met checklists van het evidence based richtlijnontwikkeling (EBRO)-platform die voor het betreffende onderzoekstype relevant zijn. Daarna zijn ze geordend naar methodologische kwaliteit. De hierbij gebruikte indeling is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel methodologische kwaliteit van individuele studies

Na een technische samenvatting van de wetenschappelijke bewijs volgt de klinisch inhoudelijke conclusie. Daarbij staat de belangrijkste literatuur vermeld waarop de conclusie gebaseerd is, inclusief het niveau van bewijs (tabel 1.2).

Tabel Niveau van bewijs van conclusies

COTAN
Voor signalerings- en screeningsinstrumenten wordt de COTAN geraadpleegd. De Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) van het NIP bevordert de kwaliteit van tests en testgebruik in Nederland. Verder informeert de COTAN testgebruikers over de stand van zaken op testgebied. De COTAN beoordeelt psychodiagnostische instrumenten (tests, vragenlijsten, observatieschalen enz.) met de volgende criteria:

  • Uitgangspunten van de testconstructie
  • Kwaliteit van het testmateriaal
  • Kwaliteit van de handleiding
  • Normen
  • Betrouwbaarheid
  • Begripsvaliditeit
  • Criteriumvaliditeit

Zie verder: http://www.cotandocumentatie.nl/

GRADE methode
Op basis van samengevatte literatuur (Systematic review met/zonder meta-analyse) is op het niveau van uitkomstmaat (bijvoorbeeld ADHD-symptomen) een inschatting gemaakt over de kwaliteit van het gevonden bewijs voor de effectiviteit van een interventie. Deze schatting is gemaakt met behulp van de volgende criteria:

  • Methodologische beperkingen individuele studies (risk of bias);
  • inconsistentie van resultaten tussen studies (heterogeniteit);
  • indirect bewijs (is het bewijs toepasbaar op de gehele doelgroep? En zijn interventies onderling vergeleken);
  • onnauwkeurigheid resultaten (is het resultaat gebaseerd op genoeg patiënten? Is de effectschatting betrouwbaar en klinisch relevant?);
  • publicatie bias.

Beoordeling Erkenningscommissie (Jeugd)interventies
Interventies die worden aangemeld bij de Databank Effectieve Jeugdinterventies, worden beoordeeld door Erkenningscommissie (Jeugd)interventies. Deze beoordeling wordt met name gedaan omdat deze beter toegesneden is op de onderzoekspraktijk van de jeugdhulp en jeugdbescherming. Volgens deze methode worden bij de beoordeling van het wetenschappelijke materiaal zeven niveaus onderscheiden. Deze lopen uiteen van ‘zeer sterk bewijs’ tot ‘zeer zwak bewijs’. De conclusies die uit de beoordeling van de wetenschappelijke studies voortvloeien, zijn weer in drie niveaus in te delen. Deze niveaus corresponderen met die van de Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEJ).

Betrokkenheid van cliënten bij de ontwikkeling van de richtlijn

Cliënten (ouders van jeugdigen die jeugdhulp (hebben) ontvangen) zijn gedurende het hele proces bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken geweest. Zo hebben ze hun voorkeuren aangegeven bij het bepalen van de uitgangsvragen. Daarnaast hebben ze tijdens de proefimplementatie hun ervaringen met het werken vanuit de richtlijn kenbaar gemaakt. Verder is er een werkgroep van deze ervaringsdeskundigen (de zogenaamde ‘cliëntentafel’) geformeerd. De cliënten zijn door het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) benaderd.

De cliëntentafel is tijdens de ontwikkeling van de richtlijn geraadpleegd als er vragen waren. Door mee te denken over inhoud en formulering hebben de cliënten een grote bijdrage geleverd aan de praktische bruikbaarheid van de richtlijn. Dit geldt met name voor aspecten als de ongelijkheid tussen hulpverlener en cliënt, de ouder- en opvoedingsrelatie en zorgen om de jeugdige. De cliëntentafel heeft geadviseerd om hulpverlening vanuit de richtlijn te baseren op gedeelde besluitvorming.

Om cliënten te informeren over de inhoud van de richtlijn, is voor ouders een cliëntversie van de richtlijn ontwikkeld, die van commentaar is voorzien door de cliëntentafel. De cliëntversie kan cliënten helpen om samen met de professional afwegingen te maken en beslissingen te nemen over de hulp die zij nodig hebben.

Bijstelling en herziening van de richtlijn

Deze richtlijn is gebaseerd op de kennis die tijdens het schrijven beschikbaar was. Nu de richtlijn is uitgebracht, wordt informatie verzameld over het gebruik van de richtlijn. De zo verzamelde feedback, maar ook nieuwe inzichten kunnen aanleiding zijn om de richtlijn bij te stellen. Het is gebruikelijk richtlijnen ongeveer eens in de vijf jaar te herzien, of eerder als daar aanleiding toe is.

Gedurende de looptijd van het Programma Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (tot en met 2015) zag de Stuurgroep Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming toe op de bijstelling van de richtlijnen. Momenteel voert het Nederlands Jeugdinstituut in opdracht van de beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW) het beheer en onderhoud van de richtlijnen uit.

Juridische betekenis van de richtlijn

Deze richtlijn beschrijft wat onder goed professioneel handelen wordt verstaan. De kennis die tijdens het schrijven van de richtlijn beschikbaar was, vormt hierbij het uitgangspunt. Het gaat over kennis gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook over praktijkkennis en de voorkeuren van cliënten. Door deze kennis in kaart te brengen wil de richtlijn jeugdprofessionals houvast bieden. Het idee is dat zij de kwaliteit van hun beroepsmatig handelen vergroten als ze de richtlijn volgen. Ook kan de richtlijn cliënten helpen om de juiste keuzes te maken.

Richtlijnen zijn geen juridische instrumenten. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben, zoals een wet, of zoals regels die op een wet gebaseerd zijn. Ze kunnen wel juridische betekenis hebben. Daarvoor moet de richtlijn allereerst door de beroepsgroep worden onderschreven. De nu voorliggende richtlijn is aangenomen door drie beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW). Deze zijn representatief voor de beroepsgroepen die werkzaam zijn in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Samen werken ze aan het ontwikkelen van richtlijnen. Maar de juridische betekenis van een richtlijn hangt ook af van diens praktische bruikbaarheid. De richtlijn moet bijvoorbeeld niet te vaag of te algemeen gesteld zijn. Hij dient aan te geven waarop hij precies betrekking heeft, zonder zo ‘dichtgetimmerd’ te zijn dat er weinig of niets van de eigen verantwoordelijkheid van de professional overblijft. Kunnen jeugdprofessionals in de praktijk goed met de richtlijn uit de voeten, dan zegt dat iets over de kwaliteit en daarmee de waarde van die richtlijn.

Uitgangspunt is dat richtlijnen door de jeugdprofessional worden toegepast. Ze vormen immers de uitdrukking van wat er in het werkveld door de beroepsgroep als goed professioneel handelen wordt beschouwd. Daarom worden ze ook wel een ‘veldnorm’ genoemd. Richtlijnen zijn dus niet vrijblijvend, maar ook geen ‘dictaat’. Dat wil zeggen dat ze niet bindend zijn: de jeugdprofessional kan ervan afwijken. Hij móet er zelfs van afwijken als daarmee – naar zijn oordeel – de belangen van de cliënt beter zijn gediend. De informatie in de richtlijn is namelijk niet het enige waarop de professional zich dient te baseren om tot goede zorg te komen. Hij dient ook de unieke situatie van de cliënt plus diens voorkeuren mee te wegen, en zich te houden aan wet- en regelgeving en het beroepsethische kader van zijn beroepsgroep. Correct gebruik van richtlijnen vooronderstelt dus het nodige vakmanschap.

Het is daarom van groot belang dat de beroepsbeoefenaar kan motiveren waarom hij van de richtlijn is afgeweken. Hij moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Om die reden moeten ze ook in het dossier worden opgenomen. Op deze manier kan de professional verantwoording afleggen over zijn beroepsmatig handelen. Niet alleen aan de cliënt, maar eventueel ook aan het Tuchtcollege.

Gedeelde besluitvorming

Het is van groot belang dat de jeugdprofessional de samenwerking aangaat met ouders en jeugdige, alle informatie met hen deelt en ‘behandel’-opties samen met hen weegt. Bij gedeelde besluitvorming is de professional vanuit een tijdelijke en ondersteunende positie ‘adviseur’ bij afwegingen en beslissingen die de cliënt over zijn leven neemt, en partner in het hulpverleningsproces. De ervaringen en verwachtingen van de cliënt en zíjn kijk op de problematiek en de aanpak ervan, horen hierbij leidend te zijn. Dat geldt ook bij kinderbeschermingsmaatregelen en gesloten jeugdzorg. De keuzevrijheid van cliënten is in die situaties beperkt, maar ook (of misschien zelfs júist) dan is het belangrijk zoveel mogelijk oog te blijven houden voor keuzes die zij nog wél hebben. Gedeelde besluitvorming leidt tot beter geïnformeerde cliënten en er zijn sterke aanwijzingen dat het leidt tot betere resultaten van de hulpverlening.

Ouders en jeugdige kunnen pas echt als volwaardig partner goed afgewogen keuzes maken over de hulp die zij nodig hebben, als zij voldoende geïnformeerd zijn. De richtlijn kan hierbij helpen. De professional bespreekt de richtlijn met hen en wijst op het bestaan van de cliëntversie. Hij legt de stappen in het hulpproces uit op een manier die voor hen begrijpelijk is, gaat na of het inderdaad begrepen wordt en of hij hen begrijpt, houdt rekening met de emoties die zijn verhaal oproept en biedt ouders en jeugdige de ruimte om te reageren. Hij legt hun uit welke keuzemogelijkheden er zijn, om vervolgens samen na te gaan hoe zij tegen deze opties aankijken. Welke voorkeuren hebben ze en wat willen ze juist niet? Elke jeugdige heeft, ongeacht zijn leeftijd, het recht om zijn mening te geven. Aan deze mening wordt een passend gewicht toegekend, waarbij niet de leeftijd maar de capaciteiten van de jeugdige leidend zijn. Een jeugdige moet dan wel geïnformeerd zijn. De jeugdprofessional hoort dus duidelijk uit te leggen wat er speelt, op een niveau dat aansluit bij de capaciteiten van de jeugdige.

In principe volgt de professional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige. Is de veiligheid van de jeugdige in het geding, dan kan dat mogelijk niet. De professional legt in zo’n geval duidelijk uit waarom hij een andere keuze maakt, en wat daarvan de consequenties zijn.

Zo komt er een proces van gedeelde besluitvorming (shared decision making) op gang. Professionals, ouders én jeugdige hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het hulpproces te laten slagen. Zij moeten dus samenwerken. Onder samenwerking wordt verstaan dat de jeugdprofessional:

  • luistert naar de verwachtingen en wensen van ouders en jeugdige. Deze zijn leidend in het hele proces. Maakt de professional een afwijkende keuze, dan legt hij uit waarom hij dat doet;

  • ouders en jeugdige informeert (onder andere met behulp van deze richtlijn) over wat wel en niet werkt bij bepaalde problemen;

  • ouders en jeugdige uitleg geeft over de verschillende stappen in het proces van diagnostiek en behandeling;

  • ouders en jeugdige verschillende hulpmogelijkheden voorlegt die van toepassing zijn op hun situatie; de voor- en nadelen van elke optie bespreekt (liefst door cijfers/feiten ondersteund); en nagaat welke voorkeuren ouders en jeugdige hierin hebben;

  • er voortdurend rekening mee houdt dat het ouders en jeugdige aan kracht, vaardigheden of inzicht kan ontbreken om optimaal van de aangeboden hulp gebruik te maken. Het expliciet delen van deze ‘omstandigheden’ en pogen hierover (meer) gedeeld perspectief te krijgen, is noodzakelijk om samen tot een besluit te komen;

  • niet alleen oog heeft voor de jeugdige, maar voor het hele gezin;

  • zich aanpast aan het tempo van ouders en jeugdige bij het doorlopen van het proces, tenzij de jeugdige acuut in gevaar is. In dat geval dient de jeugdprofessional uit te leggen waarom bepaalde stappen nu genomen moeten worden;

  • zich ervan vergewist dat ouders en jeugdigen begrijpen wat gezegd en geschreven wordt, en nagaat of hij hen goed begrepen heeft;

  • ouders bij een zorgsignaal zo snel mogelijk betrekt;

  • ouders, en waar mogelijk de jeugdige, in een open sfeer uitnodigt tot samenwerking;

  • open en niet-veroordelend luistert naar het individuele verhaal van elke ouder en elke jeugdige;

  • open en niet-veroordelend luistert naar de problemen die ouders en jeugdige ervaren;

  • oog heeft voor de mate waarin ouders, en eventueel de jeugdige, zich gestuurd voelen dan wel vrijwillig hulp hebben gezocht;

  • uitgaat van de kracht en motivatie van ouders om in de opvoeding bepaalde doelen te bereiken;

  • met ouders en jeugdige afstemt wat reëel en ‘goed genoeg’ is.

… Meer

Maar ook ouders, en indien van toepassing ook de jeugdigen, werken naar beste kunnen mee. Dit houdt in dat zij:

  • zelf de regie hebben, mits zij het belang van de jeugdige (waaronder de veiligheid) voorop stellen;

  • zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid en mogelijkheden om het hulpproces te laten slagen;

  • bereid zijn tot samenwerking met de jeugdprofessional;

  • openstaan voor de kennis en ervaring van de jeugdprofessional;

  • vragen om advies, en proberen iets met dat advies te doen;

  • ondersteuning toestaan als zij zelf onvoldoende mogelijkheden hebben om een advies op te volgen;

  • op tijd aangeven dat iets niet werkt of niet past;

  • eventueel om extra ondersteuning en/of een andere jeugdprofessional vragen;

  • zelf hun mening en ideeën naar voren brengen.

… Meer

Gedeelde besluitvorming is dus zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader van toepassing. In het gedwongen kader kunnen er wel minder keuzeopties zijn, of kunnen er aan bepaalde keuzes andere voorwaarden of consequenties zijn verbonden. Dit maakt het hulpproces gecompliceerd, maar onderstreept het belang van een goede samenwerking.

Ouders en jeugdige dienen ook bij hulp in een gedwongen kader uitvoerig geïnformeerd te worden over de eventuele keuzemogelijkheden, de maatregelen die worden genomen, en over hun rechten en plichten hierin. De professional dient regelmatig te vertellen welke stappen er worden gezet en wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt. De professional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen. Hij hoort hiervan aantekening te maken in het cliëntdossier.

Diversiteit

Om een goede werkrelatie te kunnen opbouwen, is goed contact met ouders en jeugdigen van belang. Nu vinden niet alle cliënten het even makkelijk om hulpverleners te vertrouwen. De jeugdprofessional moet daarom voldoende tijd nemen om dit vertrouwen te winnen.

Ook is het raadzaam er rekening mee te houden dat ouders en jeugdigen een ander referentiekader kunnen hebben. Zij kijken bijvoorbeeld anders aan tegen de problematiek of hebben andere opvattingen over opvoeden. De jeugdprofessional hoort te onderzoeken welke verwachtingen cliënten hebben van het contact en de hulp, en zich bewust te zijn van zijn eigen verwachtingen.

Ouders en jeugdigen kunnen ook weerstand hebben tegen de bemoeienis van (overheids)instanties bij de opvoeding. In zulke situaties is meer tijd nodig om het vertrouwen te winnen en een samenwerkingsrelatie op te bouwen.

Er zijn ook cliënten die niet goed met het gangbare schriftelijke materiaal uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld doordat ze de taal niet goed machtig zijn, laag zijn opgeleid of een (licht) verstandelijke beperking hebben. Zij kunnen ook moeite hebben met bepaalde interventies, omdat deze uitgaan van een taalvaardigheid en een abstractievermogen dat bij hen niet voldoende aanwezig is.

De jeugdprofessional doet er daarom goed aan te zorgen voor begrijpelijk voorlichtingsmateriaal, en voor een interventie te kiezen die aansluit bij de capaciteiten van zowel de ouders als de jeugdige.

Veranderingen in de zorg voor jeugd

Het kan voorkomen dat in de ene gemeente bepaalde interventies wel worden aangeboden en in de andere gemeente niet. Ook kan het aanbod binnen gemeenten per jaar verschillen. Bovendien kan het voorkomen dat aanbevolen interventies (voor onbepaalde tijd) helemaal niet beschikbaar zijn.

Zoek in zo’n geval naar alternatief aanbod en meld daarnaast lacunes in het hulpaanbod bij de manager van de instelling. Gebruik de Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming daarbij als onderbouwing.

Leeswijzer

De Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming (met bijbehorende werkkaarten) is bedoeld voor jeugdprofessionals die met het onderwerp van deze richtlijn te maken hebben. De richtlijn vormt de neerslag van een groter document, namelijk de ‘onderbouwing’. Deze onderbouwing is apart te raadplegen. Voor cliënten en andere geïnteresseerden is een cliëntversie van de richtlijn gemaakt. Ook deze is apart verkrijgbaar. Alle documenten zijn openbaar. Zie www.richtlijnenjeugdhulp.nl.

De richtlijn bestaat uit zes hoofdstukken, elk ingeleid met een of meer uitgangsvragen die in het hoofdstuk beantwoord zullen worden. Na de inleiding, in dit eerste hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2: Wat is ADHD? ingegaan op wat ADHD is. Daarbij worden zaken besproken als: hoe is ADHD te herkennen, hoe vaak komt het voor, hoe ontstaat het, en wat is het beloop gedurende de ontwikkeling?

In hoofdstuk 3: Signalering, screening en diagnostiek komen signalering, screening en diagnostiek van ADHD aan bod, aangevuld met de meest gangbare signalerings-, screenings- en diagnostische instrumenten.

Hoofdstuk 4: Interventies geeft een breed overzicht van de belangrijkste psychosociale interventies voor ADHD en informatie over de werkzaamheid ervan. Speciaal is aandacht besteed aan aandachtspunten voor de uitvoering in de praktijk en worden er aanbevelingen gedaan hoe de interventies het beste kunnen worden ingezet bij jeugdigen met ADHD. De omgeving van de jeugdige met ADHD, of dit nu het gezin, de school of de (semi)residentiële groepssetting betreft, heeft invloed op de ontwikkeling van die jeugdige. Vormgeving van een gezonde omgeving is dan ook uiterst belangrijk.

Daarnaast is samenwerking tussen gezin, school en jeugdprofessionals van groot belang. Deze onderwerpen komen in hoofdstuk 5: Pedagogisch klimaat uitgebreid aan de orde. Factoren die mogelijk invloed kunnen hebben op de werkzaamheid van een evidence based behandeling zijn bijvoorbeeld etniciteit, sociaal economische status, geslacht, leeftijd, intelligentie en comorbiditeit.

In hoofdstuk 6: Diversiteit wordt hierop ingegaan. Er zijn altijd jeugdigen die wel en jeugdigen die niet van een behandeling profiteren. Achterhalen of er bepaalde subgroepen zijn die meer of minder goed reageren op bepaalde evidence based interventies is dan ook van groot klinisch belang.

    … Meer

    Wat is ADHD?
    Reageer!