Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp

Het beslisproces

Samen met ouders en jeugdige beslissen

Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat minderjarigen, ongeacht hun leeftijd, recht hebben om hun mening te geven. Bij beslissingen die in het leven van jeugdigen genomen worden, dus ook over passende hulp, moet een passend gewicht aan hun mening gehecht worden (artikel 12 IVRK). Daarnaast is wettelijk vastgelegd dat ouders verplicht zijn om de ontwikkeling en het welzijn van hun kind te bevorderen (Burgerlijk wetboek 1, art 247). Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om hulp in te schakelen bij ouders wanneer jeugdigen zich onvoldoende ontwikkelen.

Zowel literatuur over jeugdhulp en jeugdbescherming als medische literatuur laat zien dat participatie van ouders en jeugdigen in de besluitvorming en het behandelproces effect heeft op de uitkomsten van de behandeling of zorg. In de medische wereld is ‘shared decision making’ ontwikkeld als methode om samen met patiënten beslissingen over zorg te nemen. ‘Shared decision making’ is gebaseerd op ‘evidence based practice’. Dat wil zeggen dat beslissingen gebaseerd zijn op de hoogst haalbare ‘evidence’ (wetenschappelijke kennis, praktijkkennis en cliëntvoorkeuren).

Daarom is het uitgangspunt van deze richtlijn dat jeugdprofessionals samen met ouders én jeugdige beslissen over de inzet van professionele hulp. Voor een duurzaam resultaat is nodig dat alle partijen een gedeelde visie krijgen op de vragen en/of problemen, dat de doelen en wensen van ouders en jeugdigen in het hulpverleningsproces voorop staan en dat de partijen gezamenlijk werken aan het verbeteren dan wel draaglijk maken van de situatie. Wanneer ouders én jeugdigen meebeslissen, heeft dit een positieve invloed op de behandeluitkomst. De richtlijn geeft hiervoor handvatten. Daarbij is enerzijds aandacht voor de processtappen en inhoudelijke afwegingen (wetenschappelijke inzichten, vakkennis en expertise van de professional) en anderzijds voor de houding en gespreksvaardigheden van de professional om beslissingen gezamenlijk met ouders en jeugdigen te nemen (cliëntvoorkeuren).

De dialoog vereist twee dingen van professionals. Enerzijds moeten zij hun handelen, overwegingen en beslissingen helder kunnen uitleggen en onderbouwen vanuit hun professionele expertise. Anderzijds moeten zij ouders en jeugdigen expliciet vragen naar hun mening, gedachten en ideeën. Dit resulteert erin dat genomen besluiten een combinatie van professionele expertise en ervaringsdeskundigheid van ouders en jeugdigen zijn. In een kenniskring met jeugdprofessionals is verkend wat beslissen in dialoog van professionals, maar ook van ouders en jeugdigen vraagt. De stappen in het proces zijn gebaseerd op de stappen van ‘shared decision making’ en zijn weergegeven in onderstaande tabel. Daarbij gaat het om samenhang, wederkerigheid en ruimte voor het proces dat ouders en jeugdigen nodig hebben om tot een gezamenlijk besluit te kunnen komen.

Stap in gezamenlijke Aandachtspunten en gesprekstechnieken voor de professional Wat kunnen ouders en jeugdige besluitvorming doen in het beslisproces?
Welkom
  • De professional heet de ouder en jeugdige welkom.
  • De professional legt de ouder en jeugdige uit dat hij op basis van gelijkwaardigheid wil werken.
  • De professional legt uit wat de bedoeling van het gesprek is en hij vraagt ouders en jeugdige of ze zich daarin kunnen vinden.
  • De professional stelt samen met de ouder en jeugdige de agenda voor het gesprek vast.
  • Ouders en jeugdige geven hun visie op het doel van het gesprek, zijn bereid op basis van gelijkwaardigheid met de professional te werken en zijn actief bij het bepalen van de gespreksagenda.
1. Vraagverheldering:

 

De professional vraagt welke vragen of problemen ouders en jeugdige ervaren.

  • De professional legt aan ouders en jeugdige het proces uit dat zij samen zullen doorlopen om een beslissing over de best passende hulp te nemen. Hij geeft ouders en jeugdige de gelegenheid hier vragen over te stellen en/of op basis van hun ideeën dit proces aan te passen.
  • De professional legt uit waarom hij bepaalde vragen stelt, zodat ouders en jeugdige de relevantie van bepaalde gegevens beter begrijpen en daardoor ook een betere bijdrage aan het gesprek kunnen leveren.
  • De professional vraagt ouders en jeugdige welke problemen zij ervaren. Om een indruk te krijgen van de last die zij van deze problemen hebben kan de professional een schaalvraag stellen. Ouders en jeugdige geven op een schaal van 1 tot 10 aan hoeveel last zij ervan hebben. Dit biedt ook een mogelijkheid om door te vragen hoe de situatie eruit zou zien als de schaal 1 punt hoger zou aanwijzen, wat ouders en jeugdige dan anders zouden doen. Zo kunnen ouders en jeugdige haalbare doelen stellen en nagaan hoe zij steeds meer grip op de situatie kunnen krijgen.
  • De professional heeft oog voor wat er goed gaat in het gezin en benoemt dit voor ouders en jeugdige. Door te vragen naar uitzonderingen op de problemen kunnen de professional, ouders en jeugdige inzicht krijgen in wat er goed gaat. Uitzonderingen zijn situaties waarin het probleem zich niet voordoet terwijl dat wel verwacht wordt. Een vraag die de professional kan stellen, is: ‘Wanneer zijn er momenten waarop het probleem er niet of minder is, en wat doet u op die momenten anders dan anders?’ De professional vraagt hierop tot in detail door, kan hierin het aandeel van de ouder en jeugdige (zijn vaardigheden, doorzettingsvermogen etc.) benadrukken en ouder en jeugdige complimenteren. Ouders en jeugdigen zien deze situaties vaak over het hoofd of menen dat ze niet ter zake doen.
  • Ouders en jeugdige blijven verantwoordelijk voor hun eigen leven en – in het geval van ouders – voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kind. Ouders en jeugdige gaan na hoe zij hun leven willen vormgeven en vragen ondersteuning wanneer zij vragen of problemen hebben.
  • Ouders en jeugdige kunnen uitleggen waar ze moeite mee hebben, welke problemen zij ervaren.
  • Door de vragen van de professional krijgen ouders en jeugdige meer zicht op hun vraag of probleem en ook op wat er goed gaat in het gezin.
2.    Probleem- en
krachtenanalyse:
2a. Eventueel brengt de professional samen met ouders en jeugdige met behulp van observatie of vragenlijsten de problemen verder in kaart.
  • De professional bekijkt met welke middelen de situatie het beste verder verkend kan worden.
  • Ouders en jeugdige geven hun kijk op de situatie weer.
2b. De professional bespreekt met ouders en jeugdige de problemen (bijvoorbeeld over wat het is, hoe het ontstaat, wat het in stand houdt, wat de mogelijke gevolgen ervan zijn en wat het betekent ten aanzien van verwachtingen naar de toekomst).
  • De professional gebruikt geen vaktermen of legt ze in begrijpelijke taal aan ouders en jeugdige uit.
  • De professional bespreekt met ouders en jeugdige de zorgen en problemen ten aanzien van de opvoeding en ontwikkeling (zorgsignalen).
  • Ouders en jeugdige kunnen om verduidelijking vragen wanneer zij de professional niet goed begrijpen.
2c. De professional gaat na of ouders en jeugdige de informatie begrijpen en welke vragen zij hebben.
  • De professional gaat na of voor hen de informatie herkenbaar is en of ze de betekenis delen.
  • De professional vraagt ouders en jeugdige of zij zich kunnen vinden in het beeld dat hij van de problemen schetst.
  • De professional nodigt ouders en jeugdige uit om actief met hem in dialoog te gaan om te komen tot een gedeeld verhaal.
  • Ouders en jeugdige kunnen aanvullende informatie geven dat het beeld van de professional over wat er aan de hand is aanscherpt.
  • Ouders en jeugdige dragen actief bij aan de oplossing van hun probleem door zaken in te brengen die voor hen van belang zijn.
3.   Doelen opstellen:
De professional vraagt ouders en jeugdige wat zij willen bereiken of veranderen.
  • De professional helpt ouders en jeugdige om een of meerdere doelen te stellen. De ‘wondervraag’ kan hierbij een hulpmiddel zijn. De wondervraag luidt: ‘Stel dat er vannacht, terwijl u slaapt, een wonder gebeurt. Het wonder is dat de problemen, waarvoor u hier zit, zijn opgelost. U weet het zelf niet, want u slaapt immers. Wat zou morgenochtend het eerste zijn waaraan u merkt dat het wonder gebeurd is?’ Deze vraag helpt ouders en jeugdige om te bedenken wat er in de plaats van het probleem moet komen.
  • Ouders en jeugdige kunnen de vragen over wat ze willen leren of bereiken en de ‘wondervraag’ bij voorkeur zo concreet mogelijk beantwoorden, waarbij ze de doelen in positieve en haalbare gedragingen verwoorden.
4.    Beslissen over hulp:
4a. De professional bespreekt welke oplossingen of behandelmogelijkheden er zijn, en wat de voor- en nadelen en verwachte resultaten hiervan zijn.
  • De professional informeert ouders en jeugdige in eenvoudige woorden welke mogelijke hulpvormen geschikt (effectief) kunnen zijn om hun vragen of problemen op te lossen.
  • Ouders en jeugdige dragen mogelijkheden aan waarvan zij denken dat die mogelijk geschikt voor hen zijn.
4b. De professional vraagt aan ouders en jeugdige hoe zij tegen de verschillende mogelijkheden aankijken en welke voorkeur zij hebben.
  • De professional vraagt ouders en jeugdige wat volgens hen kan helpen om goed om te gaan met de problemen.
  • De professional staat open voor de wensen en voorkeuren van ouders en jeugdige.
  • De professional neemt de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de problemen niet van de ouders over, maar helpt hen zelf beslissingen te nemen door vragen te stellen waarmee de ouders zicht krijgen op hun wensen en voorkeuren.
  • Ouders en jeugdige geven hun mening over de mogelijkheden die de professional aandraagt.
  • Ouders en jeugdige brengen hun eigen oplossingen en ideeën naar voren.
  • Ouders en jeugdige vertellen het de professional als een oplossing niet werkt of als zij die al (zonder succes) hebben geprobeerd.
4c. Gezamenlijk beslissen zij welke mogelijkheid het beste aansluit bij de vraag of het probleem, en hun voorkeuren.
  • De professional vat samen (of vraagt ouders en jeugdige om samen te vatten) wat er in het gesprek gezegd is, welke argumenten voor en tegen bepaalde behandelmogelijkheden naar voren zijn gekomen.
  • De professional vraagt aan de ouder en jeugdige of hij dit correct heeft samengevat.
  • De professional vraagt ouders en jeugdige wat hun conclusie op basis hiervan is of,  met andere woorden, welk besluit zij nu samen nemen. Dit verwoordt hij in zo concreet mogelijke en voor ouders en jeugdige begrijpelijke woorden.
  • Ter afsluiting kan het gesprek geëvalueerd worden: hoe kijken de gesprekspartners terug op het verloop van het gesprek? Zijn er nog vragen of onderwerpen die aandacht verdienen?
  • Ouders en jeugdige vatten samen wat er tot nu toe is besproken en geven een conclusie wat de voors en tegens van bepaalde hulpmogelijkheden zijn.
  • Ouders en jeugdige geven commentaar op de samenvatting van de professional.
  • Ouders en jeugdige dragen actief bij aan de evaluatie en benoemen eventueel nog openstaande vragen.

Over stap 4 beslissen over hulp:
In gezamenlijke besluitvorming conform de gevonden (medische) literatuur wordt geen aandacht geschonken aan de oplossingen die cliënten mogelijk zelf kunnen uitvoeren of samen met mensen uit hun sociale netwerk kunnen uitvoeren. Vanwege de waarde die de jeugdhulp hecht aan eigen kracht en de betrokkenheid van het sociale netwerk hebben we dit wel als aparte stap in de richtlijn opgenomen. Omdat de stappen in dit schema gebaseerd zijn op literatuur over gezamenlijke besluitvorming wordt het verkennen en mobiliseren van het sociale netwerk in dit schema niet beschreven.

Aandachtspunten in het beslisproces
Inhoudelijk kader voor besluitvormingsproces
Reageer!