Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp

Het beslisproces

Gedeelde besluitvorming bij hulpverlening in het gedwongen kader

Gedeelde besluitvorming is ook in het gedwongen kader van toepassing. Adriaenssens (2010) stelt dat met 80% van de gezinnen waar kindermishandeling speelt, goed te praten valt over de situatie in het gezin, de aanpak en de hulp. Gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader kan helpen om hulp op gang te brengen die beter aansluit bij de behoeften van gezinnen. Gedeelde besluitvorming bevordert namelijk de samenwerkingsrelatie en de intrinsieke motivatie en draagt bij aan de eigen regie van de ouders. Dit in tegenstelling tot het afdwingen van hulp of overtuigen, dat dikwijls tot weerstand leidt.

Gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader kan gecompliceerd zijn. Dat heeft verschillende redenen. In de eerste plaats kan het zijn dat gezinnen in eerste instantie geen eigen hulpvraag hebben, omdat ze door anderen gemeld zijn bij Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat ze nergens last van hebben; het kan zijn dat ze van andere problemen last hebben en dat die voor hen meer prioriteit hebben dan de gemelde problemen. In de tweede plaats kan het zijn dat gezinnen de hoop verloren hebben op verbetering van hun situatie doordat ze al heel lang met problemen kampen en weinig vertrouwen hebben dat ze zelf invloed op hun situatie kunnen uitoefenen. Het kan ook zijn dat ouders wel zelf hulp hebben gezocht, maar dat een vrijwillig traject niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Ten derde zijn ouders en jeugdigen wellicht al heel lang gewend aan een bepaalde – door professionals als onveilig gelabelde – situatie en ervaren zij die daarom niet als onveilig. Het kan óók zijn dat ouders en jeugdigen andere woorden aan dezelfde moeilijkheden geven dan professionals. Het lijkt mogelijk om ondanks deze complicaties tot gedeelde besluitvorming te komen, maar het vraagt extra tijd en aandacht van jeugdbeschermers.

Om tot gedeelde besluitvorming te komen zijn aandacht voor de samenwerkingsrelatie/alliantie, het opbouwen van vertrouwen tussen jeugdbeschermer en het gezin, en de voorgeschiedenis en motivatie van het gezin cruciaal. In het proces van gedeelde besluitvorming draagt elke partij – jeugdige, ouders, jeugdbeschermer, netwerk en andere betrokken professionals, zoals school – bij vanuit zijn eigen expertise. De expertise van het gezin zelf is belangrijk omdat gezinsleden vaak goede ideeën hebben over hoe het zo ver heeft kunnen komen in hun gezin, omdat ze ervaren hebben wat wel en niet voor hen werkt en omdat ze zelf het beste weten waar zij het meest behoefte aan hebben. Om tot goede besluiten te komen kan het familiegroepsplan ingezet worden (zie paragraaf Eigen mogelijkheden van het gezin verkennen en netwerk mobiliseren).

Gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader kan grenzen kennen. Een jeugdbeschermingsmaatregel geeft toegevoegd gezag aan een jeugdbeschermer, die randvoorwaarden, bodemeisen of doelen stelt aan de hulp. Dat kan maken dat er minder keuzes zijn voor ouders en jeugdigen. Dit maakt het hulpproces gecompliceerd, maar onderstreept de noodzaak van een goede samenwerking tussen professional en ouders en jeugdige. Belangrijk hierbij is dat de jeugdbeschermer ouders en jeugdige goed informeert over de eventuele keuzemogelijkheden, over de maatregelen die worden genomen en over hun rechten en plichten hierin. De jeugdbeschermer dient regelmatig te vertellen welke stappen er worden gezet, wat er van ouders en jeugdige verwacht wordt en welke keuzes zij binnen deze stappen kunnen maken. Oplossingsgericht sturen volgens vier oplossingsgerichte competenties (4 SFC model) kan daarbij behulpzaam zijn. In een oplossingsgericht stuurgesprek toont de professional echt begrip voor het perspectief van de ander en blijft vasthouden aan zijn doel of het overkoepelende doel. Hij toont dit begrip door te luisteren naar de bezwaren, deze samen te vatten in de woorden van de ander èn een oplossingsgerichte grondhouding te tonen.

De jeugdbeschermer moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen op grond van feitelijke informatie. Hij hoort hiervan aantekening te maken in het cliëntdossier. In het kader van gedwongen hulpverlening is het vaak noodzakelijk om extra aandacht te besteden aan (het versterken van) motivatie en het opbouwen van een positieve samenwerkingsrelatie.

Communicatie met ouders en jeugdigen in het gedwongen kader

Vertrouwen opbouwen heeft tijd nodig. In de jeugdbescherming geldt dat nog meer omdat veel ouders en jeugdigen teleurgesteld zijn geraakt in hulpverlening, slechte ervaringen hebben opgedaan en hun vertrouwen in mensen/hulpverleners beschadigd is. Ouders zijn bang dat hun kind uit huis geplaatst wordt. Dit hindert de samenwerking tussen de professional en ouders. Behulpzame gesprekstechnieken en methoden om tot gedeelde besluitvorming in het gedwongen kader te komen zijn Functional Family Parole/gezinsgericht casemanagement, Signs of Safety, familiegroepsplan, motiverende gespreksvoering, stem van de cliënt, en JIM. Deze methoden en gesprekstechnieken hebben met elkaar gemeen dat ze zich richten op de vraag en behoeften van het gezin en daar aansluiting bij zoeken.

Uit onderzoek blijkt dat veiligheidsvraagstukken in gezinnen professionals hinderen om transparant te communiceren met ouders en jeugdigen. Uit ander onderzoek blijkt dat opvoeders met een recente voorgeschiedenis met politieaanhoudingen, met een cognitieve of fysieke beperking, een geschiedenis van zelf mishandeld zijn, hoge stress, weinig sociale steun en/of een situatie van huiselijk geweld, minder werden betrokken bij het gezamenlijk maken van afspraken in de gezondheidszorg. Afstemming blijkt in mindere mate plaats te vinden in complexe en urgente situaties waarin (volgens het gezin of professionals) snel gehandeld moet worden. De paradox is dat afstemming met het gezin juist in deze situaties cruciaal is, omdat het leidt tot een betere analyse van de situatie en betere besluiten. In dergelijke gevallen moet de professional de (nood)situatie en wat nodig is juist inschatten in afstemming met het gezin.

Herhaaldelijk blijkt uit interviews met ouders en jeugdigen die met het gedwongen kader te maken hebben dat zij de samenwerking met hun hulpverleners belangrijk vinden. Ouders vinden het daarbij belangrijk dat er aandacht is voor wat zij als ouders zélf nodig hebben. Kinderen ervaren vaak dat keuzes voor hen gemaakt worden. Zij willen weten waar het op staat, waar ze aan toe zijn. Ze willen liever zelf keuzes maken. Daarnaast willen ze duidelijkheid en eerlijkheid. Het is belangrijk om niet te snel te denken in termen van ’weerstand’, maar in ‘we hebben meer gesprek nodig’. Elkaar begrijpen en leren kennen vraagt tijd. Het is belangrijk dat professionals steeds bij ouders en jeugdige nagaan of ze zich gehoord voelen en of zij vinden dat er voldoende rekening gehouden wordt met hun inbreng. Dat betekent dat regelmatige evaluatie van de gesprekken met ouders en jeugdigen nodig is, zodat voor iedereen helder is hoe de samenwerking en de samenwerkingsrelatie ervoor staan.

Participatie van jeugdigen binnen het gedwongen kader

Participatie is een recht voor alle kinderen (IVRK). Wettelijk is vastgelegd dat jongeren vanaf twaalf jaar mogen meebeslissen en toestemming moeten geven voor de behandeling die ze moeten ondergaan. Echter ook jongere kinderen kunnen al goed meedenken over belangrijke zaken die hen aangaan. Rekening houdend met hun leeftijd kunnen professionals al met kinderen vanaf ca. zes jaar in gesprek over hulp die in het gezin nodig is.

Betrokkenheid van jeugdigen in het besluitvormingsproces is belangrijk; hun gedachten, ideeën en wensen kunnen bijdragen aan betere beslissingen. Jeugdigen moeten kiezen of en hoe zij in het besluitvormingsproces betrokken willen zijn. Het is nodig dat professionals hierover met jeugdigen in gesprek gaan en hen goed informeren, zodat ze een weloverwogen keuze kunnen maken. et is belangrijk om niet voor de jeugdige te beslissen wat het belangrijkste voor hem/haar is. Het is óók belangrijk de keuze om wel of geen gesprek aan te gaan bij de jeugdige te leggen en niet voor hem in te vullen wat hij wil. De professional moet daarom duidelijk maken wat hij voor de jeugdige kan betekenen, zodat de jeugdige zelf keuzes kan maken.

Het is belangrijk dat professionals jeugdigen de gelegenheid geven om te praten, maar dat jeugdigen zelf bepalen wat ze vertellen en hoe ze dat doen. Jeugdigen willen graag terugkoppeling krijgen, weten wat er met hun ideeën gebeurd is en op de hoogte gehouden worden. Zij willen liever goed geïnformeerd zijn, ook al kan dat betekenen dat ze daardoor te horen krijgen dat iets niet doorgaat. Jeugdigen willen daarbij merken dat professionals hun verhaal gehoord en begrepen hebben, ook als er vervolgens een ander besluit genomen is. Ze willen weten wat er met hun verhaal gedaan is, hoe dat meegewogen heeft. Dat vraagt van professionals dat ze uitleggen dat ze geluisterd hebben (waarbij ze samenvatten wat ze van de jeugdige gehoord hebben), maar toch besluiten dat … belangrijk is, omdat… . Het gaat er dus om een heldere terugkoppeling te geven aan de jeugdige.

Jeugdigen willen ervaren dat professionals hun best voor hen doen. Verwachtingen managen is daarbij belangrijk. Professionals hebben de plicht om helder aan te geven wat ze wel en niet voor een jeugdige kunnen betekenen, terwijl ze tegelijkertijd laten merken dat ze hun best voor hen doen om samen de best passende hulp te vinden.

Traumasensitief werken met ouders en jeugdigen

Ouders met wie jeugdprofessionals in het gedwongen kader te maken krijgen, hebben vaak veel meegemaakt en kunnen kampen met de gevolgen van deze ingrijpende gebeurtenissen.

Ingrijpende gebeurtenissen, zeker als dat chronische traumatische ervaringen zijn, beïnvloeden de hersenen. Het alarmcentrum van de hersenen, de amygdala, van personen die veel meegemaakt hebben, staat vaak voortdurend op scherp. Deze mensen reageren dan ook veel sneller vanuit een vecht-, vlucht- of bevriesreactie. Dit kan zich uiten in extreme angst of boosheid.

In het gedwongen kader zijn talloze situaties te noemen die het alarmcentrum kunnen activeren.

Te denken valt aan:

  • het noemen van kindermishandeling of zorgen over de veiligheid;
  • (de mogelijkheid van) een melding bij Veilig Thuis;
  • het noemen van een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming of de mogelijkheid hulp af te dwingen via een ondertoezichtstelling;
  • het noemen van (de mogelijkheid) van een uithuisplaatsing.

De manier waarop een jeugdprofessional zich opstelt, hoe hij praat, is daarom van groot belang. Zijn opstelling kan het alarmcentrum triggeren of juist geruststellen. Adriaenssens (2010) pleit er daarom voor dat jeugdprofessionals ik-boodschappen geven, waarbij zij het ‘het probleem’ van vermoedens van onveiligheid of kindermishandeling bij zichzelf houden. Hij geeft het volgende voorbeeld.

Een arts kan bijvoorbeeld zeggen: “U komt met uw kind bij mij met deze brandwond en vertelt dat hij tegen de kachel is aangelopen. Nu heb ik een probleem: ik weet dat zo’n wond meestal niet op die manier ontstaat. Ik maak me dus zorgen over het ontstaan van deze verwonding. Ik vind het lastig om te zeggen, maar ik denk dat er geweld is gebruikt. Ik noem het kindermishandeling.”

Deze boodschap heeft volgens Adriaenssens (2010) een aantal effecten, namelijk:

  • de ik-boodschap heeft een kalmerende werking op de spanning en emoties die ouders sowieso voelen als een professional met hen praat over de veiligheid van hun kind;
  • de ik-boodschap maakt de professional persoonlijk aanspreekbaar, in plaats van dat hij zich beroept op een wettelijke basis;
  • door duidelijk en snel het woord kindermishandeling te laten vallen, begrijpen ouders en de jeugdige dat de professional de realiteit onder ogen ziet;
  • de boodschap draagt uit dat de professional niet boos is, maar wel verantwoordelijkheid neemt om de situatie aan te pakken.

Mensen die veel meegemaakt hebben, kunnen ook erg gevoelig zijn voor non-verbale signalen. Welke signalen dat zijn, hangt af van de ervaringen die zij hebben opgedaan. Daardoor kan het gebeuren dat ze heel sterk reageren op een voor de jeugdprofessional onwillekeurig en niets betekenend gebaar. Uitleg over de werking van de hersenen is daarom heel belangrijk, zodat deze mensen zelf óók begrijpen wat hun ervaringen in hen (hun hersenen) teweeggebracht hebben en betekenen voor hun huidige gedrag. Meer informatie is te vinden in de Richtlijn Signaleren van traumagerelateerde problemen.

Gedeelde besluitvorming bij integrale hulp
Instrumenten
Reageer!