Problematische gehechtheid

Oorzaken en kenmerken

Welke factoren beïnvloeden een problematische gehechtheidsrelatie?

Er zijn allerlei factoren die kunnen leiden tot een problematische gehechtheidsrelatie. Vaak is het een combinatie van omstandigheden die maakt dat de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind niet optimaal tot stand komt. We onderscheiden vier groepen risicofactoren voor het ontstaan van een problematische gehechtheidsrelatie. Doel van dit hoofdstuk is deze risicofactoren beter in kaart te brengen. Het betreft:

  • kenmerken en gedrag van de ouder
  • kenmerken van het jonge kind
  • stabiliteit en continuïteit in het contact tussen ouder en kind
  • gezins- en leefomstandigheden

Bovenstaande ‘groepen’ worden hieronder in aparte paragrafen verder toegelicht.

Kenmerken en gedrag van de ouder

Wanneer een ouder zelf een onveilig model van gehechtheid heeft, is de kans groot dat zijn zoon of dochter zelf ook een onveilige gehechtheidsrelatie ontwikkelt. Voor een groot deel vindt de overdracht van gehechtheid plaats door de mate waarin de ouder sensitief reageert op zijn kind. Het kan zijn dat de ouder zelf als kind problematisch gehecht was aan zijn ouders, en zodoende een basispatroon van wantrouwen en onzekerheid jegens anderen heeft ontwikkeld. Dat wantrouwen of die onzekerheid geeft de ouder onbewust door. De ouder reageert bijvoorbeeld niet of erg traag op huilen, negeert zijn kind al dan niet bewust of is hardhandig en ruw in de omgang met het kind.

Ook het onvermogen van een ouder om te kunnen mentaliseren/reflecteren, bedreigt de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie. Mentaliseren houdt in dat de ouder gevoelens en gedachten van het kind ziet, (h)erkent en benoemt. Een ouder die mentaliseert, verplaatst zich duidelijk in het perspectief van het kind en verwoordt dat ook. Zo helpt de ouder het kind een veilige gehechtheidsrelatie te ontwikkelen. De ouder geeft letterlijk taal aan de gevoelens van het kind en op die manier reguleert de ouder de gevoelens van het kind  ook.

Verder is de psychische gesteldheid van de ouder van belang voor de ontwikkeling van gehechtheidsrelaties. Factoren zoals depressie, psychiatrische problemen en verslavingsproblematiek kunnen de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie met een jeugdige bedreigen. Ook is het van belang dat ouders vertrouwen hebben in hun eigen kwaliteit als opvoeder. Opvoedingsonzekerheid en opvoedingsspanning hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van een gehechtheidsrelatie.

Een aparte risicofactor bij ouders is een licht verstandelijke beperking (LVB), die gekenmerkt wordt door een lage intelligentie in combinatie met een beperkt sociaal aanpassingsvermogen. Vaak zijn de opvoedingsvaardigheden van deze ouders beperkt omdat de ouder zichzelf overschat en zich slecht kan inleven in zijn kind, wat het vermogen om sensitief te reageren op zijn behoeftes ernstig belemmert. Dit verhoogt het risico op een problematische gehechtheidsrelatie bij de jeugdige. Een ouder met een LVB reageert  veelal te impulsief, te wispelturig of te veel op zichzelf gericht om een jong kind emotionele veiligheid te bieden. Dat maakt dat opvoedproblemen bij ouders met een LVB meestal groter worden als hun kind ouder wordt. Er zijn speciale interventies ontwikkeld voor ouders met een LVB, waarbij bestaande programma’s (zoals de VIPP SD) worden aangepast, al zijn de resultaten met deze interventie niet eenduidig. Voor het begeleiden van ouders met een LVB zijn aanbevelingen en tips te vinden in de tekst Wat werkt voor licht verstandelijk beperkte ouders?. Zie verder ook de Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming voor ouderinterventies.

Hoewel we hier allerlei kenmerken van de ouder hebben benoemd die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een problematische gehechtheidsrelatie, is het zeker niet de bedoeling ouders te ‘beschuldigen’. Zoals verderop in dit hoofdstuk aan de orde komt, kan een combinatie van verschillende factoren in jeugdige, ouders en omgeving leiden tot een problematische gehechtheidsrelatie. Ouders hebben vaak wel een gevoel van falen wanneer hun zoon of dochter een problematische gehechtheidsrelatie heeft. Benadruk als professional dat het niet  de schuld van de ouders is dat de jeugdige een problematische gehechtheidsrelatie heeft. Lees hierover meer in het hoofdstuk Preventie en interventie.

Kenmerken van het jonge kind

Eigenschappen van het jonge kind spelen een belangrijke rol in het ontstaan van een gehechtheidsrelatie met de ouder(s). Kinderen die te vroeg geboren zijn, huilen bijvoorbeeld harder en op een hogere toonhoogte dan voldragen kinderen. Dat kan irritatie oproepen. Ook een moeilijk temperament stelt hoge eisen aan de ouder. Kinderen met een moeilijk temperament reageren vaak heftiger op prikkels, zijn vaker in een negatieve stemming en hebben een minder regelmatig slaap-waakritme dan kinderen met een makkelijk temperament. Voor de ouders is het daardoor moeilijker om sensitief op signalen te reageren en soepel met het kind om te gaan. Toch kunnen kinderen die te vroeg geboren zijn of een moeilijk temperament hebben wel degelijk veilige gehechtheidsrelaties met hun ouder(s) ontwikkelen.

Zoals in het hoofdstuk Definitie aan de orde kwam, komt onveilige gehechtheid veel vaker voor bij jeugdigen met een autistische stoornis, ontwikkelingsstoornis en/of verstandelijke beperking. Nederlands onderzoek heeft laten zien dat een groot deel van hen een gedesorganiseerde/ verstoorde gehechtheidsrelatie heeft. Verondersteld wordt dat dit komt doordat gehechtheid niet alleen biologisch, maar ook cognitief bepaald is. Bij de vorming van een gehechtheidsrelatie ontwikkelt het kind een werkmodel van gehechtheid waarin verwachtingen ten aanzien van de ouder en zichzelf liggen opgeslagen. Voor kinderen met een autistische stoornis en/of verstandelijke beperking is het blijkbaar moeilijker om voorspelbare patronen over de ouder in het geheugen op te slaan.

Ook voor ouders van kinderen met een licht verstandelijke beperking (LVB) of ontwikkelingsstoornissen is het moeilijker om een veilige band op te bouwen met dat kind. Onderzoek laat zien dat deze kinderen minder en moeilijk afleesbare signalen afgeven, waardoor het voor ouders lastiger is om sensitief te reageren op het kind en positieve wederkerige interacties te hebben.

In het algemeen geldt overigens dat risicofactoren op het niveau van de jeugdige kunnen worden gecompenseerd door beschermende factoren op het niveau van de ouder(s) en gezin. Denk aan de aanwezigheid van veel sociale steun in het gezin: dit kan compenseren voor risicofactoren zoals vroeggeboorte of een moeilijk temperament. Andersom werkt het niet: risicofactoren op het niveau van de ouder(s) kunnen niet gecompenseerd worden door beschermende factoren op kindniveau. Om die reden drukt de ouder een zwaarder stempel op de ontwikkeling van een gehechtheidsrelatie dan de jeugdige.

In al deze vier situaties is de gehechtheidsfiguur zowel een bron van steun (zoals normaal bij gehechtheidsfiguren) als een bron van angst voor het kind. Stapelen de risicofactoren zich op, dan is dat stressvol en mogelijk traumatisch voor de ouder. Daardoor kan de ouder op bepaalde momenten zozeer ‘opgeslokt’ zijn door zijn eigen leed dat hij niet reageert als zijn kind nabijheid of steun zoekt. In plaats van zijn kind te troosten, reageert de ouder bijvoorbeeld extreem passief. Dat roept weer angst op bij de jeugdige, hetgeen kan leiden tot een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

Stabiliteit en continuïteit in het contact tussen ouder en kind

Voor het ontstaan van een veilige, niet-problematische gehechtheidsrelatie is continuïteit in het contact tussen ouder en kind van belang. Wanneer jonge kinderen vaak en veel te maken hebben met wisselingen van opvoeders, bemoeilijkt dit het opbouwen van een veilige relatie.

Ook een ziekenhuisopname van het kind op jonge leeftijd, of conflicten tussen ouders onderling (zoals bij een ‘vechtscheiding’) kunnen een bedreiging vormen. Kinderen die  in hun eerste levensjaren een ‘vechtscheiding’ tussen beide ouders hebben meegemaakt, lopen een verhoogd risico een problematische gehechtheidsrelatie te ontwikkelen.

Leeftijd waarop een kind geadopteerd wordt is van belang voor gehechtheidsrelatie

Een problematische gehechtheid (vooral de gedesorganiseerde, verstoorde vorm) komt vaker voor bij jeugdigen die geadopteerd zijn en/ of opgroeien in een pleeggezin. Maar de leeftijd waarop ze worden geadopteerd is wel van groot belang. Kinderen die na hun eerste verjaardag worden geadopteerd (op de leeftijd dat zij al een eerste gehechtheidsrelatie hebben opgebouwd) zijn vaker onveilig gehecht dan kinderen die niet geadopteerd zijn. Juist deze kinderen hebben vaak langere tijd in een instelling doorgebracht, en relatief veel geadopteerde kinderen ontwikkelen een gedesorganiseerde gehechtheid (ruim dertig procent, in tegenstelling tot vijftien procent in groepen van niet-geadopteerde kinderen). Wanneer de adoptie vóór het eerste levensjaar plaatsvindt, is er geen verschil in gehechtheid tussen geadopteerde en niet-geadopteerde kinderen. Uiteraard blijft alertheid op de gehechtheidsrelatie wel altijd geboden.

Langdurige afwezigheid van de ouder

Soms is een ouder langdurig afwezig, wat afbreuk doet aan de continuïteit in het contact tussen ouder en kind. Jaarlijks horen naar schatting 30.000 jeugdigen dat hun ouders gaan scheiden. Driekwart van de echtscheidingskinderen woont na de scheiding bij hun moeder. Slechts een kwart van de echtscheidingsgezinnen kiest voor co-ouderschap, dus voor veel jeugdigen verdwijnt hun vader voor korte of langere periode meer naar de achtergrond. Naast echtscheiding kan een opname in een ziekenhuis of GGZ- instelling de oorzaak zijn van een langdurige afwezigheid van de ouderfiguur. Uit Amerikaans onderzoek blijkt geen eenduidige samenhang tussen het vóórkomen van echtscheiding en een problematische gehechtheidsrelatie. Het effect van echtscheiding of een ziekenhuisopname op de gehechtheidsrelatie van de jeugdige wordt door allerlei factoren bepaald, zoals de relatie met de ouders vóór de scheiding of opname, de manier waarop ouders met elkaar omgaan, en de hoeveel contact die de jeugdige met beide ouders onderhoudt.

Verondersteld wordt dat hoe jonger de jeugdige is als één van beide ouders langdurig uit beeld verdwijnt, hoe meer impact de afwezigheid van de ouder heeft op de gehechtheidsrelatie.

Naar schatting 25.000 jeugdigen in Nederland hebben een ouder in detentie. Bij detentie is de ouder niet alleen afwezig, maar jeugdigen ervaren ook verdriet, boosheid, schaamte, gemis en eenzaamheid vanwege die detentie. Veel van deze jeugdigen ontwikkelen emotionele, gedrags- en/of leerproblemen die soms tot in de volwassenheid voortduren. Amerikaans onderzoek heeft laten zien dat veel van deze jeugdigen een onveilige of gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie met de gedetineerde ouder hebben. In de meta-analyse van Murray et al. (2012) worden als oorzaken genoemd: de plotselinge scheiding van de ouder, een slechte communicatie over de detentie, of een gebrek aan een veilige hechtingsfiguur.

Voor jonge kinderen (van nul tot zes jaar) kunnen de gevolgen van detentie van de ouder – met name de moeder – groot zijn. Verondersteld wordt dat een instabiele en chaotische opvoedsituatie als gevolg van afwezigheid van moeder kan leiden tot een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie. Ook schoolgaande kinderen en adolescenten hebben te lijden onder de mogelijke veranderingen die plaatsvinden als gevolg van de detentie, bijvoorbeeld een wisseling van school- of thuisomgeving. Financiële moeilijkheden, onzekerheid, schaamte, sociale isolatie, en geheimhouding zijn factoren die het welzijn van de jeugdige in de weg staan. Beschermende factoren zijn onder andere steun vanuit het sociale netwerk en de veerkracht van de jeugdige.

In Nederland hebben justitiële instellingen voor gedetineerde ouders bezoekregelingen en speciale ouder- en kindprogramma’s ingericht, zodat de jeugdige contact kan onderhouden met de gedetineerde ouder. In de VS is onderzoek gedaan naar effecten van dergelijke bezoekregelingen – die mogelijk wel verschillen van de Nederlandse situatie – maar de onderzoeksresultaten zijn niet eenduidig: een gevangenisbezoek kan gevoelens van onveiligheid bij de jeugdige vergroten (Dallaire, 2007), anderzijds draagt een gebrek aan contact bij aan vervreemding (Shlafer & Poehlmann, 2010). Het is daarom in geval van detentie belangrijk om het belang van de jeugdige in de gaten te houden, goed te kijken naar de omstandigheden die het welzijn van de jeugdige bevorderen, en de jeugdige goed te informeren over de detentie (Poehlmann, 2010). Lotgenotencontact kan ook helpen.

Concluderend: wat de oorzaak van de afwezigheid ook is, alle jeugdigen zijn gebaat bij voldoende informatie over de afwezigheid van de ouder. Bij voorkeur kan de jeugdige contact onderhouden met de afwezige ouder. In geval van detentie moet wel rekening gehouden worden met de veiligheid van de jeugdige.

Gezins- en leefomstandigheden

Verschillende gezinskenmerken kunnen van invloed zijn op de relatie tussen ouder en kind. Denk aan relatieproblematiek tussen opvoeders, financiële problemen of een gebrek aan regelmaat en structuur in het gezin. Uit onderzoek blijkt dat wanneer sprake is van opeenstapeling van vijf verschillende sociaaleconomische risico’s (zoals armoede, alleenstaand ouderschap, werkloosheid), er dan bij de jeugdigen in deze gezinnen een verhoogde kans bestaat op een problematische gehechtheidsrelatie. Ouders die zorgen hebben over hun inkomen, over werkloosheid, discriminatie en/of huisvesting zijn soms onvoldoende in staat om sensitief op hun kind te reageren.

Het is niet verwonderlijk dat kindermishandeling een grote invloed heeft op de gehechtheidsrelatie. Wordt een kind mishandeld, dan raakt het verzeild in een onoplosbare paradox (‘angst zonder oplossing’). De gehechtheidsfiguur is zowel een bron van troost en veiligheid als een bron van angst. Onderzoek laat zien dat kinderen en jongeren die mishandeld worden vaker onveilig gehecht zijn dan jeugdigen die niet worden mishandeld. Kindermishandeling vormt dus een groot risico voor het ontwikkelen van een problematische gehechtheidsrelatie.

Complexe trauma’s en trauma-sensitief opvoeden

Onder een ‘complex trauma’ verstaan we het ervaren van meervoudige, chronische en aanhoudende traumatische gebeurtenissen die nadelig zijn voor de ontwikkeling van een jeugdige, zoals verwaarlozeing, misbruik of mishandeling. Trauma’s bij een jeugdige gaan vaak samen met een problematische gehechtheidsrelatie, waarbij niet altijd duidelijk vast te stellen is wat oorzaak en wat gevolg is. Wanneer een jeugdige traumatische gebeurtenissen meegemaakt heeft, en de ouder reageert daar niet sensitief op, dan kunnen de stressklachten bij de jeugdige verergeren. Als de ouder bijvoorbeeld boos wordt, of zich terugtrekt vanwege depressieve gevoelens, dan is de ouderfiguur zelf een bron van angst voor de jeugdige, in plaats van dat hij veiligheid biedt. Dergelijke verwarrende ervaringen kunnen leiden tot een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie.

Trauma-sensitief omgaan met jeugdigen

Kinderen die te maken hebben met complexe trauma’s kunnen sneller en beter geholpen worden als er in hun dagelijkse omgeving ook vanuit kennis over het trauma gekeken en gehandeld wordt. Dit wordt trauma-georiënteerd werken of trauma-sensitief opvoeden genoemd. Om trauma-sensitief te kunnen opvoeden, zet je als het ware je ‘trauma-bril’ op. Daarmee observeer je gedrag en gevoelens van de getraumatiseerde jeugdige en interpreteert ze vanuit kennis over wat trauma met een jeugdige kan doen. Door trauma-sensitief om te gaan met jeugdigen, draag je als professional bij aan het herstel. Zie het aparte kader met de vijf pijlers voor trauma-sensitief opvoeden hierna. Getraumatiseerde kinderen hebben meestal specialistische behandeling nodig. Meer informatie over deze methoden vind je in de Databank Effectieve Jeugdinterventies en de Richtlijn Signaleren traumagerelateerde problemen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

Vijf pijlers voor trauma-sensitief opvoeden

1. Creëer een veilige, voorspelbare omgeving

Dat is een consistente, betrouwbare en responsieve omgeving waarbij een jeugdige weet waar hij aan toe is en zich veilig voelt. Door de jeugdige te betrekken bij beslissingen en geduldig te blijven, kun je de jeugdige weer een gevoel van veiligheid laten ervaren. Het creëren van de juiste voorwaarden voor een veilige leefomgeving voor de jeugdige is bij uitstek de taak van een jeugdbeschermer. Zie ook de Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp.

2. Steun de jeugdige bij het (opnieuw) opbouwen van positieve relaties met anderen

Positieve relaties zijn belangrijk voor het herstelproces van jeugdigen met een complex trauma. Door het opbouwen van positieve nieuwe relaties kunnen negatieve gevoelens worden omgevormd, en kan alsnog een veilige gehechtheidsrelatie tot stand komen.

3. Werk aan het leren omgaan met emoties

Ongeacht de leeftijd heeft een jeugdige met nare ervaringen iemand nodig bij het leren reguleren van emoties. Niet zozeer om gedrag zoals boosheid of angst te begrenzen, maar om weer rustig te worden.

4. Werk zoveel mogelijk samen met de ouders, als dat kan

Als een jeugdige uit huis geplaatst wordt, richt de begeleiding zich óók op de ouders en het leren omgaan met de uithuisplaatsing. Zij blijven ouders, maar dan op afstand. Welke rol is nog voor hen weggelegd, of voor opa en oma, een tante of leerkracht? Hoe kunnen zij een bijdrage leveren aan het herstel van hun kind? Mogelijk kunnen zij helpen met Mijn Levensboek, dat omschrijft waarom een jeugdige niet meer thuis woont. Voor een jeugdige is het heel belangrijk om te weten dat hij geen schuld heeft gehad aan alle problemen, en niet ‘slecht’ is. Verder is het van belang dat ouders altijd een plek hebben in het leven van een kind.

5. Bied de jeugdige psycho-educatie aan

Getraumatiseerde kinderen en jongeren dragen een ‘onzichtbare koffer’ mee, gevuld met negatieve opvattingen: over zichzelf, de mensen en de wereld in het algemeen. Zij zien vaak geen verband tussen hun gedragsproblemen en hun traumatische ervaringen. Als jeugdprofessional kun je de effecten van complex trauma uitleggen. Begrip kan de jeugdige motiveren om hulp te accepteren.

Bron: Baat, M. de, & Berger, M. (2017). Hoe begeleid je kinderen en jongeren met complex trauma in gezinsvervangende woonsituaties? Handvatten voor jeugdprofessionals en pleeg- en gezinsouders.

Kan gedesorganiseerde gehechtheid worden hersteld?

Ook in risicovolle omstandigheden, zoals bij arme gezinnen waarin sprake is (geweest) van mishandeling, blijken ouders te profiteren van interventies die gericht zijn op het vergroten van hun sensitiviteit. Zulke interventies kunnen van een onveilige gehechtheidsrelatie een veilige maken. Een Nederlandse studie bij adoptiegezinnen gaf hetzelfde hoopvolle beeld: het is mogelijk om door een interventie de sensitiviteit van adoptiemoeders te vergroten en zo het risico op gedesorganiseerde gehechtheid te verkleinen. In het hoofdstuk Preventie en interventie wordt nader ingegaan op beschikbare interventies.

Conclusies

Er zijn allerlei redenen waarom de gehechtheidsrelatie van een jeugdige met zijn ouder(s) niet goed tot stand komt. We onderscheiden factoren op vier niveaus:

  • bij de ouder:
    • het vermogen om sensitief en voorspelbaar te reageren
    • het vermogen om te mentaliseren/reflecteren
    • de psyschische gesteldheid van de ouder
    • een LVB bij de ouder
  • bij de jeugdige: moeilijk temperament, vroeggeboorte, ontwikkelingsstoornis, autistische stoornis, verstandelijke beperking;
  • de gezins- en leefomstandigheden waaronder de jeugdige opgroeit: opeenstapeling van sociaal-economische risico’s zoals armoede, slechte huisvesting, en werkloosheid; mishandeling en/of verwaarlozing,;
  • onvoldoende stabiliteit of continuïteit van het ouder-kindcontact, bijvoorbeeld door echtscheiding, een ziekenhuisopname of detentie van de ouder.

Vaak is het een combinatie van factoren die maakt dat de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind niet goed tot stand komt. Het is daarom nooit de ‘schuld’ van ouders wanneer een jeugdige een problematische gehechtheidsrelatie heeft.

Aanbevelingen Oorzaken en kenmerken
Inleiding
Reageer!