Uithuisplaatsing

Besluitvorming

Overige overwegingen

In de werkgroep is opgemerkt dat er bij de implementatie van de richtlijn aandacht geschonken moet worden aan de vaardigheden die professionals nodig hebben om tot een zorgvuldige beslissing te komen. Het gaat dan om gespreks- en observatievaardigheden, bewustwording van en reflectie op eigen normen en waarden en die van de cliënt, het expliciet rapporteren van gedragingen, het gebruik maken van hulpverleners die al in het gezin zitten (samenwerking en informatie-uitwisseling), en het overzicht houden over het mogelijk hulpaanbod van zorgaanbieders. In de samenwerking met andere hulpverleners helpt het om te vragen naar expliciet en concreet gedrag in plaats van naar een stoornis of diagnose.

Jeugdprofessionals constateerden tijdens de proefimplementatie dat afwegingen om een jeugdige uit huis te plaatsen niet alleen gebaseerd zijn op de situatie in het gezin, maar ook op het alternatief dat geboden kan worden. Is een stabiel pleeggezin beschikbaar of staan een jeugdige herhaaldelijk overplaatsingen te wachten? De professionals benadrukken dat ze moeten kiezen uit twee kwaden die beide schadelijke gevolgen voor de jeugdige kunnen hebben.

De werkgroep is van mening dat een jeugdige bij (ernstige) fysieke onveiligheid sowieso uit huis geplaatst dient te worden. De geconstateerde onveiligheid in de gezinssituatie weegt zwaarder dan het risico van onveiligheid in de instelling en mogelijke instabiliteit in de pleegzorgplaatsing. Wanneer de gezinssituatie veilig is en uithuisplaatsing plaatsvindt vanwege bijvoorbeeld gedragsproblemen van de jeugdige, heeft het de voorkeur van de werkgroep om de jeugdige thuis te laten blijven totdat een geschikte plaats beschikbaar is.

De werkgroepleden menen verder dat de genoemde termijn om te beslissen over terugplaatsing niet aansluit bij wat er in de praktijk gebeurt. Jeugdigen worden regelmatig na jarenlange uithuisplaatsing weer teruggeplaatst – soms met succes, maar vaak ook gevolgd door een nieuwe uithuisplaatsing. Verder zijn er soms lange wachtlijsten voor een bepaald zorgaanbod bij een bepaalde zorgaanbieder. Dit brengt de haalbaarheid van de termijnen al in gevaar.

De werkgroepleden zijn dan ook van mening dat het niet mogelijk is een termijn te bepalen waarbinnen voldoende resultaat bereikt moet zijn met het oog op de beslissing tot uithuisplaatsing dan wel terugplaatsing. Zij vinden het belangrijker doelgericht te werken en gaandeweg te kijken of er verbetering is geboekt dan strikte termijnen te hanteren. De belangrijkste afweging voor hen is of de situatie in het gezin goed genoeg is.

Het komt in de praktijk voor dat ouders zich sterk verzetten tegen een pleegzorgplaatsing en de voorkeur geven aan plaatsing in een residentiële instelling. Dit is niet in het belang van de ontwikkeling van de jeugdige. De werkgroep is van mening dat professionals hierover met ouders in gesprek moeten gaan en moeten onderzoeken waarom de ouders zich verzetten tegen een pleegzorgplaatsing en of het mogelijk is hen te motiveren tot instemming met de pleegzorgplaatsing.

De rol van jeugdigen en ouders bij de besluitvorming

De werkgroepleden vinden het essentieel dat ouders en jeugdigen actief betrokken zijn bij de besluitvorming. Zij spreken van “ouders die de hulpverlener betrekken in plaats van de hulpverlener die de ouders betrekt”. Daarmee bedoelen zij dat hulpverleners een samenwerkingsrelatie met ouders en jeugdigen moeten aangaan en onderzoeken wat de krachten en oplossingen van het gezin zelf zijn. In de focusgroep is Signs of Safety expliciet genoemd, omdat deze methode het betrekken van ouders en jeugdigen in de besluitvorming uitwerkt. Vanwege het gebrek aan kennis over effecten en werkzame elementen van deze methode, is Signs of Safety echter niet in de aanbevelingen opgenomen als methode om ouders en jeugdigen in de besluitvorming te betrekken.

De werkgroepleden vinden het te ver gaan om van een jeugdige (als vuistregel onder de twaalf jaar), te verwachten dat deze beslist over zijn eigen uithuisplaatsing. Dat is een te zware en veelal onmogelijke verantwoordelijkheid. Die beslissing is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van volwassenen – de ouders in de eerste plaats. Maar dat wil niet zeggen dat de jeugdige hierin niet kan meedenken. In de besluitvorming aangaande de uithuisplaatsing wordt aan de mening van de jeugdige een passend belang gehecht, afhankelijk van zijn capaciteiten om zijn mening op een redelijke en onafhankelijke manier kenbaar te maken. De jeugdprofessional moet hem en zijn ouders duidelijk kunnen maken op welke wijze hiermee rekening is gehouden.

De werkgroepleden vragen zich verder af hoe hulpverleners toch in dialoog kunnen beslissen wanneer ouders en/of jeugdige geen probleembesef of hulpvraag hebben. In de praktijk blijkt het lastig om samen te beslissen over uithuisplaatsing en noodzakelijke hulp als hulpverleners het met ouders en/of jeugdige nog niet eens zijn over de problemen en zorgen. Bij een gedwongen uithuisplaatsing is het belangrijk dat ouders en jeugdige zoveel mogelijk betrokken zijn bij het besluitvormingsproces, maar uiteindelijk is het de kinderrechter die beslist of een jeugdige uit huis geplaatst wordt of niet en een machtiging uithuisplaatsing afgeeft.

De werkgroepleden zouden ook graag de rol en betrokkenheid van het sociale netwerk terugzien in de aanbevelingen. Zij vinden dat de verantwoordelijkheid voor het aanpakken van de problematiek bij het gezin hoort te blijven liggen. Professionals in de praktijk vullen daarop aan – na de richtlijn in de proefimplementatie getest te hebben – dat bij een netwerkplaatsing wel goed gekeken moet worden of aanvullende hulp nodig is, bijvoorbeeld vanwege conflicten of verstoorde familierelaties in het netwerk.

In de huidige jeugdhulp en jeugdbescherming wordt nog geen gebruik gemaakt van ervaringsdeskundigen om ouders te ondersteunen tijdens het proces van een uithuisplaatsing. Hiervoor is in de huidige jeugdhulp en jeugdbescherming dan ook nog niets georganiseerd. Wellicht dat cliëntenraden hier het een en ander in kunnen betekenen of dat hulpverleners ouders die het traject achter de rug hebben en waarvan zij de indruk hebben dat die ook met afstand en positief kunnen terug kijken, kunnen benaderen om als ervaringsdeskundige naar andere ouders op te treden. Interventies als Home-Start en Moeders Informeren Moeders laten zien dat een ervaringsdeskundige waardevolle ondersteuning aan ouders kan bieden. Voorwaarde daarvoor is wel dat deze ervaringsdeskundige met enige afstand naar zijn eigen situatie kan kijken en daarnaast ondersteund en begeleid wordt vanuit de instelling.

Migrantengezinnen

Op basis van bevindingen van de klankbordgroep zijn enkele aandachtspunten voor het omgaan met migrantengezinnen geformuleerd. In de omgang met migrantengezinnen is het belangrijk rekening te houden met culturele verschillen. Uitgangspunt is dat zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de culturele context, tenzij het gaat om gedragingen, waarden en normen die in strijd zijn met de Nederlandse wetgeving.

Wanneer de normen van de hulpverlener overschreden worden, moet hij dat durven bespreken met de gezinsleden. De jeugdprofessional heeft dus oog voor zijn eigen normen en waarden, maar staat ook open voor de culturele achtergrond en normen en waarden van de ouders en de jeugdige. Hij realiseert zich dat identiteit in andere culturen een andere betekenis heeft dan in de Nederlandse cultuur. Gehoorzaamheid kan in andere culturen erg belangrijk zijn, net zoals zich conformeren aan de groep. Initiatief nemen kan als brutaal worden gezien.

De hulpverlener beseft dat migrantenouders kunnen vinden dat hun kind zich te westers opstelt en kan bespreekbaar maken hoe mensen uit de Nederlandse cultuur daar tegenaan kijken. De jeugdprofessional realiseert zich ook dat geweld in de opvoeding in Nederland verboden is. In sommige andere culturen wordt geweld als onderdeel van de opvoeding geaccepteerd. De jeugdprofessional zal daar duidelijke grenzen moeten stellen aan acceptabel en onacceptabel gedrag van ouders. De jeugdprofessional realiseert zich dat migrantenouders soms niet mee willen werken uit angst voor roddel en gezichtsverlies in hun gemeenschap. Zij maakt dit bespreekbaar.

Aanbevelingen
De rol van ouders en jeugdige in besluitvorming
Reageer!