Uithuisplaatsing

Besluitvorming

Besluitvorming

De beslissing om een jeugdige uit huis te plaatsen is ingrijpend. Daarom is het essentieel dat zo’n beslissing zorgvuldig gebeurt. Zorgvuldig beslissen betekent dat professionals:

  • Systematisch en planmatig werken;

  • Gebruik maken van beschikbare wetenschappelijke kennis;

  • Onderscheid maken tussen de informatie die ze verzamelen, hun beoordeling van die informatie en de beslissingen die zij op basis daarvan nemen;

  • Transparant zijn over conclusies, beslissingen en onderbouwing daarvan naar ouders, jeugdigen, collega’s en andere hulpverleners.

… Meer

Het beslisproces is uitgewerkt door de belangrijkste beslismomenten (kernbeslissingen) te expliciteren. Verdere uitwerking vindt plaats door voor elk beslismoment vast te leggen welke informatie een hulpverlener moet verzamelen om te beoordelen wat er aan de hand is, zodat hij kan beslissen welke oplossing het meest gepast is. Dit leidt tot drie stappen:

  1. Informatie verzamelen
  2. Beoordelen
  3. Beslissen

Professionals verzamelen dus eerst informatie die voor een bepaald beslismoment relevant is. Vervolgens beoordelen ze de situatie aan de hand daarvan (‘kernoordelen’). Daarna beslissen ze hoe ze de situatie gaan aanpakken. Zulke beslissingen worden ook wel ‘kernbeslissingen’ genoemd. Ze zijn bepalend voor het verdere verloop van het primaire proces, voor het handelen van de professional en – last but not least – voor de jeugdige en zijn ouders.

Er zijn drie kernbeslissingen in het uithuisplaatsingstraject:

  • Moet de jeugdige wel of niet uit huis geplaatst worden?

  • Waar kan de jeugdige het beste geplaatst worden?

  • Kan de jeugdige wel of niet weer teruggeplaatst worden?

… Meer

Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen of een uithuisplaatsing nodig is?

De beslissing tot uithuisplaatsing bestaat uit vijf kernoordelen. Zie voor een uitgebreid figuur de complete richtlijn (pdf), figuur 3.

Kernoordeel 1: zijn de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige op dit moment in balans?

In het hele besluitvormingsproces staat de ontwikkeling van de jeugdige centraal: wat heeft de jeugdige nodig om zich te kunnen ontwikkelen tot een gezonde volwassene? Daarbij is het belangrijk om een afweging te maken tussen wat de jeugdige nodig heeft (ontwikkelingsbehoeften) en wat ouders kunnen bieden (opvoedingscapaciteiten). De ontwikkelingsbehoeften van een kind – en daarmee ook de opvoedingscapaciteiten van ouders – zijn gerelateerd aan zijn leeftijd en fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau. Bij een (dreigende) uithuisplaatsing speelt altijd de afweging in hoeverre de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige en de opvoedingscapaciteiten van de ouders in evenwicht zijn. Daarom is het nodig in kaart te brengen:

  • hoe een jeugdige zich ontwikkelt en wat hij nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen;

  • welke risico- en beschermende factoren de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige beïnvloeden;

  • wat de opvoedingscapaciteiten van de ouders zijn;

  • welke risico- en beschermende factoren de opvoedingscapaciteiten van de ouders beïnvloeden.

… Meer

Zowel ernstige problemen in de ontwikkeling van de jeugdige als ernstige problemen in de opvoedingscapaciteiten van de ouders kunnen de balans tussen ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten verstoren en een reden zijn om een jeugdige uit huis te plaatsen.

Wat betreft de problemen bij jeugdigen noemt de literatuur als redenen voor uithuisplaatsing:

  • ernstige emotionele en gedragsproblemen

  • gevaarlijk of bedreigend gedrag van de jeugdige richting gezinsleden;

  • verminderd contact met de realiteit (psychose, zelfbeschadiging en/of suïcideneiging of –poging).

… Meer

Dergelijke ernstige problemen zijn voor ouders, zelfs als zij over zeer goede opvoedingscapaciteiten en beschermende factoren beschikken, vaak niet te hanteren. Als het om problemen in de opvoeding gaat, kunnen onder andere de volgende problemen een reden zijn voor uithuisplaatsing:

  • ernstige en langdurige kindermishandeling of een hoog risico op kindermishandeling;

  • een (ernstig) tekort aan opvoedingsvaardigheden;

  • ernstige onveiligheid in de ouder-kindrelatie (onveilige of gedesorganiseerde gehechtheid).

… Meer

 

In veel situaties gaan problemen bij de jeugdige, gebrekkige opvoedingscapaciteiten van ouders en een onveilige woon-/leefomgeving hand in hand. Daardoor kan een uithuisplaatsing een noodzakelijke stap zijn om de ontwikkeling van de jeugdige te bevorderen.

De Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp gaat in op instrumenten die gebruikt kunnen worden om ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten in kaart te brengen. Daarnaast helpt deze richtlijn ook in te schatten of er sprake is van (een risico op) kindermishandeling.

We zullen nu de vragen behandelen waarop een jeugdprofessional antwoord moet zien te krijgen om na te gaan in hoeverre de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige en de opvoedingscapaciteiten van de ouders in evenwicht zijn.

1. Hoe ontwikkelt de jeugdige zich, en wat heeft hij nodig om zich te kunnen ontwikkelen?

Het is belangrijk om elk aspect van de ontwikkeling van de jeugdige te onderzoeken, zodat de professional een helder beeld krijgt van zijn specifieke ontwikkelingsmogelijkheden. De ontwikkelingsbehoeften van jeugdigen zijn afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau. Een jeugdige moet de verwachte ontwikkelingsmijlpalen halen. Daarbij moet rekening gehouden worden met eventuele specifieke kwetsbaarheden (bijv. leerproblemen of een fysieke of verstandelijke beperking). Het Framework onderscheidt zeven algemene dimensies met betrekking tot de ontwikkeling van de jeugdige. Aandachtspunten binnen deze dimensies betreffen zowel kenmerken van de jeugdige als diens functioneren in termen van gedrag, ontwikkeling en emoties. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om een beslissing over de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen nemen.

  • Gezondheid en fysieke verschijning

    • algemene gezondheid, groei en ontwikkeling;
    • speciale behoeften door bijvoorbeeld ziekte of een beperking;
    • aanwezigheid van letsel (mogelijk als gevolg van kindermishandeling);
    • uiterlijke verschijning (bijvoorbeeld kleding, uitgerust/vermoeid);
    • lichaamsbeweging en eetgewoonten.
  • Cognitieve ontwikkeling

    • taalontwikkeling en taalgebruik;
    • werkhouding op school (concentratie, niveau);
    • voortgang op school, succes- en faalervaringen.
  • Emotionele ontwikkeling en gedrag

    • omgaan met emoties en expressie van gevoelens;
    • hechting;
    • temperament;
    • (spel)gedrag thuis, op school en in de omgeving (bijvoorbeeld sportclub);
    • sociaal gedrag (contact met leeftijdgenoten en volwassenen);
    • reactie op traumatische of stressvolle gebeurtenissen.
  • Identiteit

    • de mate waarin de jeugdige zichzelf ziet als individu en als deel van het gezin;
    • zelfbeeld en zelfvertrouwen;
    • keuzes maken en initiatief nemen;
    • gender en/of seksuele identiteit.
  • Gezins- en sociale relaties

    • relaties met gezinsleden (ouders, broers/zussen);
    • relaties met leeftijdgenoten;
    • relaties met volwassenen;
    • empathisch vermogen;
    • manier van contact leggen met professionals (bijvoorbeeld
    • oogcontact maken, mate van openheid of afweer, mate van
    • weerbaarheid of afhankelijkheid).
  • Sociale presentatie

    • verschijning en gedrag in sociale situaties (passende kleding, passend gedrag, netheid en persoonlijke hygiëne);
    • aanpassing aan en houding t.a.v. beperkingen en discriminatie door anderen;
    • respect voor gezins-, culturele en religieuze waarden en diversiteit.
  • Zelfredzaamheid

    • onafhankelijkheid;
    • oplossingsvaardigheden;
    • inschatten van eigen veiligheid en risico’s.

… Meer

2. Welke risico- en beschermende factoren beïnvloeden de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige?

Risicofactoren bij de jeugdige die een extra appèl doen op de opvoedingsvaardigheden van ouders zijn:

  • een belaste voorgeschiedenis (bijvoorbeeld prematuur en/of laag geboortegewicht);

  • een (ernstige) ziekte of handicap;

  • gedrags- en/of ontwikkelingsproblemen;

  • een moeilijk temperament.

… Meer

Beschermende factoren bij de jeugdige die de aanwezige risicofactoren bij de jeugdige en/of de ouders kunnen compenseren, zijn:

  • zelfwaardering;

  • ego-veerkracht (stressresistentie);

  • bovengemiddelde intelligentie;

  • aantrekkelijk uiterlijk;

  • makkelijk temperament;

  • goede interpersoonlijke vaardigheden (sociale competentie);

  • steun van een volwassene die voor de jeugdige belangrijk is;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen.

… Meer

3. Wat zijn de opvoedingscapaciteiten van de ouders?

Ook de opvoedingscapaciteiten van ouders zijn van belang. Daarbij gaat het om het vermogen van ouders om adequaat in te gaan op de ontwikkelingsbehoeften van hun kind, en om hun vermogen zich aan de veranderende behoeften van hun kind aan te passen. Dit kan beschreven worden in termen van:

  • de manier waarop zij op hun kind, zijn gedrag en behoeften reageren en waar zij problemen bij ervaren;

  • het effect dat de jeugdige op hen heeft;

  • de kwaliteit van de ouder-kindrelatie;

  • hun begrip van de ontwikkelingsbehoeften en ontwikkeling van hun kind;

  • hun begrip van opvoedingsvaardigheden en het belang daarvan voor de ontwikkeling van een jeugdige;

  • hun vermogen anders op hun kind te reageren als hun kind andere ontwikkelingsbehoeften krijgt.

… Meer

Het Framework noemt zes dimensies waarop de opvoedingscapaciteiten van ouders in kaart kunnen worden gebracht. Het gaat daarbij niet alleen om wat ouders weten en kunnen, maar ook (vooral) om de manier waarop zij dit in de praktijk laten zien. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om een beslissing over de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen nemen.

  • Basale verzorging

    • voorzien in fysieke behoeften van de jeugdige (voeding, hygiëne, onderdak);
    • zorgdragen voor goede gezondheidszorg (bijvoorbeeld bezoek aan huisarts en tandarts, deelname aan vaccinatieprogramma, specialistische hulp).
  • Garanderen veiligheid

    • bieden van een veilige leefomgeving;
    • bieden van bescherming tegen mensen die mogelijk gevaar opleveren;
    • voldoende toezicht houden;
    • weerbaar maken: bespreken hoe om te gaan met risicovolle situaties.
  • Emotionele warmte

    • waardering en respect tonen voor de jeugdige;
    • empathie en begrip tonen voor de jeugdige;
    • sensitief en responsief reageren op de behoeften van de jeugdige;
    • betrokken zijn bij (activiteiten van) de jeugdige, hem steunen en aan activiteiten meedoen.
  • Stimuleren

    • bevorderen van de cognitieve ontwikkeling door aanmoediging, communicatie en stimulatie;
    • voorzien in leermogelijkheden en sociale participatie;
    • zorgen voor en ondersteunen van onderwijs en succeservaringen;

     

  • Regels en grenzen

    • stellen van heldere, realistische grenzen, regels en verwachtingen;
    • regulering van gedrag en emoties van de jeugdige (leren omgaan met frustraties);
    • omgaan met conflicten;
    • passende verantwoordelijkheden geven.

     

  • Stabiliteit

    • structuur, stabiliteit en continuïteit in opvoeding en verzorging bieden;
    • voorspelbaar zijn in reacties;
    • fysiek en psychisch beschikbaar zijn (geldt voor minimaal een vaste opvoeder).

… Meer

4. Welke risico- en beschermende factoren beïnvloeden de opvoedingscapaciteiten van de ouders?

Kenmerken van de ouders die van invloed zijn op hun vermogen een adequate opvoedingsomgeving te bieden, zijn:

  • middelenmisbruik/verslavingsproblematiek;

  • psychische/psychiatrische problematiek;

  • ziekte of een lichamelijke beperking;

  • een verstandelijke beperking;

  • gebrek aan gevoel van verantwoordelijkheid of aan medewerking;

  • een problematische partnerrelatie, o.a. veel conflicten, huiselijk geweld en instabiliteit in relaties (veel wisselende relaties);

  • fysiek/emotioneel niet beschikbaar zijn voor de jeugdige, bijvoorbeeld omdat de ouder in beslag wordt genomen door eigen problematiek of door ziekte (langdurige opname, fysieke beperkingen);

  • op jonge leeftijd (jonger dan achttien jaar) ouder geworden;

  • zelf slachtoffer van kindermishandeling en/of heeft eerder geweld gebruikt tegen personen.

… Meer

Benadrukt moet worden dat de professional altijd moet onderzoeken in hoeverre deze kenmerken van invloed zijn op het opvoedend handelen van de ouders. Het zijn immers risicofactoren: ze vergroten de kans op uithuisplaatsing, maar dat wil niet zeggen dat uithuisplaatsing altijd noodzakelijk is.

Beschermende factoren zijn factoren die ouders een zekere mate van veerkracht geven, ook wanneer zij met veel problemen kampen. In de literatuur worden de volgende beschermende factoren genoemd:

  • een gevoel van competentie, draagkracht;

  • een positief zelfbeeld;

  • een ondersteunende partner;

  • kan eigen jeugdervaringen hanteren;

  • positieve jeugdervaringen;

  • kan steun vragen/profiteren van steun;

  • emotionele beschikbaarheid;

  • flexibiliteit;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen.

… Meer

Naarmate er meer risicofactoren en minder beschermende factoren in een gezin zijn, zullen ouders minder goed een verzorgings- en opvoedingssituatie kunnen bieden die nodig is voor een evenwichtige ontwikkeling van de jeugdige. Ook niet als zij daarbij steun vanuit hun sociaal netwerk of professionele hulp krijgen.

Kernoordeel 2: is de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften afhankelijk van belangrijke gezins- en omgevingsfactoren?

Het verzorgen en opvoeden van jeugdigen gebeurt niet in een vacuüm. Factoren in het gezin en de omgeving hebben een belangrijke invloed op het functioneren van de jeugdige en de ouders. Gezins- en omgevingsfactoren kunnen zowel een stabiliserende als een destabiliserende functie hebben als het gaat om de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige. Met een stabiliserende functie wordt bedoeld dat het gezin ondanks veel of ernstige problemen toch nog kan functioneren. Een betrokken en actief sociaal netwerk kan bijvoorbeeld een stabiliserende functie hebben. Op zulke stabiliserende factoren dient de professional te letten als hij uithuisplaatsing overweegt. Het kan namelijk nodig zijn om interventies in te zetten zodat deze stabiliserende factoren stand kunnen houden.

Interventies kunnen ook nodig zijn als destabiliserende factoren de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften dreigen te verstoren. Door ingrijpen kan dan mogelijk worden voorkomen dat de balans verstoord raakt en een uithuisplaatsing nodig wordt. Destabiliserende factoren zijn bijvoorbeeld:

een eenoudergezin, stiefgezin, groot gezin;

  • veel conflicten;

  • huiselijk geweld;

  • een instabiel, ongeregeld leven;

  • materiële/financiële problemen (werkloosheid, huisvesting);

  • ingrijpende levensgebeurtenissen;

  • een sociaal isolement/sociaal conflict.

… Meer

Het Framework noemt zeven dimensies met betrekking tot het gezin en de omgeving. Een professional moet informatie over deze dimensies verzamelen om een beslissing over de noodzaak van een uithuisplaatsing te kunnen nemen.

  • Gezinsgeschiedenis en functioneren: wie maken er deel uit van het huishouden? Hoe is hun relatie met de jeugdige? Hebben zich hierin belangrijke veranderingen voorgedaan? Welke ervaringen uit de kindertijd dragen de ouders met zich mee? Hebben zich belangrijke gebeurtenissen voorgedaan? Hoe functioneert het gezin (denk ook aan de relatie met broers en zussen en de invloed op de jeugdige daarvan)? Wat zijn sterke en minder sterke eigenschappen van de ouders? Welke moeilijkheden ervaren zij? Hoe is de relatie tussen (gescheiden) ouders?

  • Familie: wie zijn deel van de bredere familie? Wie zijn daarin afwezig? Hoe zijn de relaties met de bredere familie? Welke impact heeft de familie op de jeugdige en het gezin?

  • Woning: zijn in de accommodatie basisfaciliteiten aanwezig? En voorzieningen die passen bij de leeftijd en de ontwikkeling van de jeugdige en andere huisgenoten? Denk aan interieur en exterieur van het huis en directe omgeving, inclusief de aanwezigheid van gas, water, elektra, kookfaciliteiten, slaapruimte, netheid, hygiëne en veiligheid en de invloed daarvan op het opvoeden van de jeugdige.

  • Werk: wie werkt, wat voor werkpatroon heeft diegene en wat is het effect daarvan op de jeugdige? Zijn daarin belangrijke veranderingen geweest (denk aan werkloosheid)?

  • Inkomsten: is er voldoende geld om in de behoeften van de jeugdige en het gezin te voorzien?

  • Sociale integratie van het gezin: in welke mate is het gezin geïntegreerd of geïsoleerd? Hoe zien de peergroepen, vriendschappen en sociale netwerk van zowel jeugdige als ouders eruit? Welk belang hechten ze eraan?

  • Gemeenschapsbronnen: welke faciliteiten en diensten zijn er in de buurt? Denk aan universele diensten van primaire gezondheidszorg, dagopvang en scholen, transport, winkels, vrijetijdsactiviteiten en plekken voor religieuze samenkomsten. Het gaat om zowel de beschikbaarheid als het niveau van de voorzieningen en de invloed daarvan op het gezin.

… Meer

Kernoordeel 3: zijn de opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften met steun van het sociaal netwerk voldoende in balans te brengen?

Hierbij gaat het er vooral om te beoordelen welke rol het sociale netwerk (familie, vrienden en kennissen) in het gezin speelt of kan spelen. Het kan hier gaan om netwerk van de jeugdige en/of zijn ouders. Het sociale netwerk kan voor ouders en jeugdigen een belangrijke bron van praktische en emotionele steun zijn. Wanneer ouders en jeugdigen een beroep kunnen doen op mensen in hun omgeving, loopt stress minder hoog op. Het sociale netwerk kan ook een rol spelen in het waarborgen van de veiligheid van jeugdigen.

Vragen die aan ouders gesteld kunnen worden:

  • Welke mensen om jullie heen vinden het belangrijk dat het goed gaat met jullie en jullie kind?

  • Bij wie kun je terecht voor praktische hulp, informatie en advies, troost en steun?

  • Wie kan je helpen om… (concreet in te vullen afhankelijk van de problemen of doelen)?

  • Hoe kun je deze persoon/personen vragen om je hierbij te helpen?

… Meer

Om te beoordelen wat personen uit het netwerk kunnen betekenen, inventariseren hulpverlener en gezin:

  • Welke mensen reageren op verzoeken om hulp of ondersteuning;

  • Welke mensen daadwerkelijk en effectief hulp en ondersteuning bieden;

  • Welke mensen toegankelijk zijn;

  • Welke mensen afspraken nakomen.

… Meer

Vergelijkbare vragen kunnen aan jeugdigen gesteld worden. Het is belangrijk niet alleen te kijken of ouders en jeugdige mensen om zich heen hebben, maar ook goed te kijken naar de kwaliteit van de steun die geboden wordt of kan worden.

Kernoordeel 4: zijn de opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften met hulp binnen een half jaar of een jaar voldoende in balans te brengen?

Hierbij gaat het er met name om te beoordelen of er iets aan de opvoedingssituatie veranderd kan worden. Dit is van belang voor de beslissing of een interventie thuis ter voorkoming van een uithuisplaatsing nog zin heeft, of dat de hulpverlener moet overgaan tot een uithuisplaatsing.

De vraag is hierbij: In hoeverre kunnen (veranderingsmogelijkheden) en willen (veranderingsbereidheid) ouders en jeugdige binnen een aanvaardbare termijn veranderen, zodat de jeugdige veilig kan opgroeien en zich optimaal kan ontwikkelen? Om deze vraag te beantwoorden is het van belang informatie te verzamelen over de effecten van eerdere hulp en eerder genomen maatregelen. Ook de werkbaarheid van de situatie in het gezin moet geïnventariseerd worden. Met ‘werkbaarheid’ wordt enerzijds de veiligheid van de opvoedingssituatie voor de jeugdige (denk aan kindermishandeling) bedoeld, en anderzijds de motivatie en vaardigheden van ouders en jeugdige om problemen aan te pakken en profijt van de hulp te hebben. Voor jeugdigen is een veilige plek om te wonen een voorwaarde voor de hulp: zonder een veilige plek kan er niet gewerkt worden aan de problemen. Een reden om tot uithuisplaatsing over te gaan kan zijn dat:

  • Eerdere hulp tekort is geschoten;

  • Een jeugdige eerder al uit huis geplaatst was (mits een nieuwe uithuisplaatsing weer nodig is in het belang van de verzorging en opvoeding van de jeugdige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid);

  • De verwachting bestaat dat ambulante hulp onvoldoende verandering brengt, waardoor gevaar voor de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige blijft bestaan;

  • Ouders niet bereid zijn mee te werken of niet laten zien dat ze zich verantwoordelijk voelen voor de situatie;

  • De niet-mishandelende ouder niet in staat is om grenzen te stellen aan de pleger, en dus niet in staat is de jeugdige te beschermen.

… Meer

Veranderingsmogelijkheden

Of ouders in staat zijn om blijvend veranderingen te realiseren, hangt onder meer af van hun functioneren als persoon en zijn mogelijkheden om zich te kunnen richten op de jeugdige en diens behoeften. Of een jeugdige in staat is om blijvend veranderingen te realiseren, hangt onder meer af van het inzicht dat hij heeft in zijn eigen functioneren. Vragen die de professional zich bijvoorbeeld kan stellen zijn:

  • Begrijpen, herkennen en erkennen de ouders de aard en ernst van de opvoedingsproblemen, persoonlijke problemen en andere factoren die bedreigend zijn voor de jeugdige?

  • Begrijpen, herkennen en erkennen de ouders de gevolgen van de opvoedingsproblemen voor de jeugdige op korte en/of lange termijn (bijv. de schade die bij de jeugdige is of dreigt te ontstaan door de kindermishandeling)? Nemen zij daar ook verantwoordelijkheid voor?

  • Zijn er persoonlijke problemen of beperkingen bij de ouders die de kans op verbetering verkleinen?

  • Begrijpt, herkent en erkent de jeugdige welke problemen hij heeft en welke invloed die hebben op zijn omgeving? En neemt hij daar verantwoordelijkheid voor?

  • Zijn er persoonlijke problemen of beperkingen bij de jeugdige die de kans op verbetering verkleinen?

  • Hebben ouders en jeugdige van eerdere hulp (blijvend) geprofiteerd? Werkten ze mee aan de geboden hulp?

… Meer

Ouders of jeugdigen die kampen met ernstige problemen (zoals ernstige psychiatrische problemen, ernstige verslavingsproblemen of een verstandelijke beperking) hebben vaak een beperkte mogelijkheid tot leren en veranderen. Veranderingsmogelijkheden of –onmogelijkheden kunnen ook blijken uit de resultaten van eerdere hulp en het al dan niet tot stand komen van een samenwerkingsrelatie met het gezin. Aanwijzingen voor gebrekkige veranderingsmogelijkheden zijn dat er veel eerdere hulp is geboden zonder blijvend effect, of dat ouders herhaaldelijk niet reageren op afspraken of niet op komen dagen.

Veranderingsbereidheid

Nu zijn gezinnen bij de start van de hulpverlening niet altijd bereid om te veranderen. Zeker niet als anderen zich zorgen maken over mogelijke onveiligheid in hun gezin. Veranderingsbereidheid blijkt uit uitspraken die ouders en jeugdige doen. Vier typen uitspraken geven aan dat ouders en jeugdige bereid zijn te veranderen:

  • Nadelen van de huidige situatie benoemen (bijvoorbeeld zorgen over de situatie);

  • Voordelen van verandering noemen;

  • Optimisme over verandering tonen (bijvoorbeeld vertrouwen in eigen veranderingsmogelijkheden);

  • Intentie om te veranderen tonen (bijvoorbeeld verlangen om te veranderen).

… Meer

Het ontbreken van veranderingsbereidheid blijkt hieruit:

  • Ouders of jeugdige willen geen bemoeienis van hulpverleners (meer);

  • Ouders of jeugdige wijzen een noodzakelijk geacht hulpaanbod af;

  • Ouders of jeugdige weigeren om te veranderen, bijvoorbeeld door aangeleerde vaardigheden niet in praktijk te brengen.

… Meer

Het feit dat een ouder of jeugdige hulp weigert of afbreekt, wil overigens niet zeggen dat hij niet gemotiveerd is. Er kan ook iets anders achter zitten, zoals ontevredenheid met de geboden hulp of hulpverlener. De reden van de weigering moet daarom altijd achterhaald worden. Bereidheid om te veranderen is ook geen vaststaand gegeven. Bereidheid tot verandering kan tijdens het hulpverleningsproces in positieve of negatieve zin veranderen. Weerstand tijdens de interventie kan bijvoorbeeld een signaal zijn dat de professional te hard van stapel loopt. Het is ook mogelijk dat ouders of jeugdigen wel willen veranderen, maar het idee hebben dat ze het niet kunnen en zich daardoor verzetten tegen een interventievoorstel van de hulpverlener. De professional doet er goed aan dit zorgvuldig uit te vragen. Door specifieke gesprekstechnieken uit de motiverende gespreksvoering en oplossingsgerichte therapie in te zetten kan de professional veranderingsbereidheid stimuleren. Zulke technieken kunnen ouders en jeugdigen helpen om zich open te stellen voor de interventie, en wellicht ook om factoren te ontdekken die hen juist belemmeren om te veranderen.

Kernoordeel 5 (bij een dreigende uithuisplaatsing): is uithuisplaatsing nog te voorkomen met een gerichte interventie?

In situaties waarin sprake is van een ernstig verstoorde balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften, moet de hulpverlener altijd nagaan of een uithuisplaatsing nog te voorkomen is met intensieve hulp. Een uithuisplaatsing is namelijk een laatste redmiddel. Voordat de hulpverlener overgaat tot een uithuisplaatsing, moet zorgvuldig afgewogen zijn of alle mogelijkheden voor hulp en ondersteuning zijn benut. Hulpverleners dienen dus goed op de hoogte te zijn van interventies die uithuisplaatsing kunnen voorkomen (zie hoofdstuk “Voorkomen van uithuisplaatsing”).

Termijn voor besluitvorming: Binnen welke termijn moeten jeugdige, ouders en omgeving weten wat het toekomstperspectief is?

Wanneer de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften ernstig verstoord is, is langdurige ambulante hulp zonder zichtbare verbetering onwenselijk, omdat het risico bestaat dat de ontwikkeling van de jeugdige stagneert. Het is daarom aan te bevelen een duidelijk moment te bepalen waarop de resultaten van de hulp geëvalueerd zullen worden. Tegen die tijd moet er dus een duidelijke verbetering in de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften zichtbaar zijn. Van den Bergh en Weterings noemen een termijn van maximaal een half jaar voor gezinnen met langdurige (langer dan een half jaar) problemen. Als intensieve hulp gedurende dit half jaar tot onvoldoende resultaat leidt, dan volgt een kortdurende uithuisplaatsing.

Door wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders kan het gebeuren dat intensieve hulp niet tijdig op gang komt. In zo’n geval is het goed om naar alternatief aanbod te zoeken, en kan het nodig zijn om de termijn voor evaluatie te verlengen. Ook moet regelmatig worden ingeschat of de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige niet te veel in het geding komt, als niet direct intensieve hulp kan worden ingezet.

Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen waar een jeugdige het beste geplaatst kan worden?

Een jeugdige wordt bij voorkeur in een gezin geplaatst, dat wil zeggen: in een (netwerk-) pleeggezin of een gezinshuis. Een zo normaal mogelijke opvoedingssituatie biedt namelijk de meeste kans op een gezonde ontwikkeling. Het is alleen niet altijd mogelijk om een jeugdige in een gezin te plaatsen. Vooral wanneer een jeugdige ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen heeft, kan plaatsing in een residentiële woon- of behandelgroep nodig zijn. Dit zou echter de laatste optie moeten zijn. Idealiter verblijven jeugdigen maar even in een residentiële instelling, en wordt binnen de instelling gewerkt aan terugplaatsing dan wel langdurige uithuisplaatsing in een vervangend gezin.

Om te beslissen waar een jeugdige het beste geplaatst kan worden, dient een hulpverlener zichzelf de volgende vragen te stellen (zie ook figuur 4 in de complete richtlijn, pdf):

  • Heeft de jeugdige gedrags- of ontwikkelingsproblemen?

  • Zijn de gedragsproblemen ernstig?

  • Kan de jeugdige naar verwachting functioneren in een gezinssetting?

     

  • Is er in het sociaal netwerk een gezin beschikbaar dat de jeugdige voldoende veiligheid kan bieden en waarvan de mogelijke pleegouders voldoende pedagogisch zijn toegerust?

  • Zijn de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige op aanvaardbare termijn voldoende in balans te brengen?

… Meer

Wanneer tot een uithuisplaatsing is besloten, is de vraag op welke plek een jeugdige het beste geplaatst kan worden. Globaal zijn er drie mogelijkheden: een (netwerk-) pleeggezin, een gezinshuis of een residentiële woon- of behandelgroep. In deze richtlijn gaan we slechts globaal hierop in. De matching van een jeugdige met een specifiek pleeggezin, gezinshuis of een specifieke woon- of behandelgroep komt in deze richtlijn niet aan bod. Daarvoor verwijzen we naar de Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming en de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

Het verdient sterk de voorkeur om beslissingen over het type plaatsing te baseren op inhoudelijke overwegingen. Vanaf 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor een toereikend aanbod van jeugdhulp. Slechts in uitzonderingsgevallen zou de jeugdprofessional moeten instemmen met mogelijke praktische overwegingen die ook een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt pleeggezin beschikbaar is, of omdat ouders en/of jeugdige niet meewerken aan plaatsing in een bepaalde zorgvorm. Als er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel of een maatregel van de jeugdreclassering met een rechterlijke beslissing tot plaatsing, dan is de gemeente gehouden het aangewezen aanbod te realiseren. Hierover maakt de gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming en jeugdreclassering afspraken met de gemeente waarin de jeugdige woont.

Pleegzorg

Een pleeggezin biedt opvang aan één of meer jeugdigen die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen. Vrijwel alle jeugdigen hebben gedrags- of ontwikkelingsproblemen op het moment dat zij in een pleeggezin worden geplaatst. Dit vraagt van pleegouders – of ze nu bekend zijn met het gezin waaruit de jeugdige komt of niet – extra opvoedingsvaardigheden. Pleegouders moeten het gezinsfunctioneren kunnen aanpassen aan de behoeften van de jeugdige zonder dat de normale gang van zaken in het gezin volledig ontwricht raakt. Wanneer een jeugdige te veel aanpassing vraagt van het pleeggezin, is de kans groot dat de emotionele en gedragsproblemen van de jeugdige toenemen en/of dat de plaatsing voortijdig beëindigd moet worden vanwege problemen in het pleeggezin.
Onderzoek is tegenstrijdig over de vraag of een jeugdige beter af is in een netwerkpleeggezin of een bestandspleeggezin. Een netwerkpleeggezin is een gezin dat deel uitmaakt van het sociale netwerk van het gezin waar de jeugdige uitkomt. Een bestandspleeggezin is een gezin dat bekend is bij de pleegzorginstelling. Er kunnen zowel voor- als nadelen aan een netwerkpleeggezin kleven. Een voordeel kan zijn dat de jeugdige het netwerkpleeggezin al kent. Een nadeel kan zijn dat het netwerkpleeggezin betrokken is of raakt bij de conflicten of problemen in het gezin van herkomst, waardoor de jeugdige in de knel komt. Onderzoek laat geen duidelijke verschillen in uitkomsten voor de jeugdige zien. Bij de keuze voor een netwerkpleeggezin zal een goede analyse gemaakt moeten worden van de aard van de relatie tussen ouders en pleegouders. Tijdens de plaatsing zal men extra aandacht moeten besteden aan deze relatie mochten er problemen rijzen.

Gezinshuis

Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van professionele hulpverlening. In een gezinshuis woont een aantal jeugdigen, meestal drie tot zes, samen met de gezinshuisouders. Gezinshuisouders, meestal een echtpaar en opgeleid als hulpverlener, bieden een zo normaal mogelijk gezinsklimaat. In een gezinshuis kunnen jeugdigen terecht die extra zorg en aandacht nodig hebben vanwege ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen. Gezinshuisouders zijn in staat de structuur en zorg te bieden die deze jeugdigen nodig hebben.

Residentiële woon- of behandelgroep

Residentiële zorg omvat uiteenlopende typen zorg voor jeugdigen, waarbij de jeugdige verblijft in een tehuis of instelling. De residentiële zorg kan een vervangende woonplek (woongroep) bieden of een plek zijn waar de jeugdige een behandeling voor zijn problemen krijgt (behandelgroep). Vaak is het onderscheid tussen een woongroep en een behandelgroep niet zo duidelijk. Een residentiële plaatsing is met name nodig voor jeugdigen met ernstige gedrags- en ontwikkelingsproblemen die op dit moment niet in staat zijn om in een gezinssituatie te functioneren. Soms worden jeugdigen in een residentiële instelling geplaatst omdat ouders en/of jeugdige zelf niet instemmen met een pleegzorgplaatsing.

Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen of een terugplaatsing mogelijk is?

Artikel 25 IVRK geeft de jeugdige (en zijn ouders) recht op een regelmatige evaluatie van de plaatsing. Plaatsingen waarin onduidelijk is wanneer vervolgbeslissingen genomen zullen worden, zijn daarmee onmogelijk (zie ook figuur 5 in de complete richtlijn, pdf). Om te beslissen of terugplaatsing mogelijk is, stelt een hulpverlener zich de volgende vragen (kernoordelen):

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige voldoende hersteld?

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige met de huidige hulp en het huidige type plaatsing binnen een half jaar of een jaar voldoende te herstellen?

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige met andere hulp of een ander type plaatsing binnen een half jaar of een jaar voldoende te herstellen?

… Meer

Bij de beoordeling van de bovenstaande vragen spelen feitelijk dezelfde aandachtspunten een rol als bij de beslissing tot uithuisplaatsing. De professional dient dus na te gaan 1) of er verbetering zichtbaar is in de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften, en 2) of er een opvoedingssituatie is te creëren die goed genoeg is voor de jeugdige. Voor informatie over ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten verwijzen we naar de uitwerking van de paragraaf  “Welke afwegingen en criteria zijn van belang om te beslissen of een uithuisplaatsing nodig is?”

Een evaluatie van de geboden hulp (uithuisplaatsing + andere interventies) speelt een belangrijke rol in de beslissing over terugplaatsing. De volgende vragen zijn daarbij van belang:

  • Wat waren de redenen voor uithuisplaatsing?

  • Zijn de doelen met betrekking tot ouders en jeugdige bereikt?

  • Zijn de doelen met betrekking tot ouders en jeugdige binnen een half jaar of een jaar bereikbaar?

  • Is de huidige hulp en het huidige type plaatsing geschikt om de doelen te bereiken?

… Meer

Aanvullend is van belang af te wegen:

  • Hoe de relatie tussen ouders en kind is;

  • Hoe een bezoekregeling tussen ouders en jeugdige verloopt;

  • Hoe de relatie tussen de jeugdige en pleegouders of gezinshuisouders is;

  • In hoeverre ouders en jeugdige gereed zijn voor terugplaatsing;

  • Of er een ondersteunend sociaal netwerk voor ouders en jeugdige is;

  • In hoeverre de uithuisplaatsing de balans tussen draagkracht en draaglast van ouders heeft verbeterd en in hoeverre een terugplaatsing deze weer negatief zou kunnen beïnvloeden.

… Meer

Wanneer binnen een half jaar of een jaar (afhankelijk van de leeftijd van jeugdige) geen vooruitgang bij ouders en jeugdige te zien is en verandering ook niet verwacht wordt met de inzet van andere interventies, is terugplaatsing niet meer aan de orde. In dat geval moet dus langdurige uithuisplaatsing (al dan niet in combinatie met een verderstrekkende jeugdbeschermingsmaatregel) overwogen worden.

Termijn voor besluitvorming: wanneer is terugplaatsing nog verantwoord, gezien de leeftijd van de jeugdige en de duur van de uithuisplaatsing?

De volgende termijnen om te beslissen over terugplaatsing worden gehanteerd:

  • Een kind in de leeftijd van nul tot vijf jaar wordt maximaal een half jaar uit huis geplaatst. In deze periode is er intensief contact tussen ouder en kind waarin gestructureerd wordt geobserveerd hoe het kind op zijn ouders reageert en in hoeverre ouders nieuwe opvoedingsvaardigheden weten toe te passen. Bij vooruitgang kan terugplaatsing gepland worden.

  • Jeugdigen boven de vijf jaar worden maximaal een jaar uit huisgeplaatst. In deze periode is er intensief contact tussen ouder en jeugdige waarin gestructureerd wordt geobserveerd hoe de jeugdige op zijn ouders reageert en in hoeverre ouders nieuwe opvoedingsvaardigheden weten toe te passen. Bij vooruitgang kan terugplaatsing gepland worden.

  • Wanneer in de periode van een half jaar of een jaar blijkt dat de ouders niet voldoende opvoedingscapaciteiten ontwikkelen of de relatie te weinig verbetert om van een hechtings- en opvoedingsrelatie te spreken, dan is terugplaatsing niet in het belang van de ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdige wordt dan permanent uit huis geplaatst en krijgt de gelegenheid om een hechtingsrelatie aan te gaan met pleegouders of gezinshuisouders waar hij in principe tot zijn volwassenheid woont.

… Meer

Wat is aan te bevelen bij het gezamenlijk uit huis plaatsen van broers en zussen?

Het lijkt voor jeugdigen het beste wanneer zij ergens samen met hun broers en zussen geplaatst worden. Toch kunnen er redenen zijn waarom jeugdigen niet samen met hun broers en zussen in een pleeggezin of gezinshuis geplaatst kunnen worden. Bijvoorbeeld:

  • Er is geen pleeggezin beschikbaar dat meerdere jeugdigen tegelijk kan opvangen;

  • Een of meerdere jeugdigen heeft/hebben specialistische zorg of behandeling nodig;

  • Een van de jeugdigen heeft gedragsproblemen, waardoor hij een bedreiging vormt voor het welzijn of de ontwikkeling van zijn broer(s) of zus(sen);

  • Broer(s) en zus(sen) hebben veel conflicten;

  • Er is (een vermoeden van) seksueel misbruik tussen de jeugdigen onderling.

… Meer

Er is in de praktijk geen overeenstemming over de vraag of broers en zussen het beste wel of niet gezamenlijk geplaatst kunnen worden wanneer een van de jeugdigen een ouderrol op zich heeft genomen (parentificatie). De werkgroep is van mening dat een jeugdige niet gestraft moet worden voor de rol die hij op zich heeft genomen om te compenseren voor onvermogen van zijn ouders. De werkgroep vindt dat deze jeugdigen gezamenlijk geplaatst moeten worden, maar dat goede begeleiding van de jeugdige nodig is zodat hij de ouderrol kan neerleggen en weer kind kan zijn. Het kan nodig zijn pleegouders expliciet hierbij te begeleiden, zodat zij de jeugdige hierin kunnen helpen.

De rol van ouders en jeugdige in besluitvorming
De uitgangsvragen
Reageer!