Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp

Het beslisproces

Vaardigheden van de jeugdprofessional

Een aantal vaardigheden zijn cruciaal voor jeugdprofessionals die samen met ouders en jeugdigen beslissen over passende hulp: analytische, gespreks- en schrijfvaardigheden.

1. Analytische vaardigheden

In het besluitvormingsproces vormen analytische vaardigheden een cruciaal aspect. Jeugdprofessionals hebben deze vaardigheden nodig om systematisch de complexe problematiek van gezinnen vanuit verschillende invalshoeken in beeld te brengen. Met goede analytische vaardigheden kunnen jeugdprofessionals:

  • verschillende relevante aspecten en deelproblemen aan een probleem onderscheiden;

  • hoofd- en bijzaken onderscheiden;

  • de benodigde informatie over de achtergronden en oorzaken verzamelen;

  • verbanden leggen tussen de informatie van verschillende informanten;

  • onderscheid maken tussen de kern van het probleem en veroorzakende en instandhoudende factoren;

  • onderscheid maken tussen feiten en meningen;

  • verbanden leggen tussen hun kennis en verzamelde informatie;

  • adequate oplossingen bedenken die aansluiten bij de problemen.

… Meer

Het resultaat van een zorgvuldige analyse is een gefundeerde conclusie over wat er aan de hand is en wat nodig is om de situatie te verbeteren. Analytisch denken vraagt van jeugdprofessionals dat ze niets zonder meer als vanzelfsprekend aannemen, maar dat ze vragen stellen als:

  • Wat betekent dat precies?

  • Waarom is dat zo? / Hoe is dat zo gekomen?

  • Hoe werkt dat?

  • Heb ik nog meer informatie nodig om me een goed beeld te vormen? Zo ja, welke en van wie?

… Meer

Door dit soort vragen te stellen kunnen jeugdprofessionals de essentie van de problemen achterhalen en tot de kern van het probleem komen. Ook kunnen jeugdprofessionals op deze manier de problematiek van gezinnen vanuit verschillende gezichtspunten bekijken. Zo ontdekken zij patronen in het gezin op basis van ogenschijnlijk losstaande gegevens van verschillende informanten en kunnen ze verbanden leggen tussen verschillende aanwezige vragen en problemen (wat is de kern van de vraag of het probleem, welke factoren veroorzaken het of houden het in stand, welke risico’s en beschermende factoren zijn er).

2. Gespreksvaardigheden

Gespreksvaardigheden zijn cruciaal in het opbouwen en onderhouden van een samenwerkingsrelatie. Zowel luistervaardigheden als regulerende vaardigheden spelen daarbij een rol. Luistervaardigheden hebben als doel de cliënt de ruimte te geven zijn verhaal op zijn manier te vertellen. Van de jeugdprofessional wordt verwacht dat hij actief kan luisteren. Dat wil zeggen dat hij door (kleine) acties en interventies laat merken dat hij volgt wat de cliënt zegt, en de cliënt zo stimuleert om verder te vertellen en om zijn informatie overzichtelijk te maken. Regulerende vaardigheden hebben tot doel te zorgen voor duidelijkheid over de gang van zaken in het gesprek, zowel voor de cliënt als voor de jeugdprofessional.

Bij gezamenlijke besluitvorming stelt de jeugdprofessional veel open vragen, geeft en vraagt hij veel informatie, vraagt hij of de hulpvrager wil participeren in de besluitvorming en houdt hij expliciet rekening met de omstandigheden en voorkeuren van de hulpvrager. De eerste stap en voorwaarde in het proces van gezamenlijke besluitvorming is het wederzijds informatie uitwisselen tussen de hulpvrager en jeugdprofessional. De jeugdprofessional informeert de ouders en jeugdige over de diagnostiek en de behandelmogelijkheden, en de ouders en jeugdige informeren de jeugdprofessional over hun ideeën, zorgen en verwachtingen. Om effectief te zijn, moet de informatie aansluiten bij de behoeften van de hulpvrager (ofwel ‘tailoring’). Over het algemeen willen ouders en/of jeugdige weten en begrijpen hoe de problemen geïnterpreteerd moeten worden, of er iets mis is, en zo ja, wat daaraan gedaan kan worden. Verder hebben hulpvragers de behoefte zich gekend en begrepen te voelen, hun zorgen te uiten en gerustgesteld te worden.

Om een wederzijds informatieproces op gang te brengen, vraagt de jeugdprofessional in eerste instantie wat de hulpvrager al weet en wat hij of zij verder wil weten. Veel hulpvragers zoeken namelijk zelf al informatie op. Belangrijke informatie waar de hulpvrager niet om vraagt biedt de jeugdprofessional alsnog aan. De informatie dient in kleine stapjes aangeboden te worden en er dient telkens gevraagd te worden naar een reactie, of de jeugdprofessional reageert op de non-verbale signalen van de cliënt. Een vraag als ‘Wat betekent dit voor u?’ maakt de informatie specifiek en persoonlijk. Dit helpt de jeugdprofessional een beter begrip van de situatie van de ouders en jeugdige te krijgen.

Motiverende gespreksvoering

Motiverende gespreksvoering blijkt effectief om intrinsieke motivatie aan te boren en te versterken (zie voor een overzicht Bartelink, 2013b). Het is effectief bij diverse doelgroepen, met name ook bij cliënten die in eerste instantie geen of weinig intrinsieke motivatie tot verandering hebben. Motiverende gespreksvoering biedt professionals handreikingen om cliënten te helpen bepalen wat ze met de hulp willen bereiken, en om te komen tot doelen die passen bij de wensen/doelen die zij voor hun leven hebben. Om motiverende gespreksvoering goed toe te kunnen passen hebben jeugdprofessionals een training, oefening in de praktijk en feedback op hun handelen nodig.

Jeugdprofessionals kunnen invloed hebben op de motivatie van ouders en jeugdigen. Het is belangrijk dat de jeugdprofessional begrip toont voor een ambivalente houding en bijbehorende emoties van een ouder of jeugdige en laat merken dat hij ervan overtuigd is dat de ouder of jeugdige in staat is om te veranderen. Een empathische houding van de jeugdprofessional lijkt verandering te bevorderen. Het werkt averechts als een jeugdprofessional in discussie gaat met een cliënt of rechtstreeks probeert hem te overtuigen. Wanneer een cliënt weerstand heeft tegen de aanpak van de jeugdprofessional, betekent dit dat de jeugdprofessional niet goed is afgestemd op de cliënt. Daarom wordt weerstand niet zozeer bestreden als wel erkend en onderzocht. Doel hiervan is de cliënt te helpen om zijn kijk op het probleem te wijzigen.

Om tot een verandering in het gedrag van de cliënt te komen, is het nodig dat er een discrepantie ontstaat tussen het huidige gedrag van de cliënt en belangrijke doelen of waarden die de cliënt voor zijn leven heeft. De cliënt moet ontdekken waarom het belangrijk voor hem is om te veranderen, namelijk omdat zijn leven er niet uitziet zoals hij wil dat het eruit ziet.

Wat ouders en jeugdigen zeggen over verandering geeft een indicatie hoe ze tegenover verandering staan. Uitspraken waaruit blijkt dat zij willen veranderen, voorspellen of zij daadwerkelijk veranderen. Daarom is het zaak voor de jeugdprofessional ouders en jeugdigen zover te krijgen dat ze zulke uitspraken doen.

De jeugdprofessional moet ook in staat zijn om de overtuiging van een cliënt dat hij beschikt over de benodigde capaciteiten om te veranderen te ondersteunen. Die overtuiging is een belangrijke voorwaarde voor gedragsverandering.

Ook is het belangrijk dat de jeugdprofessional ruimte geeft aan de ouders en jeugdige om te kunnen oefenen en experimenteren met ander gedrag, en dat hij er begrip voor heeft dat een terugval in oude gedragspatronen kan vóórkomen.

Interventies dienen afgestemd te zijn op het motivatiestadium van het individu, omdat dit de effectiviteit verhoogt. Prochaska, DiClemente en Norcross leggen een relatie tussen het motivatiestadium waarin de cliënt verkeert en de technieken die de hulpverlener dient te gebruiken om de bereidheid om te veranderen te stimuleren.

Elk motivatiestadium met bijbehorende technieken wordt onderstaand weergegeven.

  • Voorbeschouwing
    (precontemplatie)

  • Overpeinzing (contemplatie)

    • ‘Bewustmakende’ interventies (observaties, confrontaties en interpretaties).
    • Handelingen gericht op het laten ervaren en uitdrukken van gevoelens over het probleem en de oplossingen (rollenspel, psychodrama, rouw).
    • Handelingen gericht op het verhelderen van de invloed van het probleem op de omgeving.
  • Besluitvorming (voorbereiding)

    • Handelingen gericht op het verhelderen van hoe de cliënt over zichzelf in relatie tot het probleem denkt (o.a. verhelderen van waarden, denkbeelden, wensen).
  • Actie

    • Handelingen gericht op het kiezen voor het zich verbinden aan actie, of het doen ontstaan van geloof in het vermogen om te veranderen (keuzes maken, voornemens formuleren, doelen stellen, commitment- verhogende handelingen zoals behandelcontracten aangaan).
  • Onderhoud (consolidatie)

    • Handelingen van beloning van verandering (zelfbeloning, beloning door anderen).
    • Handelingen gericht op het wekken van vertrouwen en het zich openstellen bij iemand die om de cliënt geeft (de therapeutische alliantie, sociale steun, zelfhulpgroepen).
    • Handelingen gericht op het substitueren van het probleemgedrag door alternatieven (ontspanning, desensitiseren, voor zichzelf opkomen, positieve zelfuitspraken).
    • Handelingen gericht op het vermijden van of omgaan met stimuli die het probleemgedrag uitlokken (waaronder uitdovingstechnieken, eerst-denken-dan-doen-technieken, vermijden van risicovolle situaties).

… Meer

Oplossingsgericht werken

Oplossingsgericht werken is een veelbelovende benadering om cliënten (zowel ouders als jeugdigen) te helpen beslissen hoe zij hun problemen willen aanpakken. Er is nog relatief weinig onderzoek gedaan, maar het meeste onderzoek levert wel positieve resultaten op (zie voor een overzicht Bartelink, 2013c). Het geeft de jeugdprofessional handreikingen om ouders en jeugdigen tot het bedenken van eigen oplossingen aan te zetten.

Het uitgangspunt van oplossingsgericht werken is dat inzicht in het ontstaan van problemen niet nodig is om deze te kunnen oplossen. De nadruk van de behandeling ligt daarom op het vinden van oplossingen. De cliënt wordt gezien als expert. De hulpverlener neemt een houding van niet-weten aan zodat de expertrol van de cliënt tot uitdrukking komt. Een ander aspect van de houding van de hulpverlener is leading from one step behind. Dat betekent dat de hulpverlener figuurlijk gesproken achter de cliënt staat. Door oplossingsgerichte vragen te stellen kijkt hij over de schouder van de cliënt mee en nodigt hij de cliënt uit om zijn doel te bepalen en de mogelijke oplossingen zo breed mogelijk te verkennen.

In het eerste gesprek formuleert de cliënt zijn doel. Bij voorkeur gebeurt dit in positieve, concrete en haalbare gedragstermen. De hulpverlener helpt de cliënt om te bepalen wat er in de plaats van het probleem moet komen.

Oplossingsgericht werkende hulpverleners vragen hun cliënten naar uitzonderingen op de problemen. Uitzonderingen zijn situaties waarin het probleem zich niet voordoet terwijl dat wel verwacht wordt. Door uitzonderingen te benadrukken, kunnen cliënten aanknopingspunten voor de oplossing ontdekken. Een vraag die de hulpverlener kan stellen, is: ‘Wanneer zijn er momenten waarop het probleem er niet of minder is, en wat doet u op die momenten anders dan anders?’ De hulpverlener stelt over uitzonderingen het liefst tot in detail vragen. Hierbij benadrukt hij het aandeel van de cliënt in de oplossing en geeft hij complimenten voor wat er goed gaat.

Ook kenmerkend voor oplossingsgericht werken zijn schaalvragen en competentievragen. De cliënt wordt gevraagd in hoeverre hij meent dat het doel al bereikt is op een schaal van 1 tot 1o. Als hij een 10 geeft, is zijn doel bereikt. Een 1 geeft het ergste moment aan dat hij kent. De hulpverlener kan hierop doorvragen met vragen als: ‘Hoe lukt het u om (al) op dat cijfer te zitten?’ of ‘Hoe zou één cijfer hoger eruit zien? Wat zou u dan anders doen?’

Engageren en positioneren

De Deltamethode Gezinsvoogdij (gedwongen hulpverlening) noemt als cruciale gespreksvaardigheden: het engageren, het positioneren en het schakelen tussen deze twee vaardigheden.

Engageren is de vaardigheid om jeugdige, ouders en andere betrokkenen te motiveren tot actieve medewerking. Positioneren is de vaardigheid om het specifieke van de kinderbeschermingsmaatregel, vooral de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige, te verduidelijken. Concreet betekent dit dat de gezinsvoogd duidelijke grenzen stelt aan het gezin daar waar de veiligheid van de jeugdige in het geding is. Eenzijdig benadrukken van een van beide aspecten leidt tot problemen in de communicatie met gezinnen. Wanneer een gezinsvoogd te veel engageert zonder zich te positioneren, leidt dat er toe dat hij ‘ingezogen raakt’ in het gezin en het zicht op het noodzakelijke positioneren verloren gaat. Wanneer een gezinsvoogd zich te sterk positioneert, kan het zijn dat hij geen vertrouwen meer krijgt van het gezin. Daarom moet de gezinsvoogd in staat zijn om continu tussen deze twee vaardigheden te schakelen.

Praten met de jeugdige

In het beslissen over hulp is het van cruciaal belang dat de jeugdprofessional niet alleen van ouders hoort wat hun ideeën en verwachtingen zijn, maar dat de jeugdprofessional ook met de jeugdige praat. Een jeugdige durft in het bijzijn van zijn ouders niet altijd vrijuit te spreken (uit angst of loyaliteit), en ook ouders durven in het bijzijn van hun kind niet altijd alles te vertellen. Praten met jeugdigen, zeker wanneer ze nog jong zijn, vraagt extra gespreksvaardigheid van de jeugdprofessional.

Veel jeugdprofessionals vinden het moeilijk om te praten met jeugdigen en sommigen gaan dit liever uit de weg. Jeugdigen, zeker onder de twaalf jaar, worden zelden als volwaardige gesprekspartners gezien. Vanaf een jaar of vijf of zes vinden praktijkwerkers het zinvol om met een jeugdige te praten (Ten Berge & Bakker, 2005). Delfos (2005b) stelt echter dat jeugdprofessionals al met jeugdigen vanaf vier jaar kunnen praten, mits ze in het gesprek de beleving van de jeugdige centraal stellen en van daaruit verder praten. Uiteraard moet elke jeugdprofessional zich per jeugdige en situatie afvragen of het nodig en wenselijk is om met de jeugdige te spreken. Het uitgangspunt daarbij moet zijn dat met de jeugdige wordt gepraat, tenzij…. Op dit ‘tenzij’ moet de jeugdprofessional een afdoende antwoord geven: waarom niet met de jeugdige praten? Wat is er in deze situatie tegen een gesprek met de jeugdige?

Wat betreft gesprekstechnieken is het belangrijk dat de jeugdprofessional zowel de inhoud van het gesprek als de vorm en zijn taalgebruik afstemt op de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Van belang zijn een vertrouwde ruimte voor de jeugdige om het gesprek te voeren en een jeugdprofessional die meervoudig partijdig is.

3. Schrijfvaardigheden

Jeugdprofessionals moeten op een aantal momenten in het beslisproces de verzamelde informatie, conclusies, besluiten en de onderbouwing daarvan vastleggen. Dit bevordert de inzichtelijkheid van het proces en maakt het overdraagbaar naar ouders, jeugdigen, directe collega’s en andere organisaties waarmee samengewerkt wordt. Jeugdprofessionals moeten dus in staat zijn om helder en voor iedereen begrijpelijk te kunnen rapporteren, waarbij ze onderscheid kunnen maken tussen feiten, meningen en belevingen, en tussen verzamelde informatie en eigen conclusies en besluiten. Goede schrijfvaardigheden zijn dan ook een aandachtspunt voor jeugdprofessionals.

Instrumenten
Aandachtspunten in het beslisproces
Reageer!