Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp

Doelen opstellen en beslissen over hulp

Beslissen over beëindiging van hulp

Tijdig beslissen over beëindiging van de hulp is noodzakelijk. Dat vraagt om kritische reflectie van de uitvoerend jeugdprofessional op het hulpproces. Een jeugdprofessional kan zichzelf en ouders en jeugdige de volgende vragen stellen:

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige voldoende hersteld?

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige met de huidige hulp binnen aanvaardbare termijn voldoende te herstellen?

  • Is de balans tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige met andere hulp binnen aanvaardbare termijn voldoende te herstellen?

… Meer

Bij de beoordeling van de bovenstaande vragen spelen feitelijk dezelfde aandachtspunten een rol als bij de beslissing over hulp. Daarbij gaat de jeugdprofessional samen met ouders en jeugdige na 1) of er verbetering zichtbaar is in de balans tussen opvoedingscapaciteiten en ontwikkelingsbehoeften, en 2) of er een opvoedingssituatie is te creëren die goed genoeg is voor de jeugdige.

Een evaluatie van de geboden hulp speelt een belangrijke rol in de beslissing over beëindiging van de hulp. Vragen die daarbij van belang zijn:

  • Wat waren de redenen voor de hulp?

  • Zijn de doelen die ouders en jeugdige zichzelf gesteld hebben bereikt?

  • Wat heeft hen wel en niet geholpen om hun doelen te bereiken?

  • Zijn de doelen binnen aanvaardbare termijn bereikbaar?

  • Is de huidige hulp geschikt om de doelen te bereiken of hebben ouders en jeugdige andere dan wel intensievere hulp nodig?

… Meer

Wettelijk is vastgelegd dat minimaal elk halfjaar een evaluatie van de hulp moet plaatsvinden. Maar afhankelijk van het doel kan dit ook al eerder zijn. Op basis van de evaluatie kunnen de doelen en de hulp worden bijgesteld.

Het is niet wenselijk als hulp steeds maar op dezelfde manier doorgaat, terwijl de jeugdige in een onveilige situatie verkeert. Daarom stellen Van den Bergh en Weterings als aanvaardbare termijn voor verandering dat bij ernstige problemen in het gezin binnen een halfjaar een duidelijke verbetering zichtbaar moet zijn. Bij langdurige onveiligheid ontstaat schade aan het vermogen van jeugdigen om zich te ontwikkelen. Dit sluit niet uit dat hulp die langer duurt dan een halfjaar soms nodig is, of dat gezinnen zelfs blijvende ondersteuning nodig kunnen hebben om een veilige opvoedingssituatie te kunnen bieden.

Als de jeugdprofessional samen met ouders en jeugdige besluit dat de hulp kan worden afgesloten, is het belangrijk afspraken te maken over wat ouders en jeugdige kunnen doen als ze met een terugval te maken krijgen. Bij wie kunnen ze terecht? Eventueel kan hierbij ook het netwerk betrokken worden.

Voor een aanmelder is het prettig te weten dat de hulp is afgesloten en dat de doelen zijn bereikt. De uitvoerend jeugdprofessional koppelt dit daarom terug aan de aanmelder. Soms kan de aanmelder een rol spelen in de nazorg voor een gezin of het signaleren van terugval. De jeugdprofessional bespreekt met ouders en jeugdige of zij het prettig vinden als de aanmelder hierin een rol heeft. Als dat het geval is, bespreekt hij ook wat er aan de aanmelder teruggekoppeld moet worden.

Aanbevelingen
Evaluatie en monitoring van het hulpverleningsproces
Reageer!