Problematische gehechtheid

Deze richtlijn gaat over kinderen en jongeren die een problematische gehechtheidsrelatie hebben met hun (pleeg/adoptie) ouders. Onveilig gehechte jeugdigen ontlenen geen of onvoldoende emotionele veiligheid aan de relatie met hun ouder(s). Problematische gehechtheidsrelaties kunnen een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van leven van het kind of de jongere, afhankelijk van de ernst van de gehechtheidsproblemen.

Signalering en diagnostiek

Conclusies en Stappenplan

In het boek ‘Signaleren van verstoorde gehechtheid’ wordt  een uitgebreide diagnostische procedure beschreven die is ontwikkeld voor kinderen/jongeren met een visuele en/of licht verstandelijke beperking. Het stappenplan in dit boek is een voorbeeld van ‘best practice’, die we hier aanbevelen voor gebruik in de jeugdhulp en jeugdbescherming, ook bij niet-beperkte kinderen. Zie ook Werkkaart 3  Stappenplan Screening en Diagnostiek.

Het stappenplan dat we hier presenteren is vereenvoudigd om het geschikt te maken voor jeugdprofessionals. Bij elke volgende stap is meer specifieke deskundigheid vereist:

Stap 1 kan door alle professionals in de jeugdhulp worden uitgevoerd, en stap 2 door gedragswetenschappers. Voor het uitvoeren van stap 3 zijn specifieke vaardigheden nodig om de verschillende instrumenten af te kunnen nemen en de uitkomsten ervan te kunnen interpreteren. Deze stap kan uitgevoerd worden door een GZ-psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog NIP of een orthopedagoog-generalist.

In het boek ‘Signaleren van verstoorde gehechtheid’ wordt een uitgebreide diagnostische procedure beschreven die is ontwikkeld voor kinderen/jongeren met een visuele en/of licht verstandelijke beperking.

Dekker – van der Sande & Janssen, 2010

Stap 1: Wees alert op gehechtheid

Ouders, pedagogisch medewerkers en begeleiders letten erop of een jeugdige zich op z’n gemak voelt bij de personen aan wie hij gehecht is. Voelt de jeugdige zich veilig bij die persoon, laat het kind zich troosten of helpen, luistert het kind doorgaans naar deze volwassene? Hebben ze samen plezier? Eventueel wordt de Lijst Signalen van Verstoord Gehechtheidsgedrag (zie bijlage 4 van de richtlijn Problematische gehechtheid) geraadpleegd om te checken welke gedragingen van de jeugdige zouden kunnen wijzen op een problematische gehechtheidsrelatie. Deze lijst wordt nog niet afgenomen

    … Meer

    Stap 2: Wanneer er een vermoeden is van een problematische gehechtheidsrelatie, schakel dan de gedragswetenschapper in voor een korte screening.

    In overleg met de (ambulant) begeleider of de jeugdzorgprofessional worden de volgende activiteiten uitgevoerd:

    • Een eerste gesprek met de ouders (of de volwassene die de ouderrol vervult) bij wie de jeugdige opgroeit of opgegroeid is. In dit eerste gesprek verkent de gedragswetenschapper de voorgeschiedenis van de jeugdige. De informatie die de ouders aandragen, kan worden aangevuld met gegevens uit het dossier van de jeugdige. Het is de bedoeling dat de gedragswetenschapper een globaal beeld krijgt van de volgende aandachtspunten:

      • Zijn er aanwijzingen voor pathogene zorg, dat wil zeggen: verwaarlozing, mishandeling, of het negeren van basale fysieke en emotionele behoeften van de jeugdige?
      • Is Veilig Thuis betrokken (geweest) bij het gezin of zijn er juridische maatregelen aan de orde?
      • Zijn er wisselingen van ouders/verzorgers geweest?
      • Is er sprake van een uithuisplaatsing op jonge leeftijd?
      • Heeft de jeugdige ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt?

      Verder is van belang dat samen met de ouders de belemmerende en beschermende factoren op alle vier niveaus in kaart gebracht worden: ouder, kind, gezinsomstandigheden en het contact tussen ouder en kind. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijlage 2.

      Naast een gesprek met de ouders over de voorgeschiedenis, wordt ook met de jeugdige zelf gesproken als de jeugdige daartoe in staat is. Het kan zijn dat de beleving van de jeugdige, bijvoorbeeld over ingrijpende gebeurtenissen, verschilt van die van de ouders of verzorgers.

    • De gedragswetenschapper neemt de Lijst Signalen van Verstoord Gehechtheidsgedrag of de Attachment Insecurity Screening Inventory (AISI) af (zie bijlage 4). In een gesprek met de ouders wordt voor elk gedrag uit de lijst nagegaan of de jeugdige dat gedrag laat zien ten opzichte van de ouder. Daarbij vraagt de gedragswetenschapper naar concrete voorbeelden. Aan elke gedraging wordt een score tussen de 1 en 5 toegekend. Na afloop maakt de gedragswetenschapper een verslag en berekent een totaalscore. Het is ook mogelijk de lijst in te vullen op basis van observaties van de jeugdige met zijn ouder.

       

    • Het brede functioneren van de jeugdige in het dagelijks leven wordt verder onderzocht met  behulp van de CBCL/TRF/YSR of de Vragenlijst over Ontwikkeling en Gedrag (VOG). Bij voorkeur vullen zowel ouders, leerkracht, als de jeugdige zelf de vragenlijst in. De vragenlijst geeft een indicatie van de mate waarin gedrags- en emotionele problemen voorkomen.

       

    • De gedragswetenschapper rondt samen met de (ambulante) begeleider en eventueel de pedagogisch medewerker de screening af, met als drie mogelijke uitkomsten:

      • het vermoeden van problematische gehechtheid wordt niet bevestigd. Dat betekent dat de gedragswetenschapper nagaat of er nog meer onderzoek nodig is. Is dat niet het geval, dan rondt hij de zaak af.
      • het vermoeden wordt gedeeltelijk bevestigd. Van belang is om onderscheid te maken tussen gehechtheidsproblematiek en andere gedrags- of emotionele problemen.
      • het vermoeden wordt bevestigd.

    … Meer

    Stap 3: Indien er aanwijzingen zijn voor gehechtheidsproblemen: uitgebreider onderzoek door de gedragswetenschapper.

    • In een gesprek met de ouders wordt de gehechtheidsontwikkeling van de jeugdige nauwkeuriger in kaart gebracht dan in stap 2 (zie bijlage 3).

       

    • De gedragswetenschapper kan gebruik maken de Klinische Observatie van Gehechtheid.

       

    • De gedragswetenschapper kan een interview afnemen bij de ouders: het Disturbances of Attachment Interview(DAI).

       

    • Bij ernstige problemen van de jeugdige verwijst de gedragswetenschapper naar een kinderpsychiater, GZ-psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog NIP of  een orthopedagoog-generalist. Hij kan beoordelen of er sprake is van een reactieve hechtingsstoornis zoals gedefinieerd door de DSM–5, en of er eventueel sprake is van comorbiditeit.

       

    • De gedragswetenschapper en begeleider bekijken en beoordelen de video-opnamen van interacties tussen het jonge kind en de volwassene aan wie het kind problematisch gehecht is. Daarbij maken ze onder andere gebruik van de Emotional Availability Scales (EAS).

       

    • De uitkomsten uit de verschillende instrumenten worden naast elkaar gelegd en gewogen. Op basis van dit totaalbeeld wordt vastgesteld welke behandeling of begeleiding nodig is. Als het uitgebreide onderzoek aangeeft dat de jeugdige ernstige problemen heeft op het gebied van gehechtheid, zoals een hechtingsstoornis, verwijs dan door naar een GZ-psycholoog, kinder- en jeugdpsycholoog NIP of orthopedagoog-generalist met relevante scholing in de gehechtheidsproblematiek.

       

    … Meer

    Wil je hier op reageren of heb je vragen? Neem dan contact met ons op.

    Diagnostische instrumenten
    Aanbevelingen
    Reageer!