Problematische gehechtheid

Oorzaken en kenmerken

Beïnvloedende factoren problematische gehechtheid

Er zijn allerlei factoren die kunnen leiden tot een problematische gehechtheidsrelatie. Vaak is het een combinatie van omstandigheden die maakt dat de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind niet optimaal tot stand komt. We onderscheiden vier groepen risicofactoren voor het ontstaan van een problematische gehechtheidsrelatie. Doel van dit hoofdstuk is deze risicofactoren beter in kaart te brengen. Het betreft:

  • kenmerken en gedrag van de ouder;

  • kenmerken van het jonge kind;

  • gezins- en leefomstandigheden;

  • stabiliteit en continuïteit in het contact tussen ouder en kind.

… Meer

1. Kenmerken en gedrag van de ouder

Wanneer een ouder zelf een onveilig model van gehechtheid heeft, is de kans groot dat zijn zoon of dochter zelf ook een onveilige gehechtheidsrelatie ontwikkelt. Voor een groot deel vindt de overdracht van gehechtheid plaats door de mate waarin de ouder sensitief reageert op zijn. Het kan zijn dat de ouder zelf als kind problematisch gehecht was aan zijn ouders, en zodoende een basispatroon van wantrouwen en onzekerheid jegens anderen heeft ontwikkeld. Dat wantrouwen of die onzekerheid geeft de ouder onbewust door. De ouder reageert bijvoorbeeld niet of erg traag op huilen, negeert zijn kind al dan niet bewust of is hardhandig en ruw in de omgang met het kind. Ook het onvermogen om te kunnen reflecteren wordt op het jonge kind overgedragen.

Naast het model van gehechtheid dat de ouder heeft, is de psychische gesteldheid van de ouder van belang voor de ontwikkeling van gehechtheidsrelaties. Factoren zoals depressie, psychiatrische problemen en verslavingsproblematiek kunnen de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie met een jeugdige bedreigen. Ook is het van belang dat ouders vertrouwen hebben in hun eigen kwaliteit als opvoeder. Opvoedingsonzekerheid en opvoedingsspanning hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van een gehechtheidsrelatie.

Hoewel we hier allerlei kenmerken van de ouder hebben benoemd die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een problematische gehechtheidsrelatie, is het zeker niet de bedoeling ouders te ‘beschuldigen’. Zoals verderop in dit hoofdstuk aan de orde komt, kan een combinatie van verschillende factoren in jeugdige, ouders en omgeving leiden tot een problematische gehechtheidsrelatie. Ouders hebben vaak wel een gevoel van falen wanneer hun zoon of dochter een problematische gehechtheidsrelatie heeft. Benadruk als professional dat het niet  de schuld van de ouders is dat de jeugdige een problematische gehechtheidsrelatie heeft. Lees hierover meer in het hoofdstuk Preventie en interventie.

Wanneer een ouder zelf een onveilig model van gehechtheid heeft, is de kans groot dat zijn zoon of dochter zelf ook een onveilige gehechtheidsrelatie ontwikkelt.

Madigan, Bakermans-Kranenburg, van IJzendoorn, Moran, Pederson, & Benoit, 2006

2. Kenmerken van het jonge kind

Eigenschappen van het jonge kind spelen een belangrijke rol in het ontstaan van een gehechtheidsrelatie met de ouder(s). Kinderen die te vroeg geboren zijn, huilen bijvoorbeeld harder en op een hogere toonhoogte dan voldragen kinderen. Dat kan irritatie oproepen. Ook een moeilijk temperament stelt hoge eisen aan de ouder. Kinderen met een moeilijk temperament reageren vaak heftiger op prikkels, zijn vaker in een negatieve stemming en hebben een minder regelmatig slaap-waakritme dan kinderen met een makkelijk temperament. Voor de ouders is het daardoor moeilijker om sensitief op signalen te reageren en soepel met het kind om te gaan. Toch kunnen kinderen die te vroeg geboren zijn of een moeilijk temperament hebben wel degelijk veilige gehechtheidsrelaties met hun ouder(s) ontwikkelen.

Zoals in het hoofdstuk Definitie aan de orde kwam, komt onveilige gehechtheid veel vaker voor bij jeugdigen met een autistische stoornis, ontwikkelingsstoornis en/of verstandelijke beperking. Nederlands onderzoek heeft laten zien dat een groot deel van hen een gedesorganiseerde/ verstoorde gehechtheidsrelatie heeft. Verondersteld wordt dat dit komt doordat gehechtheid niet alleen biologisch, maar ook cognitief bepaald is. Bij de vorming van een gehechtheidsrelatie ontwikkelt het kind een werkmodel van gehechtheid waarin verwachtingen ten aanzien van de ouder en zichzelf liggen opgeslagen. Voor kinderen met een autistische stoornis en/of verstandelijke beperking is het blijkbaar moeilijker om voorspelbare patronen over de ouder in het geheugen op te slaan.

Ook voor ouders van kinderen met een licht verstandelijke beperking (LVB) of ontwikkelingsstoornissen is het moeilijker om een veilige band op te bouwen met dat kind. Onderzoek laat zien dat deze kinderen minder en moeilijk afleesbare signalen afgeven, waardoor het voor ouders lastiger is om sensitief te reageren op het kind en positieve wederkerige interacties te hebben.

In het algemeen geldt overigens dat risicofactoren op het niveau van de jeugdige kunnen worden gecompenseerd door beschermende factoren op het niveau van de ouder(s) en gezin. Denk aan de aanwezigheid van veel sociale steun in het gezin: dit kan compenseren voor risicofactoren zoals vroeggeboorte of een moeilijk temperament. Andersom werkt het niet: risicofactoren op het niveau van de ouder(s) kunnen niet gecompenseerd worden door beschermende factoren op kindniveau. Om die reden drukt de ouder een zwaarder stempel op de ontwikkeling van een gehechtheidsrelatie dan de jeugdige.

3. Gezins- en leefomstandigheden

Het is niet verwonderlijk dat kindermishandeling een grote invloed heeft op de gehechtheidheidsrelatie. Wordt een kind mishandeld, dan raakt het verzeild in een onoplosbare paradox (‘angst zonder oplossing’). De gehechtheidsfiguur is zowel een bron van troost en veiligheid als een bron van angst. Onderzoek laat zien dat kinderen en jongeren die mishandeld worden vaker onveilig gehecht zijn dan jeugdigen die niet worden mishandeld. In een meta-analyse bleek 86% van de mishandelde kinderen en jongeren een onveilige gehechtheidsrelatie te hebben, tegenover 38% in de normgroep. Van deze onveilig gehechte jeugdigen bleek maar liefst 51% een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie te hebben, terwijl dat percentage in een gewone populatie ongeveer 15% bedraagt. Kindermishandeling vormt dus een groot risico voor het ontwikkelen van een problematische gehechtheidsrelatie.

Maar er zijn meer risicofactoren in de gezins- en leefomstandigheden voor het ontwikkelen van een problematische gehechtheidsrelatie. Ook de invloed van kindermishandeling en een combinatie van andere risicofactoren (zoals armoede, alleenstaand ouderschap, etnische afkomst, psychische problematiek bij de ouders, werkloosheid, en middelenmisbruik) hebben effect op gehechtheid. Waren er meer dan vijf van zulke risicofactoren aanwezig, dan liep de jeugdige een groot risico op een gedesorganiseerde (en dus onveilige) gehechtheid, ook wanneer er geen sprake was van kindermishandeling. Kinderen die in risicovolle omstandigheden leven hebben meer kans om onveilige en gedesorganiseerde gehechtheidspatronen te ontwikkelen dan kinderen en jongeren in gezinnen met weinig risico’s, of ze nu mishandeld worden of niet.

 

Vier ontwikkelingspaden kunnen leiden tot een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie:

  • mishandeling;

  • verwaarlozing;

  • getuige zijn van huiselijk geweld;

  • aanwezigheid van meerdere risicofactoren, zoals armoede, alleenstaand ouderschap, behoren tot een etnische minderheid, werkloosheid en middelenmisbruik.

… Meer

In al deze vier situaties is de gehechtheidsfiguur zowel een bron van steun (zoals normaal bij gehechtheidsfiguren) als een bron van angst voor het kind. Stapelen de risicofactoren zich op, dan is dat stressvol en mogelijk traumatisch voor de ouder. Daardoor kan de ouder op bepaalde momenten zozeer ‘opgeslokt’ zijn door zijn eigen leed dat hij niet reageert als zijn kind nabijheid of steun zoekt. In plaats van zijn kind te troosten, reageert de ouder bijvoorbeeld extreem passief. Dat roept weer angst op bij de jeugdige, hetgeen kan leiden tot een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

Wordt een kind mishandeld, dan raakt het verzeild in een onoplosbare paradox (‘angst zonder oplossing’)

Van IJzendoorn & Bakermans-Kranenburg, 2010

4. Stabiliteit en continuïteit in het contact tussen ouder en kind

Voor het ontstaan van een veilige, niet-problematische gehechtheidsrelatie is continuïteit in het contact tussen ouder en kind van belang. Een chaotische leef- en opvoedingsomgeving kan leiden tot verwaarlozing van de gehechtheidsbehoefte van de jeugdige. Dat wil zeggen: ouders die zorgen hebben over hun inkomen, over werkloosheid, discriminatie en/of huisvesting zijn soms onvoldoende in staat om sensitief op hun kind te reageren. De vele problemen van de ouders leiden tot een chronische hyperactivering van het gehechtheidssysteem in het kind dat niet weet tot wie het zich kan wenden voor troost.

Behalve door onzekere, moeilijke omstandigheden waarin een jeugdige opgroeit, wordt het ontstaan van een veilige gehechtheidsrelatie bedreigd door te veel wisselingen van vaste verzorgers. Een jong kind kan zich dan niet veilig hechten. Jonge kinderen die een gehechtheidsfiguur verliezen, lopen ook een groter risico een onveilige gehechtheidsrelatie te ontwikkelen. Maar ook een ziekenhuisopname van het kind op jonge leeftijd, of conflicten tussen ouders onderling (zoals bij een ‘vechtscheiding’) kunnen een bedreiging vormen. Kinderen die in hun eerste levensjaren een ‘vechtscheiding’ tussen beide ouders hebben meegemaakt, lopen een verhoogd risico een problematische gehechtheidsrelatie te ontwikkelen.

In het hoofdstuk Prevalentie werd al opgemerkt dat problematische gehechtheid (vooral de gedesorganiseerde, verstoorde vorm) veel vaker voorkomt bij jeugdigen die geadopteerd zijn en/of opgroeien in een pleeggezin. Voor adoptiekinderen geldt dat de leeftijd waarop ze worden geadopteerd van belang is voor de gehechtheidsrelatie. Kinderen die na de 1e verjaardag worden geadopteerd (op de leeftijd dat zij al een eerste gehechtheidsrelatie hebben opgebouwd) zijn vaker onveilig gehecht dan kinderen die niet geadopteerd zijn. Juist deze kinderen hebben vaak langere tijd in een instelling doorgebracht, en relatief veel geadopteerde kinderen ontwikkelen een gedesorganiseerde gehechtheid (ruim 30 procent, in tegenstelling tot 15 procent in groepen van niet-geadopteerde kinderen). Wanneer de adoptie vóór het 1e levensjaar plaatsvindt, is er geen verschil in gehechtheid tussen geadopteerde en niet-geadopteerde kinderen. Uiteraard blijft alertheid op de gehechtheidsrelatie wel altijd geboden.

Wil je hier op reageren of heb je vragen? Neem dan contact met ons op.

Herstellen van gedesorganiseerde gehechtheid
Inleiding
Reageer!