Multiprobleemgezinnen

Het vaststellen van ‘goed genoeg’ ouderschap

In kaart brengen van ouderschap

De omschrijving en definitie van goed genoeg ouderschap vragen om meer concretisering. Hoe weet de hulpverlener wanneer een ouder zijn kind voldoende ondersteunt zodat de jeugdige zich goed kan ontwikkelen? De wetenschap is er niet in geslaagd om goed ouderschap te normeren; er zijn geen instrumenten die door middel van bepaalde scores kunnen verduidelijken of ouders wel of niet doen wat ze moeten doen.

Hulpverleners beantwoorden deze vraag veelal op basis van persoonlijke en professionele intuïtie. Er zijn echter wel aspecten van de opvoeding en omgeving waarvan is aangetoond dat deze van invloed zijn op de ontwikkeling van een jeugdige, en waar de hulpverlener op zou kunnen letten.

Het Framework for the assessment of children in need and their families is een Engels instrument dat gebruikt kan worden voor het in kaart brengen van de ontwikkeling en de veiligheid van een jeugdige en welke factoren daarbij een rol spelen. Het ‘framework’ stelt dat het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige worden bepaald door de interactie tussen drie domeinen, weergegeven als drie zijden van een driehoek (zie figuur 1 op pagina 36 in de complete richtlijn, pdf).

Het eerste domein, de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige, wordt in dit model getypeerd aan de hand van de volgende zeven dimensies:

  • 1. Gezondheid en fysieke verschijning

    • algemene gezondheid, groei en ontwikkeling;
    • speciale behoeften door bijvoorbeeld ziekte of beperking;
    • aanwezigheid van letsel (mogelijk als gevolg van kindermishandeling);
    • uiterlijke verschijning (bijvoorbeeld kleding, uitgerust/vermoeid);
    • lichaamsbeweging en eetgewoonten.
  • 2. Cognitieve ontwikkeling

    • taalontwikkeling en taalgebruik;
    • werkhouding op school (concentratie, niveau);
    • voortgang op school, succes- en faalervaringen.
  • 3. Emotionele ontwikkeling en gedrag

    • omgaan met emoties en de expressie van gevoelens;
    • hechting;
    • temperament;
    • (spel)gedrag thuis, op school en in de omgeving (bijvoorbeeld sportclub);
    • sociaal gedrag (contact met leeftijdgenoten en volwassenen);
    • reactie op traumatische of stressvolle gebeurtenissen.
  • 4. Identiteit

    • de mate waarin de jeugdige zichzelf ziet als individu en als deel van het gezin;
    • zelfbeeld en zelfvertrouwen;
    • keuzes maken en initiatief nemen;
    • gender en/of seksuele identiteit.
  • 5. Gezins- en sociale relaties

    • relaties met gezinsleden (ouders, broers/zussen);
    • relaties met leeftijdgenoten;
    • relaties met volwassenen;
    • empathisch vermogen;
    • manier van contact leggen met professionals (bijvoorbeeld oogcontact maken, mate van openheid of afweer, mate van weerbaarheid of afhankelijkheid).
  • 6. Sociale presentatie

    • verschijning en gedrag in sociale situaties (passende kleding, passend gedrag, netheid en persoonlijke hygiëne);
    • aanpassing aan en houding ten aanzien van beperkingen en discriminatie door anderen;
    • respect voor gezins-, culturele en religieuze waarden en diversiteit.
  • 7. Zelfredzaamheid

    • praktische, emotionele en communicatieve vaardigheden die vereist zijn voor toenemende onafhankelijkheid;
    • oplossingsvaardigheden;
    • inschatten van de eigen veiligheid en risico’s.

… Meer

Het tweede domein, de opvoedingscapaciteiten van ouders, kunnen met de volgende zes dimensies in kaart kunnen worden gebracht:

  • 1. Basale verzorging

    • voorzien in de fysieke behoeften van de jeugdige (voeding, hygiëne, onderdak);
    • zorgdragen voor goede gezondheidszorg (bijvoorbeeld bezoek aan huisarts en tandarts, deelname aan vaccinatieprogramma, specialistische hulp).
  • 2. Garanderen veiligheid

    • bieden van een veilige leefomgeving;
    • bescherming bieden tegen mensen die mogelijk gevaar opleveren;
    • voldoende toezicht van een volwassene bieden;
    • de jeugdige weerbaar maken: bespreken hoe om te gaan met risicovolle situaties.
  • 3. Emotionele warmte

    • waardering en respect tonen voor de jeugdige;
    • empathie en begrip tonen;
    • sensitief en responsief reageren op de behoeften van de jeugdige;
    • betrokkenheid, steun en participatie laten zien van ouders bij (activiteiten van) de jeugdige.
  • 4. Stimuleren

    • de cognitieve ontwikkeling bevorderen door aanmoediging, communicatie en stimulatie;
    • voorzien in leermogelijkheden en sociale participatie;
    • zorgen voor en ondersteunen van onderwijs en succeservaringen.
  • 5. Regels en grenzen

    • stellen van heldere, realistische grenzen, regels en verwachtingen;
    • reguleren van gedrag en emoties van de jeugdige (leren omgaan met frustraties);
    • de jeugdige leren omgaan met conflicten;
    • de jeugdige passende verantwoordelijkheden geven.
  • 6. Stabiliteit

    • structuur, stabiliteit en continuïteit in opvoeding en verzorging bieden;
    • voorspelbaarheid van reacties van de ouder voor de jeugdige;
    • fysiek en psychisch beschikbaar zijn van minimaal een vaste opvoeder.

… Meer

Het derde domein betreft bredere gezins- en omgevingsfactoren. Het ‘framework’ onderscheidt de volgende zeven dimensies op dit terrein:

  • Gezinsgeschiedenis en functioneren: wie maakt er deel uit van het huishouden? Hoe is hun relatie met de jeugdige? Hebben zich hierin belangrijke veranderingen voorgedaan? Welke ervaringen uit de kindertijd dragen de ouders met zich mee? Hebben zich belangrijke gebeurtenissen voorgedaan? Hoe functioneert het gezin (denk ook aan de relatie met broers en zussen en de invloed op de jeugdige daarvan)? Wat zijn sterke en minder sterke eigenschappen van de ouders? Welke moeilijkheden ervaren zij? Hoe is de relatie tussen (gescheiden) ouders?

  • Familie: wie zijn deel van de bredere familie? Wie zijn daarin afwezig? Hoe zijn de relaties met de bredere familie? Welke impact heeft de familie op de jeugdige en het gezin?

  • Woning: zijn in de accommodatie basisfaciliteiten aanwezig? En voorzieningen die passen bij de leeftijd en de ontwikkeling van de jeugdige en andere huisgenoten? Denk aan interieur en exterieur van het huis en directe omgeving, inclusief de aanwezigheid van gas, water, elektra, kookfaciliteiten, slaapruimte, netheid, hygiëne en veiligheid en de invloed daarvan op het opvoeden van de jeugdige.

  • Werk: wie werkt, wat voor werkpatroon heeft diegene en wat is het effect daarvan op de jeugdige? Zijn daarin belangrijke veranderingen geweest (denk aan werkloosheid van de kostwinner)?

  • Inkomsten: is er voldoende geld om in de behoeften van de jeugdige en het gezin te voorzien?

  • Sociale integratie van het gezin: in welke mate is het gezin geïntegreerd of geïsoleerd? Hoe zien de peer-groups, vriendschappen en het sociale netwerk van zowel de jeugdige als de ouders eruit? Welk belang hechten ze eraan?

  • Gemeenschapsbronnen: welke faciliteiten en diensten zijn er in de buurt? Denk aan universele diensten van primaire gezondheidszorg, dagopvang en scholen, transport, winkels, vrijetijdsactiviteiten en plekken voor religieuze samenkomsten. Het gaat om zowel de beschikbaarheid als het niveau van de voorzieningen en de invloed daarvan op het gezin.

… Meer

Beoordelen van ouderschap
Goed genoeg ouderschap
Reageer!