Multiprobleemgezinnen

Naar schatting is in drie tot vijf procent van alle gezinnen in Nederland sprake van meervoudige en complexe problematiek. Het gaat om 75.000 tot 116.000 zogenaamde multiprobleemgezinnen: een gezin waar minimaal één ouder en één kind langdurig kampt met een combinatie van sociaal-economische en psychosociale problemen. Veel jeugdprofessionals vinden het moeilijk om multiprobleemgezinnen de juiste hulp te bieden. Want werken met deze gezinnen vergt een bijzondere aanpak. Bovendien roept de term multiprobleemgezin vaak negatieve associaties op, ook bij hulpverleners. De nieuwe richtlijn Multiprobleemgezinnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming kiest daarom voor een positieve benadering. Hoe kun je als hulpverlener het gezin benaderen vanuit zijn kracht en mogelijkheden in plaats vanuit problemen? Hoe definieer je samen met het gezin wat de problemen zijn en waaraan gewerkt moet worden? En hoe betrek je de omgeving erbij? Op deze en andere vragen geeft de richtlijn een antwoord.

Naar Hoofdstukken

Zoeken

Uit de praktijk

‘Net zo min als dat de doorsnee Nederlander bestaat, bestaat het doorsnee werkproces’

Emmy Berben Senior Beleidsadviseur onderzoek en (inhoudelijke) ontwikkeling bij Jeugdbescherming west

Lees het verhaal van Emmy Berben

Uit de praktijk

‘Entréa aan de slag met invoer richtlijnen in eigen organisatie’

Ineke de Laat Beleidsmedewerker Opleidingen

Lees het verhaal van Ineke de Laat

?>

Aanbevelingen

  • Neem kennis van de definitie van multiprobleemgezinnen en de kenmerken van zulke gezinnen: een multiprobleemgezin is een gezin van minimaal één ouder en één kind dat langdurig kampt met een combinatie van sociaal-economische en psychosociale problemen. De betrokken hulpverleners vinden dat het gezin weerbarstig is voor hulp. Noem alleen een gezin een multiprobleemgezin als het aan deze definitie voldoet.

  • Stel samen met de gezinsleden, het sociale netwerk en de betrokken instanties een gezinsplan op. Dit plan is in heldere taal geschreven zodat iedereen de inhoud begrijpt. Het plan is vooral een werkplan; het wordt regelmatig geëvalueerd en waar nodig aangepast. Het gaat daarbij zowel om langetermijndoelen als om kleinere werkdoelen. Door met kleine stappen te werken, zien de gezinsleden snel resultaat en blijven ze gemotiveerd.

  • Ondersteun de gezinsleden bij het opstellen van heldere, concrete en meetbare doelen en neem deze op in het gezinsplan. De doelen geven een duidelijke richting aan de hulp die het gezin ontvangt. De gezinsleden zijn eigenaar van deze doelen. Ze zijn geformuleerd in hun eigen woorden en inspireren en engageren hen.

  • Evalueer de ingezette hulp regelmatig met de gezinsleden, en neem in het gezinsplan op wanneer dat gebeurt. De gestelde doelen zijn bij de evaluatie het uitgangspunt. Als de hulp niet leidt tot het bereiken van de gestelde doelen, stel dan samen met de gezinsleden het gezinsplan en eventueel het eigen handelen bij en zet zo nodig andere hulp of andere acties in.

  • Verzamel informatie over de ontwikkelingsbehoeften van de betreffende jeugdige, de opvoedingscapaciteiten van de ouders en de gezins- en omgevingsfactoren die binnen dit gezin een rol spelen. Gebruik hierbij het Framework for the assessment of children in need and their families. Ga na hoe deze factoren op elkaar inwerken en herhaal dit regelmatig.

  • Beoordeel, in samenspraak met de gezinsleden, of er sprake is van ‘goed genoeg’ ouderschap. Gebruik hierbij de veertien voorwaarden voor een optimale ontwikkeling van de jeugdige. Stel altijd de vraag: wat heeft de jeugdige nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen en wat heeft de ouder nodig om zijn of haar kind hierin te ondersteunen?

  • Onderdeel van het gezinsplan is een veiligheidsplan. Stel dit altijd samen met de gezinsleden, het sociale netwerk en de betrokken instanties op en evalueer het regelmatig met elkaar. Maak hier met elkaar afspraken over.

  • Probeer tot een werkrelatie met het gezin te komen voordat gewerkt wordt aan gedragsverandering. Het geven van praktische hulp kan de opbouw van deze relatie bevorderen.

  • Verleen zowel praktische als psychosociale hulp aan het gezin, en coördineer de zorg. Wees je hierbij bewust van je eigen grenzen en schakel gespecialiseerde hulp in wanneer nodig. Probeer het gezin en het netwerk meer de regie te laten nemen over de eigen situatie en blijf zo lang als nodig betrokken bij het gezin.

  • Zet, om verandering te bewerkstelligen, bij voorkeur een erkende en goed onderbouwde interventie in.

Gezinsplan

Wat staat er in een gezinsplan?

Lees verder

Ouderschap

Wanneer is ouderschap 'goed genoeg'?

Lees verder

Reageer!