Middelengebruik

Behandeling

Algemene werkzame elementen van behandelinterventies

In deze paragraaf bespreken we de werkzame elementen van behandelingen gericht op het verminderen of stoppen van problematisch middelengebruik. De werkzame elementen uit de behandelinterventies (zie Behandelinterventies) zijn doorgaans terug te voeren op vier typen behandelingen:

  • Motiverende gespreksvoering;

  • Cognitieve gedragstherapie;

  • Contingency-management;

  • Systeembehandeling.

… Meer

Ook wordt enige aandacht besteed aan urinetesten. Zulke testen kunnen ook als interventie worden ingezet.

N.B. Er is nog weinig onderzoek naar de effectiviteit van de aanbevolen interventies die in deze richtlijn zijn opgenomen. Dit onderzoek is gewenst voor de nabije toekomst.

1. Motiverende gespreksvoering

Deze techniek is in Werkzame elementen van verslavingspreventie, besproken, en wordt zowel binnen als buiten de verslavingszorg veel toegepast (zie ook bijlage 1 in de Complete richtlijn, pdf).

2. Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie (CGt) is een interventie die bij een breed scala aan psychische aandoeningen relatief succesvol wordt toegepast. CGt is een verzamelnaam voor een aantal interventies die cognitieve en gedragstherapeutische interventies combineren. Cognitieve therapie is een behandelvorm die ervan uitgaat dat stoornissen ontstaan doordat mensen bepaalde opvattingen over gebeurtenissen hebben die nauw samenhangen met sterke emoties en disfunctioneel gedrag. Gedragstherapie gaat ervan uit dat ongewenst gedrag vaak een aangeleerde, niet-werkende manier is om met problemen om te gaan, en dat ander gedrag aangeleerd kan worden om effectiever met problemen om te gaan. De grondleggers van cognitieve gedragstherapie zijn Beck en Ellis. CGt voor de behandeling van problematisch middelengebruik is gebaseerd op de leertheorie (zie Op wie is deze richtlijn van toepassing?) en is erop gericht om de positieve verwachtingen die mensen van middelengebruik hebben af te laten nemen.

Sociale vaardigheidstraining en zelfcontroletraining zijn de meest effectieve CGt-interventies. Cliënten verwerven hierbij sociale vaardigheden, ze leren hoe ze interpersoonlijke relaties kunnen vormen en behouden, ze leren voor zichzelf op te komen (assertiviteit), en hoe ze middelengebruik of delinquent gedrag kunnen weigeren.

3. Contingency-management

Bij gedragstherapie in het algemeen gaat het kort gezegd over het belonen van gewenst gedrag en het intrekken van privileges bij ongewenst gedrag. Het geven van punten waarmee beloningen verdiend kunnen worden, is een manier om positieve feedback te geven. Maar bijvoorbeeld in residentiële settingen is de valkuil dat de technieken van belonen en straffen gericht zijn op het disciplineren en handhaven van de orde in de leefgroep, in plaats van op het stimuleren van ander gedrag.

In Nederland is één onderzoek gedaan waarin gebruik van een puntensysteem in de leefgroep vergeleken is met de reguliere aanpak in leefgroepen. Het onderzoek naar dit Residentieel Gedragstherapeutisch Programma laat zien dat bij de jeugdigen in de leefgroep met dit programma de gedragsproblemen en het middelengebruik meer afnamen en de sociale vaardigheden meer toenamen dan bij een vergelijkbare groep jeugdigen in een reguliere behandelgroep.

Contingency-management is een specifieke vorm van gedragstherapie. Het is een interventie die is ontwikkeld ten behoeve van de volwassen verslavingszorg. Hier wordt het clean/nuchter blijven beloond met geld/cadeaubonnen.

4. Systeembehandeling

Zoals al in de inleiding op deze richtlijn is aangegeven, is samenwerking tussen jeugdprofessional, de jeugdige en de ouders van groot belang. De jeugdprofessional neemt dan ook het initiatief om de jeugdige ende ouders uit te nodigen om actief deel te nemen aan de diverse onderdelen en aan besluitvorming in het gehele traject. Uit de goede resultaten die met Multidimensional Family Therapy (MDFT) behaald worden, blijkt dat de aandacht behalve op het systeem ook op terreinen buiten het gezin gericht moet worden.

MDFT is bestemd voor een doelgroep die grotendeels overeenkomt met de doelgroepen waar MST/RGT (Multi System Therapy/Relationele Gezinstherapie) zich op richt. Waar MST/RGT zich vooral richt op elf- tot achttienjarigen met ernstige gedragsproblemen, in samenhang met een problematische gezinssituatie, richt MDFT zich met name op jeugdigen bij wie verslavingsproblematiek op de voorgrond staat of een ernstig verstorende factor is. MDFT is bij uitstek geschikt voor deze doelgroep. Ook Kuipers & Roosma stellen dat, wanneer de jeugdige verslavingsproblematiek heeft en naast de multisysteemgerichte aanpak ook bemoeizorg nodig is, MDFT de meest geëigende interventie is. Wanneer verslavingsproblematiek een substantieel probleem van de jeugdige vormt, is MST minder geschikt. Wel kan verslaving bij MST een onderdeel vormen van de problematiek van de jeugdige.

MDFT biedt enkele voordelen ten opzichte van MST in de toepassings- en toeleidingsmogelijkheden:

  • actieve tegenwerking van de ouders is wel een contra-indicatie voor MST en RGT, maar niet voor MDFT. Om MST of MDFT in te zetten moet de jeugdige (op korte termijn) deel uitmaken van het gezinssysteem. MDFT kan echter ook ingezet worden bij jeugdigen die bijvoorbeeld op kamers willen gaan wonen maar wel willen werken aan de relatie met gezinsleden. Bij MDFT vinden ook gesprekken met de jeugdige alleen plaats, terwijl dit bij MST en RGT vooral met de ouders en het gezin is;

  • voor MDFT bestaan versies (MDFT Preventief en Engaging Moms) die ook bij kinderen jonger dan elf jaar kunnen worden ingezet, bij MST niet;

  • MDFT wordt geregeld ook buiten een forensisch kader toegepast in de reguliere jeugdhulp, jeugdbescherming, GGZ of verslavingszorg. Bij MST gebeurt dit soms;

  • MDFT heeft inmiddels een grote landelijke dekkingsgraad.

… Meer

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat MDFT voor de doelgroep van de Richtlijn Middelengebruik voor jeugdhulp en jeugdbescherming in de meeste gevallen de voorkeur heeft boven MST. Wanneer verslaving niet op de voorgrond staat en geen verstorende factor is, ouders meewerken en de jeugdige (op korte termijn) onderdeel uitmaakt van een gezinssysteem, dan kan ook MST worden aangeboden.

5. Toepassing van urine- en blaastest

De motivatie en vooral het vertrouwen in de eigen vaardigheden om het gedrag te veranderen kan ondersteund worden door controlemaatregelen, zoals urine- en blaastesten. Voor sommige jeugdigen is deze stimulans nodig om op een bepaald moment niet te gaan gebruiken. Dit geldt vooral in de beginfase, wanneer de jeugdigen de eerste stappen zetten om hun middelengebruik te veranderen. Dergelijke maatregelen kunnen echter alleen tot steun zijn indien zij ook werkelijk als steun worden ervaren door de jeugdigen, en niet als straf of uitsluitingscriterium. Als uit een urinetest middelengebruik blijkt, leidt dit tot een stevig gesprek en wellicht een evaluatie van de haalbaarheid van de gestelde doelen (practice-based).

Een flexibel gebruik van urinetesten kan twee doelen dienen:

  • vrijwillig is het een manier voor jeugdigen om te bewijzen geen drugs te hebben gebruikt;

  • vrijwillig is het een manier om jeugdigen aan te tonen dat het stoppen met gebruik zichtbaar wordt in de testuitslagen (positieve prikkel).

… Meer

Bij cannabis heeft de urinetest wel haken en ogen, want de uitslag is niet altijd duidelijk. Een goed laboratorium geeft ook advies bij de uitslag.

Behandelinterventies
Kernaanbevelingen
Reageer!