Crisisplaatsing

Een crisis, en dan?

Samenvatting van literatuur en praktijk

Dit is een samenvatting van de literatuur over crisisinterventie. Daarbij is onder andere gebruik gemaakt van het praktijkboek Crisisinterventie geschreven voor de GGZ. Naast de literatuur is in deze samenvatting ook de input van experts en focusgroepen verwerkt. Vanwege de leesbaarheid is ervoor gekozen de literatuur en de meningen van de experts in één geheel te verwerken.

Wat is een crisis?

Een crisis is een ernstige verstoring van het normale, alledaagse functioneren van een individu of systeem. De draaglast van een jeugdige, ouder of gezin gaat de draagkracht van henzelf en hun sociale netwerk ver te boven. Daardoor zijn de oplossingsstrategieën die een gezin normaal gesproken inzet niet langer toereikend. Een crisis is een extreme situatie: een gezin belandt van een ‘kwetsbare toestand’ in ‘totale ontreddering’. De problemen worden vaak verergerd door allerlei bijkomende problemen, zoals een verslaving, gebrek aan sociale ondersteuning, en financiële en materiële problemen.
Een crisissituatie kan ontstaan wanneer een jeugdige een gevaar is voor zichzelf of voor anderen. De jeugdige vertoont bijvoorbeeld moorddadig of suïcidaal gedrag, verminkt zichzelf of is agressief. Een jeugdige kan ook gevaar lopen door toedoen van een ander (denk aan ernstige mishandeling, verwaarlozing of seksueel misbruik). Of er ontstaat een crisis bij ernstig misbruik van drugs en/of alcohol of doordat zich bij de jeugdige of een van de ouders een acute psychose voordoet.
Er zijn verschillende typen crisis. Bij een acute of shock-crisis is de spanning in korte tijd opgelopen, bijvoorbeeld door een sterfgeval, een ongeluk of ander ernstig incident. Het vermogen van het gezin om hierop in te spelen schiet dan tekort. Een crisis kan ook geleidelijk ontstaan. Daarbij is de spanning in het gezin langzamerhand opgelopen. Een relatief kleine aanleiding kan de emmer plotseling doen overlopen en een crisis teweegbrengen. Dit wordt ook wel een uitputtingscrisis genoemd. Het gezin is niet langer in staat om de spanningen op te vangen en in te spelen op de behoeften van de gezinsleden.

Wie meldt?

Van Oenen en collega’s maakt onderscheid tussen drie typen aanmelders: de ouder of jeugdige, de naaste en de jeugdzorgwerker.

De ouder of jeugdige
De emotionele toestand, de communicatieve vaardigheden en de situatie van waaruit de ouder of jeugdige belt zijn van belang bij het inschatten van de aard, de ernst en de urgentie van de crisis en voor de inschatting van de veiligheid van de cliënt, de eventuele gezinsleden en de veiligheid voor de jeugdzorgwerker wanneer hij ter plaatse gaat.

De naaste
Als een naaste belt kan er vanuit gegaan worden dat het om een zorgelijke situatie gaat. De volgende vragen dienen de aandacht te hebben van de jeugdzorgwerker.

  • Weet de ouder of jeugdige dat er contact opgenomen is met de crisisdienst?

  • Stemt hij in met dat contact en met het eventueel uitwisselen van persoonlijke informatie?

  • Kan hij zelf meeluisteren of zelf aan de telefoon komen? Het heeft namelijk de voorkeur dat de ouder of jeugdige zelf zijn verhaal vertelt.

… Meer

De professional
De meeste meldingen bij de crisisdienst komen binnen via derden, zoals de politie, de school, het ziekenhuis of lokale hulpverleners. De politie heeft vaak te maken met escalerende situaties en schakelt voor de hulpverlening aan jeugdige en gezin de jeugdhulp in. Is in het gezin sprake van huiselijk geweld waarbij jeugdigen getuige of betrokken waren, stem dan met de politie het verdere handelen af. Handelt de politie conform de aanwijzing Huiselijk Geweld dan kan dit van invloed zijn op de hulpverlening aan het gezin.

Bij andere melders kan het vóórkomen dat hij/zij zelf klem is komen te zitten: hij weet niet hoe het verder moet terwijl het gezin druk uitoefent. In deze situaties kan het zijn dat de melder de situatie anders weegt dan de jeugdzorgwerker van de crisisdienst. Het is dan van belang duidelijkheid te scheppen over de wederzijdse verwachtingen en over ieders taken en verantwoordelijkheden.

In welke situaties is direct ingrijpen noodzakelijk?

Een jeugdzorgwerker van een (boven)lokale crisisdienst stelt vast of er sprake is van een crisissituatie in het gezin. De aard, ernst en urgentie van de situatie bepalen hoe snel er gehandeld moet worden. Is er sprake van escalerende problematiek, dat wil zeggen dat de situatie op korte termijn verder zal verslechteren, dan wordt snel ingrijpen noodzakelijk. In het Handboek Indicatiestelling Bureau Jeugdzorg (2010) worden drie gradaties van urgentie onderscheiden: crisis, spoed en regulier. Crisissituaties worden hierin als volgt omschreven.

  • Crisis: direct ingrijpen en een vervolggesprek binnen 24 uur

    De situatie is levensbedreigend of er is direct gevaar voor de jeugdige als:

    • de ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding;
    • de jeugdige een psychose heeft;
    • de jeugdige ernstig verwaarloosd wordt of dreigt te worden en/of zijn situatie onveilig is (er is bijvoorbeeld geen toezicht);
    • er duidelijke aanwijzingen voor seksueel misbruik of lichamelijke mishandeling zijn.

… Meer

 

  • Spoed: binnen 24 uur vervolgcontact

    Er dreigt gevaar voor de jeugdige en/of de balans tussen draagkracht en draaglast is ernstig verstoord. Zie paragraaf 3.3.4 van de onderbouwing voor een toelichting op ‘spoed’.

… Meer

Deze richtlijn handelt in eerste instantie vooral over de eerste situaties, waarin dus sprake is van een crisis. De situatie is levensbedreigend of er is direct fysiek gevaar voor de jeugdige. Er dient dan ook direct ingegrepen te worden. Dit ingrijpen in een crisis (Van Wesemael, 2013) onderscheidt zich van het inzetten van crisisinterventies. Dit laatste is het inzetten van (ambulante) interventies ná een crisis, om het verstoorde evenwicht te herstellen. Deze ambulante interventies staan in hoofdstuk 3 centraal. Daarnaast kan de richtlijn ook bij spoed bruikbaar zijn. Maakt de professional de afweging dat er geen sprake is van een crisis of spoedzaak, dan gaat hij naar de Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming of de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Welke van de twee richtlijnen hij dan kiest, hangt vooral af van de afweging of een uithuisplaatsing aan de orde lijkt te zijn.

Wie beoordeelt de crisis?

Het is bij voorkeur een specialistische jeugdzorgwerker die de eerste (telefonische) beoordeling doet en naar het gezin in crisis gaat. De jeugdzorgwerker kan met ouders en jeugdige van mening verschillen over de vraag of er sprake is van een crisis. Hier moet hij op een goede manier mee weten om te gaan. Dit stelt hoge eisen aan de competenties van de jeugdzorgwerker. Uit onderzoek komt naar voren dat de effectiviteit van de hulp in een crisis samenhangt met onder meer de expertise van de hulpverlener. De deskundigheid van de jeugdhulpmedewerkers bij een crisisdienst kan verhoogd worden door ervaringen onderling te delen. Het leren herkennen van patronen is een essentieel onderdeel voor het nemen van (juiste) besluiten in crisissituaties. In dat opzicht is crisis ‘een vak apart’.

De jeugdzorgwerker van een crisisdienst dient voor het beoordelen en handelen in crisissituaties over de volgende competenties te beschikken:

  • directief kunnen zijn, motiverend kunnen werken;

  • actief informatie kunnen verzamelen, wegen, beoordelen, besluiten en ernaar handelen;

  • gestructureerd kunnen werken en snel kunnen schakelen;

  • samen kunnen werken met andere hulpverlenende instanties;

  • kunnen putten uit een behoorlijke ervaringskennis van crisissituaties;

  • risico’s kunnen inschatten en openstaan voor overleg en consultatie.

… Meer

De jeugdzorgwerker handelt ‘nooit alleen’. Dat houdt in dat altijd over de beoordeling wordt overlegd met een gekwalificeerde gedragswetenschapper. Bij voorkeur gaan er twee medewerkers van de crisisdienst naar het gezin toe en overleggen zij telefonisch over mogelijke beslissingen met de verantwoordelijke gekwalificeerde gedragswetenschapper. Is plaatsing in een gesloten instelling voor jeugdhulp aan de orde, dan dient de beoordeling plaats te vinden door een gekwalificeerde gedragswetenschapper die zelf niet rechtstreeks betrokken is bij de uithuisplaatsing, en dient een verzoek bij de kinderrechter te worden ingediend. Dit verzoek kan ingediend worden door het college (indien ouders instemmen met de gesloten plaatsing), de Raad en het OM. Als er een ots of een voogdij is, dan kan ook de gecertificeerde instelling het verzoek doen. Is er sprake van een gedwongen opname in de GGZ, dan kan alleen een psychiater het besluit van de jeugdhulp bekrachtigen.

Samenwerking

De jeugdzorgwerker van een crisisdienst moet kunnen samenwerken met verschillende instellingen. Het gaat daarbij niet alleen om de professionele melder. De jeugdzorgwerker moet ook weten wanneer hij welke instantie moet raadplegen. Het gaat dan om vooral de politie, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, de GGZ , de verslavingszorg en de zorgaanbieders.

De politie is een belangrijke samenwerkende partner. Politiemedewerkers kunnen ter plaatse gezinsleden en hulpverleners beveiligen. In situaties waarin sprake is van huiselijk geweld werken zij aan de hand van een landelijk protocol. Zij kunnen uitvoering geven aan een eventueel besluit van de burgemeester één van de gezinsleden een huisverbod op te leggen. De politie kan informatie geven over eventuele eerdere meldingen van incidenten in het gezin.

De Raad voor de Kinderbescherming is een belangrijke partner in de toegang naar de kinderrechter. Wordt de jeugdige ernstig fysiek bedreigd of verwaarloosd, dan kan de Raad voor de Kinderbescherming een voorlopige OTS verzoeken. Het gezag van de ouders wordt daarmee beperkt. Mochten de ouders om één of andere reden wegvallen of weggevallen zijn, dan kan de Raad voor de Kinderbescherming zorgen voor een voorlopige voogdijmaatregel waardoor er weer in het gezag van de jeugdige kan worden voorzien.

Jeugd-ggz maakt steeds vaker deel uit van crisisdiensten voor jeugd. Dit is ook aan te bevelen. Niet zelden hebben jeugdigen of gezinsleden bij wie een crisissituatie ontstaat psychiatrische problemen. Bij een (dreigende) psychose of een poging tot suïcide van een jeugdige moet de GGZ onverwijld worden ingeschakeld. Is een dwangopname gewenst, dan heeft de GGZ daarvoor een eigen richtlijn. De GGZ kan de jeugdzorgwerker helpen om adequaat om te gaan met de psychiatrische problemen van de ouders.

De zorgaanbieders kunnen ingeschakeld worden wanneer op korte termijn jeugdhulp in het gezin ingezet dient te worden of wanneer er sprake is van een crisisplaatsing. De verslavingszorg kan geraadpleegd worden wanneer er vermoedens dan wel aanwijzingen zijn van middelengebruik.

Hoe te handelen?

De jeugdzorgwerker van de crisisdienst beoordeelt de crisissituatie direct na een aanmelding. Hij schakelt indien noodzakelijk andere instanties in, zoals de GGZ of de politie. Schat de jeugdzorgwerker in dat direct handelen door de jeugdhulp noodzakelijk is, dan zorgt hij ervoor dat binnen twee uur een jeugdzorgwerker ter plaatse is. In de tijd die de jeugdzorgwerker nodig heeft om ter plaatse te komen zorgt hij ervoor dat de jeugdige en de overige gezinsleden voldoende veilig zijn (zie paragraaf 3.2.8 van de onderbouwing van de Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming).

Van Deur en Mourits komen met de volgende adviezen aan de jeugdzorgwerker:

  • zorg voor snelle beschikbaarheid van de zorg: binnen twee uur na aanmelding;

  • leg de nadruk op probleemverheldering, breng rust en neem de paniek weg;

  • zorg voor een actieve, directieve, structurerende en motiverende aanpak;

  • coördineer desgewenst de zorg door de verschillende hulpverleners.

… Meer

Veiligheid

Een aandachtspunt is de veiligheid van de cliënt en de jeugdzorgwerker.

Jeugdige en gezinsleden

Van Oenen et al. geven aan dat de aanmelder vaak de situatie op dat moment het beste kan inschatten als de cliënt voor de jeugdhulp een onbekende is. De jeugdzorgwerker zal beoordelen welke maatregelen nodig zijn om de veiligheid direct te verhogen. Dat kan betekenen dat de jeugdzorgwerker vraagt of de aanmelder of een familielid bij de cliënt blijft totdat hij ter plaatse is.

Beoordeelt de jeugdzorgwerker de situatie als zeer riskant en dreigt er acuut gevaar voor één van de gezinsleden, dan is het goed om direct de politie in te schakelen. Deze is snel ter plaatse, en is bovendien toegerust om te beveiligen. De jeugdzorgwerker controleert met de aanmelder of de gemaakte afspraken de gezinsleden tijdelijk voldoende veiligheid bieden.

Checklist ten behoeve van de veiligheid van de cliënt:

  • voer telefoongesprekken samen met de cliënt;

  • gebruik een standaard aanmeldingsformulier;

  • maak concrete afspraken over waar, wanneer, met wie en hoe;

  • schakel waar mogelijk de cliënt zelf in;

  • laat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij de aanmelder totdat een eigen inschatting mogelijk is.

… Meer

De professionals (waaronder de jeugdzorgwerker)

Een tweede aandachtspunt is de veiligheid van de jeugdzorgwerker als hij op de crisissituatie afgaat. Bij acute veiligheidsvragen, waarbij de gezinsleden direct in gevaar zijn of er eerder al escalerende situaties zijn geweest (denk aan gewonden, dreigingen tot geweld, vermoedens van wapenbezit, eerdere gemelde geweldsituaties in het gezin), moet de politie ingeschakeld worden. Weet de aanmelder niet goed aan te geven of de situatie veilig is, vraag de politie dan of er in hun systemen meer over het gezin bekend is. Raadpleeg bij elke melding de eigen informatiesystemen en check in hoeverre het gezin met de hulpverlening bekend is en of er eerdere meldingen van onveilige situaties zijn geweest.

Checklist ten behoeve van de veiligheid van de jeugdzorgwerker:

  • raadpleeg altijd en eerst de eigen informatiesystemen op eerdere meldingen;

  • informeer bij derden (waaronder de politie en/of hulpverlening) naar het gezin;

  • check de veiligheidssituatie op basis van informatie van de aanmelder;

  • ga bij vermoedens van onveiligheid altijd met twee medewerkers op pad;

  • laat altijd bij de crisisdienst achter waar je naar toe bent (adres);

  • spreek een code af zodat het secretariaat of collega’s weten wanneer ze direct de politie moeten bellen.

… Meer

Conclusies
Proces
Reageer!