Crisisplaatsing

Besluitvorming

Besluitvorming

De beslissing om een jeugdige in een crisissituatie uit huis te plaatsen is ingrijpend. Daarom is het essentieel dat zo’n beslissing zorgvuldig gebeurt. Zorgvuldig beslissen betekent dat de jeugdzorgwerker:

  • systematisch en planmatig werkt;

  • onderscheid maakt tussen de informatie die hij verzameld, hoe hij die beoordelen en welke beslissingen hij op basis daarvan neemt;

  • naar ouders, jeugdigen, collega’s en andere hulpverleners toe transparant is over de overwegingen die leiden tot beslissingen.

… Meer

De jeugdzorgwerkers verzamelt informatie die voor een bepaald beslismoment relevant is. Mogelijk is maar weinig informatie beschikbaar: dat kenmerkt crisissituaties. Vervolgens beoordeelt de jeugdzorgwerker de situatie aan de hand van deze informatie, en komt hij tot ‘kernoordelen’. Daarna beslist hij in overleg met een gekwalificeerde gedragswetenschapper hoe ze de situatie gaan aanpakken. Zulke beslissingen worden ook wel ‘kernbeslissingen’ genoemd en neemt een jeugdzorgwerker nooit alleen. In een crisissituatie worden deze beslissingen in een hoog tempo en opeenvolgend genomen.

De kernbeslissing die centraal staat in de Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming is:

Moet een kind wel of niet uit huis geplaatst worden?

De belangrijkste overweging daarbij is wat deze jeugdige op dit moment nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen en of ouders dit kunnen bieden gezien hun opvoedingscapaciteiten.

Vier stappen kenmerken het besluitvormingsproces in een crisissituatie:

  • het type crisis beoordelen;

  • de veiligheid van de jeugdige inschatten;

  • maatregelen nemen om de veiligheid te verhogen;

  • de jeugdige, indien noodzakelijk, uit huis plaatsen.

… Meer

Het type crisis beoordelen

De eerste stap is het beoordelen van het type crisis. Het beoordelen van het type crisis gebeurt in direct contact (face-to-face) met de jeugdige/het gezin, omdat niet elke crisis hetzelfde is. De jeugdzorgwerker kan met het gezin van mening verschillen over de vraag of er sprake is van een crisis. In de jeugdhulp zijn vijf typen crisis te onderscheiden:

  • crisis bij ingrijpende gebeurtenissen;

  • crisis bij faseovergangen;

  • crisis bij meervoudige structurele problemen;

  • crisis bij verzorgingsproblematiek;

  • crisis bij acute psychiatrische problematiek.

… Meer

Typen crisis

    • Type: Crisis bij ingrijpende gebeurtenissen.
    • Kenmerk: Ingrijpende gebeurtenis van buitenaf.
    • Voorbeeld: Plotse dood van een familielid.
    • Hulp: Vooral gericht op het geruststellen van de jeugdige/gezinsleden in het regelen van praktische zaken.
    • Type: Crisis bij faseovergangen.
    • Kenmerk: De overgang stelt nieuwe eisen en die gaan niet gelijk op met het aanpassingsvermogen van het gezin. Spanningen leiden tot crisis.
    • Voorbeeld: Jongere die wegloopt na een flinke confrontatie met ouders of andere gezinsleden. Of een confrontatie van verschillende waarden en normen in migrantengezinnen.
    • Hulp: Vooral gericht op het ondersteunen en erkennen van wensen en opvattingen. Het gaat om het brengen van rust en het op weg helpen in het vinden van een nieuw evenwicht.
    • Type: Crisis bij meervoudige structurele problemen.
    • Kenmerk: De balans is snel verstoord, de gezinsleden zijn snel uit evenwicht.
    • Voorbeeld: Lichamelijke en/of psychische verwaarlozing, kindermishandeling en/of huiselijk geweld. De gezinnen zijn vaak te typeren als multiprobleemgezinnen.
    • Hulp: Vooral gericht op het bieden van voldoende veiligheid aan de jeugdige op de korte termijn.
    • Type: Crisis bij verzorgingsproblematiek.
    • Kenmerk: Het gezin steunt al veel op anderen en de chronische zorg maakt het systeem afhankelijk van anderen / zwak.
    • Voorbeeld: Een gezinslid met een (verstandelijke) handicap, verslaving en/of psychiatrische problematiek.
    • Hulp: In eerste instantie vooral gericht op het verbeteren van het gezinsfunctioneren zodat het gezin minder kwetsbaar is. In een vervolg is vaak langdurige ondersteuning nodig.
    • Type: Crisis bij acute psychiatrische problematiek
    • Kenmerk: Acute psychiatrische problematiek van één van de gezinsleden.
    • Voorbeeld: Een gezinslid met een plotselinge depressie met suïcidedreiging. Of een jongere/ouder met een acute psychose.
    • Hulp: Samenwerking met de psychiatrie is van belang. De hulp is gericht op herstel van de routine en het verwerken van de traumatische gebeurtenis. Belangrijk is ook het verstevigen van het netwerk rondom het gezin en – indien veiligheid een issue is – het maken van afspraken over de veiligheid van de jeugdige met het netwerk.

… Meer

Aan de hand van het type crisis kan de jeugdzorgwerker bepalen welke type hulp hij in eerste instantie kan inzetten, zie ook bijlage 2 in de complete richtlijn (pdf) en paragraaf 4.3.1 van de onderbouwing (pdf).

De veiligheid van de jeugdige taxeren

Als de jeugdzorgwerker het idee heeft dat er sprake is van escalerende problematiek en dat daarom snel ingrijpen noodzakelijk is, gaat hij naar het gezin toe. Dit kan bij elk type crisis spelen.
Veiligheid kent verschillende gradaties die allemaal om verschillende noodzakelijke interventies vragen. In de smalle opvatting van veiligheid staat de directe, fysieke veiligheid van de jeugdige centraal. Deze veiligheid is in het geding als de jeugdige in levensgevaar verkeert of zijn lichamelijke integriteit geschonden wordt, bijvoorbeeld door lichamelijk geweld, lichamelijke verwaarlozing of seksueel misbruik. Om te beoordelen of direct ingrijpen noodzakelijk is, is deze smalle opvatting van veiligheid richtinggevend. Is dus de veiligheid van de jeugdige direct in het geding, en is er een groot risico dat de jeugdige op korte termijn iets ernstigs overkomt, dan moet snel en effectief beschermend worden opgetreden. De eerste prioriteit is zorgen dat de jeugdige fysiek veilig is. Daarna kunnen pas verder onderzoek en hulpverlening worden ingezet.

Ten Berge en Bakker hebben een checklist ontwikkeld met punten voor het beoordelen van veiligheid, bestaand uit de volgende aandachtspunten:

  • afwezigheid van seksueel misbruik, fysieke en psychische mishandeling;

  • aanwezigheid van basale verzorging en bescherming;

  • aanwezigheid van een affectieve relatie tussen ouder en jeugdige / aandacht van ouder voor de jeugdige;

  • aanwezigheid van regelmaat, structuur en continuïteit;

  • voldoende toezicht van een volwassene;

  • aanwezigheid van een gevoel van veiligheid bij de jeugdige;

  • voldoende veranderingsmogelijkheden – op korte termijn – bij de ouder;

  • voldoende steun uit het sociale netwerk.

… Meer

In bijlage 3 (zie volledige richtlijn) is de volledige checklist “Veilig thuis?” opgenomen. In een crisis dienen de jeugdzorgwerkers deze aandachtspunten te gebruiken bij het beoordelen van de veiligheid van de jeugdige. De lijst geeft geen eindoordeel over de veiligheid op dit moment; het is de jeugdzorgwerker die het eindoordeel geeft.

Enkele algemene aandachtpunten bij de besluitvorming:

 

  • bekijk de situatie van verschillende kanten: verzamel informatie over de onderwerpen bij zo veel mogelijk verschillende informanten;

  • de aandachtspunten helpen om geen belangrijke zaken over het hoofd te zien;

  • maak onderscheid tussen concrete, feitelijke informatie en de beleving of mening van anderen;

  • vraag altijd goed na wat de ander bedoelt;

  • let niet alleen op fysieke en materiële aspecten maar ook op emotionele aspecten;

  • bespreek jouw oordeel met andere professionals;

  • neem moeilijke beslissingen nooit alleen.

… Meer

Het Framework for the Assessment of Children in Need and their Families helpt om een zorgvuldige afweging te maken met het oog op de veiligheid, het welzijn en de ontwikkeling van jeugdigen. De centrale vraag daarbij is steeds: Wat heeft deze jeugdige nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen en kunnen deze ouders gezien hun opvoedingscapaciteiten dat bieden? In figuur 4.1 (zie volledige richtlijn) wordt weergegeven welke domeinen van belang zijn om gezond te kunnen opgroeien.

Het Framework stelt dat dat het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige worden bepaald door de interactie tussen drie domeinen:

  • de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige;

  • de capaciteiten van de ouders (opvoeders) om in die behoeften te voorzien;

  • de invloed van gezins- en omgevingsfactoren op enerzijds de capaciteiten van de ouders en anderzijds de jeugdige.

… Meer

Deze drie domeinen zijn onderling verbonden. Tijdens een crisis is het niet mogelijk om uitgebreid al de ontwikkelingsbehoeften, opvoedingscapaciteiten en gezins- en omgevingsfactoren te onderzoeken. In de kern is het vooral van belang om te kijken naar de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige en opvoedingscapaciteiten van ouders. Verdere uitleg over de ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten is te vinden in de onderbouwing van de Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

Risicofactoren bij de ouders die van invloed kunnen zijn op hun vermogen een adequate opvoedingsomgeving te bieden, zijn:

  • middelenmisbruik/verslavingsproblematiek;

  • psychische/psychiatrische problematiek;

  • ziekte of een lichamelijke beperking;

  • een verstandelijke beperking;

  • gebrek aan gevoel van verantwoordelijkheid of aan medewerking;

  • een problematische partnerrelatie, o.a. veel conflicten, huiselijk geweld en instabiliteit in relaties (veel wisselende relaties);

  • fysiek/emotioneel niet beschikbaar zijn voor de jeugdige, bijvoorbeeld omdat de ouder in beslag wordt genomen door eigen problematiek of door ziekte (langdurige opname, fysieke beperkingen);

  • op jonge leeftijd (<18 jaar) ouder geworden;

  • zelf slachtoffer van kindermishandeling en/of heeft eerder geweld gebruikt tegen personen.

… Meer

Benadrukt moet worden dat de jeugdzorgwerker altijd moet onderzoeken in hoeverre deze kenmerken van invloed zijn op het opvoedend handelen van de ouders. Het zijn immers risicofactoren: ze vergroten de kans op crisisplaatsing, maar dat wil niet zeggen dat crisisplaatsing altijd noodzakelijk is.

Belangrijke beschermende factoren bij de ouders zijn:

  • een gevoel van competentie, draagkracht;

  • een positief zelfbeeld;

  • een ondersteunende partner;

  • kan eigen jeugdervaringen hanteren;

  • positieve jeugdervaringen;

  • kan steun vragen/profiteren van steun;

  • emotionele beschikbaarheid;

  • flexibiliteit;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen;

  • ontvangt steun vanuit het informele en formele sociale netwerk.

… Meer

Naarmate er meer risicofactoren en minder beschermende factoren in een gezin zijn, zullen ouders minder goed een verzorgings- en opvoedingssituatie kunnen bieden die nodig is voor een evenwichtige ontwikkeling van de jeugdige. Ook niet als zij daarbij steun vanuit hun sociaal netwerk of professionele hulp krijgen.
Risicofactoren bij de jeugdige, die de opvoeding kunnen verzwaren en een extra appèl doen op de opvoedingsvaardigheden van ouders, zijn:

  • een belaste voorgeschiedenis (bijvoorbeeld prematuur en/of laag geboortegewicht);

  • een (ernstige) ziekte of handicap;

  • gedrags- en/of ontwikkelingsproblemen;

  • een moeilijk temperament.

… Meer

Beschermende factoren bij de jeugdige, die aanwezige risicofactoren bij de jeugdige en/of de ouders kunnen compenseren, zijn:

  • zelfwaardering;

  • ego-veerkracht (stressresistentie);

  • bovengemiddelde intelligentie;

  • aantrekkelijk uiterlijk;

  • makkelijk temperament;

  • goede interpersoonlijke vaardigheden (sociale competentie);

  • steun van een voor de jeugdige belangrijke volwassene;

  • bereidheid en vermogen om te veranderen.

… Meer

Een professional neemt deze factoren mee in zijn overweging in hoeverre er risico’s of beschermende factoren zijn in de ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige die de verhouding tussen ontwikkelingsbehoeften en opvoedingscapaciteiten kunnen verstoren.

Maatregelen nemen om de veiligheid te verhogen

Een crisisplaatsing kan nodig zijn als de jeugdige of andere gezinsleden direct gevaar lopen en maatregelen om de veiligheid thuis te verhogen dreigen te falen. Volgens de werkgroep zijn de volgende maatregelen in een crisissituatie beschikbaar:

  • het sociale netwerk inzetten in het gezin;

  • professionele hulp in het gezin inschakelen dan wel intensiveren;

  • de veroorzaker van de onveiligheid uit huis halen;

  • de jeugdige uit huis plaatsen.

… Meer

1. Het sociale netwerk inzetten in het gezin

De eerste keuze – en dit heeft dus de voorkeur boven de andere maatregelen – is het direct inzetten van het sociale netwerk in het gezin om de veiligheid van de jeugdige en de andere gezinsleden te verhogen. Is het sociale netwerk niet direct beschikbaar, dan kan de jeugdzorgwerker tijdelijk de veiligheid helpen vergroten door direct ambulante crisisinterventies in te zetten. Denk aan Ambulante Spoedhulp of Families First. De inzet van zulke interventies komt in het hoofdstuk “Programma’s inzetten direct na crisis” (zie ook hoofdstuk 3 in de volledige richtlijn) aan de orde.

2. Professionele hulp in het gezin inschakelen dan wel intensiveren

Dit komt verder aanbod in hoofdstuk “Programma’s inzetten direct na crisis” (zie ook hoofdstuk 3 in de volledige richtlijn).

3. De veroorzaker van de onveiligheid uit huis halen

Een derde mogelijkheid is dat de veroorzaker van het geweld het huis tijdelijk verlaat. Denk aan een gewelddadige vader die een bedreiging vormt voor de gezinsleden. De jeugdzorgwerker kan dan met de veroorzaker van het geweld afspreken dat hij een poosje ergens anders gaat wonen. Het heeft de voorkeur dat de veroorzaker het huis vrijwillig verlaat. Mocht de veroorzaker niet willen meewerken dan kan – ook bij kindermishandeling – een tijdelijk huisverbod overwogen worden. Hiervoor dient de jeugdzorgwerker nauw samen te werken met de politie. De politie kan om een tijdelijk huisverbod vragen bij het College van de gemeente.

De veroorzaker van het geweld kan ook de jeugdige zelf zijn. Dit kan een reden zijn om de jeugdige uit huis te plaatsen.
In alle situaties waarin de veroorzaker het huis verlaat – al dan niet vrijwillig – legt de jeugdzorgwerker de afspraken vast in een zogenaamd ‘veiligheidsplan’. Hierin is minimaal vastgelegd:

  • de vorm en frequentie van het contact tussen de gezinsleden;

  • wie ingelicht wordt wanneer gezinsleden zich niet aan de afspraken houden;

  • een noodplan (wie te bellen) wanneer de situatie onverhoopt opnieuw escaleert.

… Meer

4. De jeugdige uit huis plaatsen

Verhogen de eerdere maatregelen naar oordeel van de jeugdzorgwerker de veiligheid van de jeugdige onvoldoende, dan kan een kernbeslissing zijn om de jeugdige voor zijn eigen veiligheid uit huis te plaatsen. De jeugdzorgwerker overlegt hierover met de gekwalificeerde gedragswetenschapper.

Beslissingen over een eventuele crisisplaatsing kunnen steeds gemaakt worden vanuit vier centrale vragen:

  • Kan de veiligheid verbeterd worden door direct het sociaal netwerk in te zetten?

  • Kan de veiligheid verbeterd worden door een gerichte interventie in te zetten?

  • Kan de veiligheid verbeterd worden door de veroorzaker uit huis te halen?

  • Kan de veiligheid verbeterd worden door het uit huis plaatsen van de jeugdige?

… Meer

Uithuisplaatsing van de jeugdige

Criteria
In de wetenschappelijke literatuur zijn geen criteria bekend voor crisisplaatsingen. De werkgroep is van mening dat het ontbreken van veiligheid in het gezin het enige criterium voor een jeugdzorgwerker is om een jeugdige acuut uit huis te plaatsen.

Verschillende opties
Bij het uit huis plaatsen van de jeugdige heeft de jeugdzorgwerker verschillende opties. Dit zijn de volgende, in volgorde van voorkeur:

  • Het plaatsen van de jeugdige binnen het eigen sociale netwerk. Dit heeft de eerste voorkeur. De jeugdzorgwerker checkt daarvoor eerst of de netwerkplaatsing voldoende veilig is. Dit doet hij onder andere door bronnen als de eigen systemen en de politie te raadplegen.

  • Het plaatsen van een jeugdige in een pleeggezin. Soms heeft dit de voorkeur boven plaatsing binnen het eigen netwerk vanwege de neutraliteit van een pleeggezin. Overleg met de voorziening voor pleegzorg dient plaats te vinden. Het is de verantwoordelijkheid van de voorziening voor pleegzorg een geschikt pleeggezin te vinden.

  • Het plaatsen van de jeugdige in een crisisopvanggroep. Het kan voorkomen dat ouders of jeugdige de voorkeur geven aan een tijdelijke plaatsing in een instelling. De jeugdzorgwerker overlegt met een zorgaanbieder en zorgt voor passende zorg. Daarbij houdt hij rekening met de specifieke behoeften van de ouders en de jeugdige.

  • Het plaatsen van een jeugdige in een instelling voor gesloten jeugdhulp. Loopt de jeugdige ernstig gevaar of is de jeugdige een bedreiging voor anderen, dan kan een gesloten plaatsing in de jeugdhulp aan de orde zijn. Dit besluit moet genomen worden door de kinderrechter nadat het college hiertoe een besluit heeft genomen (met instemming van de ouder met gezag), of op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van een onderzoek naar een maatregel voor kinderbescherming, of op vordering van het OM, of op verzoek van de gecertificeerde instelling bij een ots of voogdij. Indien de jeugdzorgwerker (buiten een KB maatregel om) denkt aan een dergelijke maatregel verdient het aanbeveling om onmiddellijk te overleggen met een collega van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij gesloten jeugdhulp dient er altijd een advies te zijn van een onafhankelijke gedragswetenschapper, dat wil zeggen een gedragswetenschapper die nog niet eerder bij de jeugdige betrokken is geweest.

  • Het plaatsen van een jeugdige in een voorziening voor geestelijke gezondheidszorg kan alleen als de jeugdzorgwerker de GGZ inschakelt. Het gedwongen opnemen van een jeugdige kan alleen met een maatregel “in bewaring stelling”. De betrokken psychiaters werken met een eigen richtlijn besluitvorming: dwang, opname en behandeling. Gedwongen opname van jeugdigen in de GGZ komt in Nederland zeer incidenteel voor.

… Meer

Om antwoord te krijgen op de vraag waar de jeugdige het beste geplaatst kan worden, wordt verwezen naar de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming, de Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming en de Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Aan de jeugdige en de ouders wordt altijd – indien mogelijk – gevraagd een voorkeur uit te spreken voor één van de eerste drie opties. Optie vier en vijf zijn alleen mogelijk als gespecialiseerde deskundigen daarmee instemmen. Deze opties kunnen door de jeugdzorgwerker wel geïnitieerd worden. Is een jeugdige uit huis geplaatst, dan komt de vraag of en wanneer hij weer teruggeplaatst kan worden. Zie hiervoor de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

Conclusie
Samenvatting van de literatuur en de praktijk
Reageer!