Juridische termen en rechtsfiguren

Juridisch ouderschap

De wet bepaalt wie er juridisch gezien ouder is van een minderjarig kind. Dit hoeft niet per se overeen te komen met de biologische of sociale werkelijkheid.

Ingevolge de wet is de juridische moeder van het kind:

a) de vrouw uit wie het kind is geboren;
b) de vrouw die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, indien dit kind is verwekt door kunstmatige donorbevruchting en de benodigde verklaring is overlegd waaruit blijkt dat de identiteit van de donor onbekend is (tenzij artikel 199, onder b van toepassing is);
c) de vrouw die het kind heeft erkend;
d) de vrouw wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
e) de vrouw die het kind heeft geadopteerd (artikel 1:198 BW).

De vader is:

a) de man met wie de moeder ten tijde van de geboorte van het kind is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan;
b) de man wiens huwelijk of geregistreerd partnerschap met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd of een nieuw partnerschap had laten registreren (behoudens enkele uitzonderingen, zie wetsartikel);
c) de man die het kind heeft erkend;
d) de man wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
e) de man die het kind heeft geadopteerd (artikel 1:199 BW).

Gezag

Minderjarigen staan onder gezag (artikel 1:245 BW). Het gezag kan bestaan uit ouderlijk gezag of voogdij. Ouderlijk gezag wordt door een of beide ouders uitgeoefend. Je spreekt van voogdij wanneer het gezag door een ander dan de ouder wordt uitgeoefend. Het gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige alsook op het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. Met andere woorden, het gezag omvat de bevoegdheid om beslissingen te nemen over de minderjarige en zijn vermogen. Het gezag, dan wel de voogdij, omvat de plicht en het recht van de ouder/verzorger dan wel voogd om de minderjarige op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 BW). Hieronder wordt onder meer verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, maar ook de bevordering van de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind. Hoofdregel is thans dat wanneer ouder scheiden (van echt) zij beiden (voor zover dit reeds het geval was) belast blijven met het gezag.

De juridisch ouder heeft niet per definitie het gezag. Het is mogelijk om juridisch ouder te zijn zonder het gezag uit te oefenen over een jeugdige. De vrouw of de man die ouder wordt op de manieren c) d) of e) heeft niet automatisch ook het gezag over de minderjarige. Dit moet apart worden aangevraagd bij de rechtbank. Tevens is het mogelijk dat het gezag van de juridisch moeder of vader wordt beëindigd. Dit heeft enkel gevolg voor het gezag en niet voor hun juridisch ouderschap.

Toestemming behandeling

De wet maakt voor het starten van een medische behandeling onderscheid tussen drie leeftijdscategorieën:

  • Het kind is jonger dan 12 jaar: In beginsel is voor de behandeling van een minderjarige jonger dan 12 jaar toestemming nodig van beide ouders (of wettelijk vertegenwoordigers) met gezag. Op grond van art. 7:466 lid 1 BW mag een hulpverlener in acute en dreigende situaties waarin de toestemming van de wettelijke vertegenwoordigers niet gegeven is, toch handelen indien dit kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt (minderjarige) te voorkomen. Ook mag de hulpverlener handelen zonder toestemming van de ouders als de hulpverlener in een individueel geval van mening is niet als goed hulpverlener te functioneren wanneer de geldende regels in acht genomen worden (lees: door niet te handelen). Hiervoor moet de hulpverlener goede argumenten hebben. In de praktijk is het voor hulpverleners veelal moeilijk te beoordelen of sprake is van een acute situatie, dan wel een situatie waarin goed hulpverlenerschap behandeling vereist. Dat speelt te meer omdat, zoals gesteld, ook voor een intake de toestemming van beide ouders vereist is. Op dit punt zou daarom een wettelijke opening voor een intake zonder toestemming van beide ouders wellicht soelaas kunnen bieden. Dit is bovendien wenselijk daar hulpverleners bij een verkeerde beoordeling van de omstandigheden (en met name wanneer de hulpverlener besluit zonder toestemming te handelen) geconfronteerd kan worden met een tuchtzaak. Tot op heden geldt echter dat ook voor een intake toestemming van beide ouders is vereist.
  • Minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar: Voor jongeren tussen de 12 en 16 jaar geldt dat een behandeling kan worden gestart zonder toestemming van de ouders als de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel te voorkomen of als de behandeling de weloverwogen wens van het kind is.
  • Minderjarigen van 16 en 17 jaar: Als de minderjarige 16 jaar of ouder is dan is hij op dit punt beslissingsbevoegd, tenzij de minderjarige wilsonbekwaam wordt geacht.

Er bestaat een lacune in de wet wat betreft de minderjarige van 12 jaar of ouder die niet in staat is tot een weloverwogen waardering van zijn belangen, bijvoorbeeld minderjarigen met een geestelijke beperking. Noch op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, noch op grond van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, wordt voorzien in een mogelijkheid om een eventuele weigering van ouders om toestemming te geven te doorbreken.

Omgang


Ouders en hun minderjarige kinderen hebben in principe recht op omgang met elkaar. In de Nederlandse wet is dit recht op omgang geregeld in artikel 1:377a BW. Dit recht op omgang is niet gelinkt aan het hebben van gezag. Anders gezegd: het feit dat een (juridisch) ouder geen gezag heeft over zijn minderjarig kind betekent niet dat hij dan ook geen recht op omgang heeft. De Nederlandse wet onderscheidt twee groepen personen die recht hebben op omgang met een minderjarig kind (en vice versa). Dit zijn (1) de juridische ouders en (2) derden die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind, ook wel aangeduid als personen die family life hebben opgebouwd met het kind. Deze personen kunnen ook een omgangsregeling aanvragen bij de rechtbank.

Informatieplicht ouders onderling

De ouder die het gezag over het minderjarige kind heeft, is verplicht de niet met het gezag belaste ouder te informeren over ‘gewichtige aangelegenheden’ met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige, en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen (artikel 1:377b BW). Het is mogelijk om aan de rechter te verzoeken een regeling te treffen die toe ziet op de informatieplicht (over welke dingen moet geïnformeerd worden, met welke frequentie, op welke wijze etc.).

Informatieplicht derden

Ook derden kunnen een informatieplicht hebben jegens de niet met het gezag belaste ouder (artikel 1:377c BW). Desgevraagd dienen derden die beroepshalve beschikken over informatie over belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige of diens verzorging en opvoeding betreffen te verstrekken aan de niet met het gezag belaste ouder, tenzij zij deze informatie niet op gelijke wijze zouden verschaffen aan de ouder die wel met het gezag is belast of bij wie het kind woont, dan wel als het verschaffen van die informatie niet in het belang is van het kind.

Bijzondere curator

In zaken over de opvoeding, verzorging of het vermogen van een kind kan een bijzondere curator worden benoemd (artikel 1:250 BW). De bijzondere curator is een persoon die door de  rechter wordt benoemd om op te komen voor de belangen van een minderjarig kind. De rechter benoemt de bijzondere curator alleen wanneer dit volgens hem noodzakelijk is. De rechter kan dit doen op verzoek van de minderjarige, ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende.

Reageer!